Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2003:AL8881

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
13-10-2003
Datum publicatie
14-10-2003
Zaaknummer
60085 KG ZA 03-274
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onduidelijkheid over bestuurderssituatie in een besloten vennootschap ten gevolge waarvan de banken weigeren (verdere) financiering te verstrekken aan deze besloten vennootschap. In kort geding wordt een van de bestuurders vervolgens geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector civiel recht

afdeling handelsrecht

Korte Gedingen

Uitspraak: 13 oktober 2003

Kort-geding-nummer: 60085 KG ZA 03-274

VONNIS

van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Leeuwarden, in het kort geding van:

1. [de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [de man],

2. de besloten vennootschap

LORENTI FESTIVITEITEN B.V.,

gevestigd te Wolvega,

hierna te noemen: Lorenti,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

procureur: mr. H.D.M. Brandsma,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

hierna te noemen: [de vrouw],

procureur: mr. P.R. van den Elst,

advocaat: mr. W.L.R. Schuurmans te Roden.

PROCESGANG

[de man] en subsidiair Lorenti -hierna: [de man]/Lorenti- heeft [de vrouw] in kort geding doen dagvaarden tegen de openbare zitting van 29 september 2003.

[de man]/Lorenti heeft toen op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd dat de rechter bij vonnis, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

1. [de vrouw] met onmiddellijke ingang zal schorsen als directeur en gevolmachtigde van Lorenti tot over de beëindiging van de bestuurspositie in een bodemprocedure is beslist;

2. zal bevelen dat de schorsing wordt ingeschreven in het Handelsregister te Leeuwarden;

3. [de vrouw] zal veroordelen in de kosten van het geding.

Vervolgens hebben partijen hun standpunten nader doen toelichten door hun procureur respectievelijk advocaat, die beiden mede aan de hand van pleitnotities het woord hebben gevoerd.

[de vrouw] heeft in conventie primair geconcludeerd dat de rechter zich onbevoegd zal verklaren van de vorderingen van [de man]/Lorenti kennis te nemen en subsidiair [de man]/Lorenti niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vordering, danwel hen deze zal ontzeggen, zowel primair als subsidiair met veroordeling van [de man]/Lorenti in de kosten van het geding.

In voorwaardelijke reconventie -te weten onder de voorwaarde dat de rechtbank zich in conventie bevoegd zal achten- heeft [de vrouw] gevorderd dat de rechter bij vonnis, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut,

I. [de man] zal verbieden om handelingen te verrichten, welke leiden tot benadeling van Lorenti, althans kunnen leiden tot benadeling van Lorenti;

II. [de man] zal gebieden om conform de wet, de statuten, het echtscheidingsconvenant en hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt te handelen;

zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van 5.000,00 euro per overtreding van het verbod en gebod en 1.000,00 euro voor iedere dag dat die overtreding voortduurt, althans op straffe van verbeurte van een dwangsom zoals de rechter in goede justitie mag vermenen te behoren.

In onvoorwaardelijke reconventie heeft [de vrouw] gevorderd dat de rechter bij vonnis, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

III. Lorentie en/of [de man] zal veroordelen om binnen 10 dagen na betekening van dit vonnis aan [de vrouw] uit te betalen het haar toekomende achterstallige salaris en het haar thans toekomende salaris, zoals vermeld in de beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden, vermeerderd met de wettelijke rente en verhoging, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van 1.000,00 euro per dag, althans een zodanige dwangsom als de rechter in goede justitie mag vermenen te behoren, dat [de man] danwel Lorenti hiertoe nalatig blijft.

Zowel in voorwaardelijke als in onvoorwaardelijke reconventie heeft [de vrouw] voorts veroordeling van [de man] en/of Lorenti in de kosten van het geding gevorderd.

[de man] heeft in voorwaardelijke reconventie en [de man]/Lorenti hebben in onvoorwaardelijke reconventie geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [de vrouw].

Partijen hebben met wederzijds goedvinden producties in het geding gebracht.

Na voortgezet debat hebben partijen vonnis gevraagd. De rechter doet heden uitspraak.

RECHTSOVERWEGINGEN

Vaststaande feiten

In conventie en in reconventie:

In dit kort geding gelden onder meer de navolgende feiten als vaststaand.

1.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk is ontbonden op 6 april 1998.

1.2. Partijen zijn allebei directeur van Lorenti.

1.3. Op 28 november 1995 hebben partijen een echtscheidingsconvenant gesloten.

Dit echtscheidingsconvenant luidt -voor zover hier van belang- als volgt:

(...)

2. Het vermogen van partijen in de besloten vennootschap "Lorenti Festiviteiten" B.V. te Wolvega zal (...) worden gewaardeerd. Bij die taxatie zal worden uitgegaan van de situatie op 1 januari 1996.

(...)

8. Partij [de vrouw] zal uit het bestuur van de onderneming treden, zodra met haar als (mede) directeur van "Lorenti Festiviteiten" B.V. een afvloeiingsregeling is getroffen. Na de in de vorige artikelen bedoelde taxatie zullen de advocaten van partijen daartoe een regeling ontwerpen, die aan partijen zal worden voorgelegd.

9. Vanaf de datum, waarop deze schriftelijke overeenkomst tot stand is gekomen tot de dag, dat partij [de vrouw] uit het bestuur van de onderneming zal treden, zal zij met behoud van haar salaris op "non-actief" worden gesteld. Ze zal derhalve geen werkzaamheden meer voor "Lorenti Festiviteiten" verrichten en evenmin het bedrijfsterrein betreden. Informatie met betrekking tot de onderneming verkrijgt ze via haar raadsman.

(...)

11. Partij [de man] zal zo lang de gemeenschap van goederen wat het ondernemersgedeelte betreft nog niet gescheiden is en gedeeld, gerechtigd zijn tot alle bestuurshandelingen, die tot de normale uitoefening van het bedrijf behoren. Hij zal zich daarbij onthouden van al datgene, waardoor de gemeenschap wordt of kan worden benadeeld.

1.4. [de man] heeft op 19 november 1998 bij de kamer van koophandel en fabrieken voor Friesland opgave gedaan van inschrijving c.q. wijziging betreffende de schorsing van [de vrouw] als directeur van Lorenti, welke opgave is ingeschreven in het handelsregister bij die kamer van koophandel.

1.5. [de man] heeft op 6 januari 1999 bij de kamer van koophandel en fabrieken voor Friesland opgave gedaan van inschrijving c.q. wijziging betreffende de bevoegdheid van een bestuurder en daarbij opgegeven dat hij sedert 1 december 1998 alleen bevoegd is in de rechtspersoon Lorenti, welke opgave is ingeschreven in het handelsregister bij die kamer van koophandel.

1.6. Deze rechtbank, sector kanton, locatie Leeuwarden, heeft bij beschikking van 21 juni 2002 onder verwijzing naar artikel 8 van het echtscheidingsconvenant geoordeeld dat [de vrouw] nog directeur is van Lorenti omdat een afvloeiingsregeling als bedoeld in artikel 8 ontbreekt. Voorts is overwogen dat de kantonrechter in artikel 9 van het echtscheidingsconvenant slechts leest dat [de vrouw] is ontslagen uit haar (arbeidsrechtelijke) verplichting tot arbeid met behoud van loon. In deze bepaling valt niet te lezen dat [de vrouw] als bestuurder van de vennootschap wordt geschorst zo lang ze nog niet uit het bestuur van de vennootschap is getreden, aldus de kantonrechter. De kantonrechter heeft vervolgens geconcludeerd dat de hiervoor sub 1.4. en 1.5. bedoelde inschrijvingen in het handelsregister onjuiste gegevens bevatten, zodat de doorhaling daarvan is bevolen.

1.7. Tussen partijen is een procedure aanhangig bij deze rechtbank (zaak-/rolnummer 39342 HA ZA 00-207) ter zake van de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen van partijen. Bij vonnis van 8 januari 2003 is geoordeeld dat wat betreft de waarde van de aandelen in Lorenti dient te worden uitgegaan van een bedrag van ƒ 275.618,00. Voorts is geoordeeld dat deze aandelen in een later stadium van het geding zullen worden toegedeeld aan [de man].

1.8. Tot op heden is met [de vrouw] als mede-directeur van Lorenti nog geen afvloeiingsregeling getroffen zoals in artikel 8 van het echtscheidingsconvenant is bedoeld.

Het geschil en de beoordeling daarvan

In conventie:

2. [de man]/Lorenti heeft aangevoerd dat hij thans problemen ondervindt door de huidige bestuurssituatie in Lorenti. Zo heeft de huisbankier van Lorenti -de ABN-Amro bank- na een bezoek van [de vrouw], waarbij zij de beschikking van 21 juni 2002 toonde, een oude volmacht van 1994 in werking gesteld inhoudende dat partijen beperkte volmacht hebben tot betalingen ten belope van ƒ 30.000,00. Voorts heeft de bank na afloop van de looptijd van kredietfaciliteiten aangegeven dat zij deze niet wenst te verlengen gelet op de complexe bestuurssituatie in Lorenti. [de man] is er vervolgens in geslaagd een andere huisbankier te vinden die bereid was een toereikende financiering te verstrekken, welke financiering noodzakelijk was geworden door de recessie. Daarvoor was onder meer een wijziging van de hypotheekhouder en derhalve een nieuwe notariële akte nodig. De notaris heeft deze akte echter niet willen passeren gelet op de beschikking van de kantonrechter van 21 juni 2002. Recentelijk zijn er onder meer door de notaris pogingen gedaan om de medewerking van [de vrouw] te verkrijgen, maar dit heeft geen resultaat gehad. De nieuwe huisbankier heeft inmiddels laten weten dat zij geen financiering aan Lorenti wenst te verstrekken totdat de bestuurscrisis is uitgewoed of er anderszins duidelijkheid ontstaat over de bevoegdheden in Lorenti. Volgens [de man]/Lorenti dreigt hierdoor het voortbestaan van Lorenti in gevaar te komen. Op dit moment kunnen de salarissen van het personeel van Lorenti niet betaald worden. [de man]/Lorenti vordert dan ook schorsing van [de vrouw] als directeur en gevolmachtigde van Lorenti.

3.1. [de vrouw] heeft allereerst aangevoerd, dat de rechter onbevoegd is om van de onderhavige vordering kennis te nemen. Volgens [de vrouw] had de onderhavige vordering ingesteld moeten worden bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam omdat het een vennootschaprechtelijk geschil betreft. Voorts dient de rechter zich volgens [de vrouw] onbevoegd te verklaren omdat het geschil te omvangrijk en te complex is, zodat het geschil zich niet leent voor een behandeling in kort geding.

3.2. De rechter stelt voorop dat de bevoegdheid van de Ondernemingskamer als bedoeld in artikel 2:349a Burgerlijk Wetboek de bevoegdheid van de voorzieningenrechter in kort geding onverlet laat. Weliswaar dient de voorzieningenrechter daarbij in het algemeen terughoudendheid te betrachten, maar de rechter ziet voor die terughoudendheid in het onderhavige geval geen aanleiding. De geschillenregeling bij de Ondernemingskamer is namelijk bedoeld om conflicten tussen aandeelhouders op te lossen. Hoewel [de vrouw] thans formeel nog aandeelhouder is van Lorenti, staat reeds nu vast dat zij dat binnen afzienbare tijd niet meer zal zijn. [de vrouw] heeft ter zitting immers aangegeven dat zij in hoger beroep niet zal opkomen tegen het vonnis van 8 januari 2003, voorzover daarin is geoordeeld dat de aandelen in Lorenti aan [de man] zullen worden toegedeeld. Zoals hierna zal worden overwogen, betreft het belang van [de vrouw] geen aandeelhoudersbelang maar een schuldeisersbelang. In deze omstandigheid ziet de rechter geen aanleiding voor enige terughoudendheid.

3.3. Voorts acht de rechter zich voldoende voorgelicht om in de onderhavige kwestie een oordeel te kunnen vormen. Het verweer dat het geschil te omvangrijjk en te complex zou zijn voor behandeling in kort geding zal dus worden verworpen.

4. Voor het geval de rechter zich bevoegd zal verklaren, heeft [de vrouw] aangevoerd dat er sprake is van wanbeleid aan de zijde van [de man]. Volgens [de vrouw] heeft zij er met het oog op dit wanbeleid belang bij om als bestuurder van Lorenti te blijven fungeren. Voorts is de schorsing reeds in twee bodemprocedures aan de orde geweest, te weten in de procedure die is geëindigd met de beschikking van de kantonrechter van 21 juni 2002 en in een procedure omtrent alimentatie bij het gerechtshof te Leeuwarden. Volgens [de vrouw] is in beide procedures geoordeeld dat [de vrouw] als directeur en gevolmachtigde van Lorenti heeft te gelden. Sinds die uitspraken hebben zich geen nieuwe feiten en omstandigheden voorgedaan op grond waarvan tot een ander oordeel zou moeten worden gekomen, aldus [de vrouw].

5.1. De rechter stelt voorop dat [de vrouw] -zoals zij heeft betoogd- thans als mede-directeur en gevolmachtigde van Lorenti heeft te gelden. Blijkens de stellingen van [de man]/Lorenti gaat ook zij hiervan uit. [de man]/Lorenti vordert immers schorsing van [de vrouw] als directeur en gevolmachtigde, hetgeen impliceert dat [de vrouw] thans directeur en gevolmachtigde van Lorenti is.

5.2. In artikel 8 van het echtscheidingsconvenant is bepaald dat [de vrouw] uit het bestuur van Lorenti zal treden zodra met haar als mede-directeur een afvloeiingsregeling is getroffen. Vast staat dat thans (nog) niet een dergelijke afvloeiingsregeling is getroffen. Weliswaar heeft [de man] hieromtrent een voorstel aan [de vrouw] gedaan, maar [de vrouw] heeft dit voorstel verworpen. Tot op heden is zij dan ook nog niet uit het bestuur van Lorenti getreden.

5.3. De rechter acht voldoende aannemelijk dat [de man]/Lorenti een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering strekkende tot schorsing van [de vrouw] als directeur en gevolmachtigde van Lorenti. [de vrouw] heeft niet (voldoende) weersproken dat Lorenti als gevolg van de onderhavige bestuurssituatie in financiële problemen is komen te verkeren omdat de banken niet bereid zijn om in deze situatie een krediet aan Lorenti te verstrekken. Voorts heeft [de man]/Lorenti aangevoerd -hetgeen niet (voldoende) gemotiveerd is betwist door [de vrouw]- dat de banken wèl bereid zullen zijn om een krediet aan Lorenti te verstrekken indien [de vrouw] als directeur en gevolmachtigde van Lorenti wordt geschorst.

5.4. Naar het oordeel van de rechter staat tegenover dit spoedeisende belang van [de man]/Lorenti geen in rechte te respecteren belang van [de vrouw] bij handhaving van haar positie als directeur en gevolmachtigde van Lorenti. [de vrouw] heeft gedurende langere periode niet meer daadwerkelijk als bestuurder en gevolmachtigde van Lorenti opgetreden. Ter zitting heeft zij bovendien erkend, dat het haar niet zozeer gaat om de zeggenschap in Lorenti maar om de zekerheid dat er verhaal mogelijk zal zijn voor een vordering die zij op Lorenti stelt te hebben vanwege achterstallig salaris. In dat kader heeft zij belang bij het voortbestaan van Lorenti. Zoals hiervoor sub 4 reeds is overwogen, heeft [de vrouw] ter zitting medegedeeld dat zij in hoger beroep niet zal opkomen tegen het vonnis van 8 januari 2003, voorzover daarin is geoordeeld dat de aandelen in Lorenti aan [de man] zullen worden toegedeeld. Het belang van [de vrouw] houdt dan ook niet méér in dan het belang van een willekeurige schuldeiser bij verhaalsmogelijkheden voor een (beweerde) vordering. Zoals iedere andere crediteur staan [de vrouw] andere middelen ter bewaring van haar rechten ten dienste, zoals beslaglegging.

Op grond van het voorgaande zal de (primair door [de man] ingestelde) vordering strekkende tot schorsing van [de vrouw] als directeur en gevolmachtigde van Lorenti dan ook worden toegewezen.

In reconventie:

6. Omdat aan de voorwaarde is voldaan waaronder onderdelen van de reconventionele vordering zijn ingesteld -te weten de voorwaarde dat de rechtbank zich in conventie bevoegd zal achten- wordt thans toegekomen aan een beoordeling van alle onderdelen van de reconventionele vordering.

7. [de vrouw] heeft een verbod voor [de man] gevorderd om handelingen te verrichten, welke leiden tot benadeling van Lorenti, althans kunnen leiden tot benadeling van Lorenti, alsmede een gebod om conform de wet, de statuten, het echtscheidingsconvenant en hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt te handelen.

De rechter zal de reconventionele vordering in zover afwijzen omdat deze te vaag en te weinig concreet is om voor toewijzing in aanmerking te komen.

8. Voorts heeft [de vrouw] gevorderd dat Lorenti en/of [de man] zal worden veroordeeld om aan [de vrouw] het haar toekomende achterstallige salaris en het haar thans toekomende salaris uit te betalen, zoals vermeld in de beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden, vermeerderd met de wettelijke rente en verhoging.

Ook deze vordering zal worden afgewezen. [de vrouw] heeft ter zitting desgevraagd medegedeeld dat zij niet kan aangeven hoe hoog het door haar gevorderde bedrag thans is omdat deze berekening erg ingewikkeld is. Ook deze vordering is dan ook te weinig concreet om voor toewijzing in aanmerking te komen.

In conventie en in reconventie:

9. [de vrouw] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

BESLISSING

De rechter, rechtdoende in kort geding:

In conventie:

1. schorst [de vrouw] met onmiddellijke ingang als directeur en gevolmachtigde van Lorenti Festiviteiten B.V. tot over de beëindiging van de bestuurspositie in een bodemprocedure is beslist;

2. beveelt de inschrijving in het Handelsregister te Leeuwarden van de sub 1 genoemde inschrijving;

3. veroordeelt [de vrouw] in de kosten van het geding, aan de zijde van [de man] begroot op 273,20 euro aan verschotten en op 705,00 euro aan salaris procureur;

4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

In reconventie:

5. wijst de vordering af;

6. veroordeelt [de vrouw] in de kosten van het geding, aan de zijde van [de man] en Lorenti begroot op 352,50 euro aan salaris procureur;

Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten, voorzieningenrechter, en in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2003.

fn 82