Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2003:AI0483

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
24-07-2003
Datum publicatie
28-07-2003
Zaaknummer
119554 /CV EXPL 02-2062
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht: loonvordering van werknemer grotendeels afgewezen, omdat werknemer eenzijdig zijn verplichting tot het verrichten van arbeid had opgeschort, onder weigering om in te gaan op voorstel van zijn werkgever strekkende tot wijziging van de inhoud van de functie van de werknemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector Kanton

Locatie Heerenveen

Uitspraak: 24 juli 2003

Zaak-/rolnummer: 119554 /CV EXPL 02 - 2062

VONNIS

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr R.A. Schütz,

tegen

De besloten vennootschap

ARRIVA TAXI B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Heerenveen,

gedaagde,

gemachtigde: mr A.J. Mendes Leon.

1. Procesverloop

Op de bij dagvaarding vermelde gronden heeft eisende partij, hierna te noemen [eiser], gevorderd om gedaagde partij, hierna te noemen Arriva Taxi, te veroordelen tot betaling van het netto equivalent van bruto euro€ 1.533,58 ter zake van achterstallig salaris over de maanden januari tot en met juni 2002, te verminderen met een bedrag van netto euro€ 441,47 en te vermeerderen met de wettelijke rente, vakantiegeld en 50% ter zake van wettelijke verhoging, een en ander zoals in de dagvaarding nader is aangegeven en met veroordeling van Arriva Taxi in de kosten.

Bij de dagvaarding werden producties overgelegd.

Arriva Taxi heeft onder overlegging van producties bij antwoord de vordering betwist. Na repliek (met producties),dupliek en een akte is vonnis bepaald op de stukken.

2. De overwegingen

a. De vaststaande feiten

Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast:

Na enige tijd voor de rechtsvoorgangster van Arriva Taxi te hebben gewerkt is [eiser] -geboren 1 juni 1948- op 1 maart 1997 als taxichauffeur, standplaats Ameland, bij Arriva Taxi in dienst getreden.

In verband met een reorganisatie heeft Arriva Taxi haar taxibedrijf op Ameland afgestoten waardoor de werkzaamheden van [eiser] op Ameland feitelijk kwamen te vervallen.

In het kader van deze reorganisatie is met de vakbonden FNV en CNV een Sociaal Plan overeengekomen.

Op 3 juli 2001 is [eiser] arbeidsongeschikt geworden. In oktober 2001, in ieder geval per 17 december 2001, werd hij weer voor 50% arbeidsgeschikt verklaard en -na een tijdelijke toename van zijn arbeidsongeschiktheid vanaf 23 januari- werd [eiser] vanaf 25 februari 2002 weer volledig hersteld geacht.

[eiser] heeft zich bereid verklaard om in Leeuwarden als taxichauffeur te gaan werken of zich te laten omscholen tot buschauffeur.

In augustus 2001 heeft Arriva Taxi aan [eiser] de functie van taxichauffeur te Leeuwarden aangeboden, een en ander met toepassing van de in het Sociaal Plan aangegeven reiskostenvergoeding voor de duur van 2 jaar en met de toezegging dat bij de planning van de werkzaamheden rekening zou worden gehouden met de dienstregeling van de boot. Arriva Taxi verklaarde zich niet bereid (een deel van) de reistijd te vergoeden.

Dit aanbod is bij brief van 28 november 2001 herhaald. Voor het geval dat [eiser] dit aanbod niet zou accepteren verklaarde Arriva Taxi zich bereid ten behoeve van [eiser] te bemiddelen bij de twee Amelander taxibedrijven CosiTax of A-Tax.

In zijn reactie op dit voorstel heeft [eiser] aangegeven wegens knieklachten geen volledige rijdiensten te kunnen verrichten, reden waarom hij op Ameland gedeeltelijk administratieve werkzaamheden zou hebben verricht.

Bij brief van 14 december 2001 heeft Arriva Taxi aangegeven dat een dergelijke combinatie van werkzaamheden in Leeuwarden niet mogelijk was, maar dat het wel tot de mogelijkheden behoorde [eiser] te belasten met "minimale rijdiensten in combinatie met het schoonmaken van wagens, het ophalen en wegbrengen van wagens en dergelijke hand- en spandiensten".

[eiser] heeft tegen dit voorstel bezwaar gemaakt, met name tegen de wijziging c.q. aanpassing van de werkzaamheden.

Met betrekking tot het aanbod in Leeuwarden als taxichauffeur aan de slag te gaan heeft [eiser] de voorwaarde gesteld dat hem een permanente reiskostenvergoeding zou worden verstrekt, een onkostenvergoeding voor noodzakelijke verblijfskosten alsmede dat hem een vergoeding van de reistijd wordt toegekend.

Arriva Taxi heeft haar standpunt gehandhaafd en heeft [eiser] opgedragen om op 17 december 2001 -later werd dat 24 december 2001- zijn werkzaamheden te Leeuwarden voor 50% aan te vangen.

Toen de kwestie omtrent het al of niet toekennen aan [eiser] van een permanente reis-, onkosten- en reistijdvergoeding tussen partijen in geschil bleef, heeft [eiser] in december 2001 aangekondigd deze vraag aan de Toetsingscommissie te zullen voorleggen. Zijn voorstel was de uitslag van deze procedure af te wachten "alvorens nadere stappen te ondernemen".

Met dit laatste is Arriva Taxi uitdrukkelijk niet accoord gegaan en zij heeft haar eis dat [eiser] op 24 december 2001 zijn werkzaamheden zou aanvangen gehandhaafd met aanzegging dat bij gebreke daarvan de loonbetalingen vanaf die datum zouden worden stopgezet.

Ondanks het feit dat [eiser] zijn werkzaamheden niet aanving, bleef Arriva Taxi hem zijn salaris betalen.

Bij brief van Maetis Arbo van 23 januari 2002 is Arriva Taxi meegedeeld dat [eiser] wederom voor 100% arbeidsongeschikt geacht werd. Met ingang van 25 februari 2002 was [eiser] echter volledig hersteld.

Naar aanleiding daarvan heeft Arriva Taxi [eiser] opgeroepen om op 27 februari, doch in ieder geval uiterlijk op 4 maart 2002, zijn werkzaamheden te Leeuwarden aan te vangen met de mededeling dat de dagen van 27 februari tot en met 3 maart 2002 als opgenomen vakantiedagen werden beschouwd.

Toen [eiser] op 4 maart 2002 niet op het werk verscheen heeft Arriva Taxi de salarisbetalingen aan hem stopgezet.

Op 24 april 2002 werd de procedure bij de Toetsingscommissie aanhangig gemaakt.

Bij beslissing van deze commissie van 7 juni 2002 heeft deze vastgesteld dat [eiser] zich terecht op de hardheidsclausule van artikel 13 van het Sociaal Plan heeft beroepen en voorts geadviseerd:

- Arriva Taxi vergoedt de bootkosten aan [eiser] op basis van eilandertarief en wel voor onbepaalde tijd.

- In geval van "aantoonbare calamiteiten" draagt Arriva Taxi zorg voor een overnachtingsmogelijkheid, waartoe partijen een duidelijke regeling dienen af te spreken.

- De reistijd van Arriva Taxi wordt gesteld op 4 uur per dag, waarvan 1,5 uur voor rekening van Arriva Taxi komt, in die zin dat deze tijd als werktijd geldt en als zodanig dient te worden uitbetaald. Ook deze regeling geldt voor onbepaalde tijd.

- De regeling ter zake van de reiskostenvergoeding dient volgens het bepaalde in het Sociaal Plan te worden uitgevoerd, dat wil zeggen f 0,60 per kilometer en wel voor een periode van 2 jaar.

- Het is wenselijk dat Arriva Taxi aan [eiser] de mogelijkheid biedt om zich tot buschauffeur te laten omscholen.

Hoewel Arriva Taxi [eiser] herhaaldelijk heeft gewezen op zijn verplichting om zijn werkzaamheden -te weten als taxichauffeur te Leeuwarden- eerder aan te vangen, is [eiser] hiertoe eerst op 1 juli 2002 overgegaan.

b. De grondslag van de vordering

[eiser] vordert thans betaling van het ingehouden salaris over de periode van 4 maart tot en met 30 juni 2002, alsmede enig salaris over de maand januari 2002, stellende dat voor opschorting van deze betalingsverplichting geen rechtvaardiging bestond nu hij zich niet aan werkweigering heeft schuldig gemaakt. Hij wijst er daarbij onder meer op dat de Toetsingscommissie hem grotendeels in het gelijk heeft gesteld.

c. Het verweer

Arriva Taxi voert tot verweer het navolgende aan:

Er is wel degelijk sprake geweest van werkweigering althans van verwijtbare afwezigheid van het werk. Het aanhangig maken van een procedure bij de Toetsingscommissie kan nooit aanleiding zijn om de werkzaamheden op te schorten of anderszins de belangrijkste verplichting van een werknemer -het verrichten van de bedongen werkzaamheden- niet na te komen.

Overigens verwijt Arriva Taxi [eiser] ook -zonder aanwijsbare noodzaak- veel te lang met het starten van de procedure voor de Toetsingscommissie te hebben gewacht.

Het enkele feit dat [eiser] gedeeltelijk gelijk heeft gekregen doet hier niet aan af, waarbij Arriva Taxi verwijst naar de inhoud van het Sociaal Plan en met name naar artikel 11.

Tenslotte wijst Arriva Taxi er nog op dat [eiser] ondanks uitdrukkelijk te zijn opgeroepen om per omgaande de werkzaamheden aan te vangen desondanks eerst op 1 juli 2002 op het werk is verschenen.

d. De beoordeling van het geschil

Vooropgesteld wordt dat -zoals [eiser] zelf ook stelt- zijnerzijds het voorstel is gedaan om in Leeuwarden als taxichauffeur werkzaamheden te verrichten.

Dit betekent dat ook [eiser] van mening was dat deze werkzaamheden in beginsel als passend dienden te worden aangemerkt.

Over enige beperking in verband met knieklachten heeft [eiser] in dat kader niet gesproken.

Arriva Taxi mocht er in deze omstandigheden dus in beginsel vanuit gaan dat terzake geen lichamelijke beperkingen bestonden en haar -op het voorstel/aanbod van [eiser] aansluitende- aanbod derhalve een logische en redelijke reactie was.

Het enige discussiepunt tussen partijen was op dat moment nog de vraag of en zoja in hoeverre [eiser] slechts recht had op de vergoedingsregeling zoals in het Sociaal Plan was aangegeven of dat zijn persoonlijke situatie tot een verdergaande vergoedingsregeling noopte.

Anders dan [eiser] kennelijk meent, rechtvaardigde deze kwestie op zichzelf genomen niet, dat [eiser] eigener beweging en tegen de uitdrukkelijke opdracht c.q. wens van Arriva Taxi in, eenzijdig de nakoming van zijn hoofdverplichting -het verrichten van arbeid- opschortte.

De stelling dat -nu er sprake was van reorganisatie binnen Arriva Taxi- álle gevolgen daarvan geheel en al voor rekening en risico van Arriva Taxi dienden te komen, kan in zijn algemeenheid, maar met name in de gegeven omstandigheden, niet als juist worden aanvaard.

Voorts is van belang dat in een geval als het onderhavige op een werknemer ook een zekere verplichting rust om actief mee te werken aan herplaatsing en/of functiewijziging. Het is beslist niet zo dat bij een reorganisatie alle inspanningen van één kant, namelijk van de werkgever, moeten komen en dat de werknemer zich tot een afwachtende houding kan beperken.

Niet onbelangrijk acht de kantonrechter voorts dat niet alle ten deze relevante omstandigheden in de risicosfeer van Arriva Taxi lagen. De onmogelijkheid voor [eiser] om bij Cosi-Tax te Ameland aan het werk te gaan ligt in [eiser]'s risicosfeer en de gevolgen daarvan kunnen beslist niet aan Arriva Taxi worden toegerekend.

Ook de klacht omtrent de eenzijdige wijziging van de functie-inhoud door Arriva Taxi vormde op zichzelf genomen geen rechtvaardiging de werkzaamheden op te schorten.

Nog afgezien van de vraag in hoeverre de gestelde lichamelijke beperking "erkend" was -in de stukken valt hierover niets te vinden-, ook overigens komt de mededeling de kantonrechter wat vreemd voor nu [eiser] -naar eigen zeggen- zélf met het voorstel is gekomen taxiwerkzaamheden te verrichten en niet gesteld of gebleken is dat hij daarbij lichamelijke beperkingen heeft aangegeven.

Voorts was van een wijziging van functie-inhoud in die zin dat [eiser] (hoofdzakelijk) schoonmaakwerkzaamheden diende te verrichten, geen sprake. Uit de stukken valt op te maken dat om een combinatie van werkzaamheden ging, teneinde eenzijdige belasting van de knieën te voorkomen.

Nadat [eiser] volledig hersteld was verklaard -derhalve na 25 februari 2002- bestond er geen redelijke belemmering meer om de werkzaamheden uit te voeren en uit dat oogpunt was de opdracht van Arriva Taxi redelijk.

Dit geldt te meer nu [eiser] het tussen partijen bestaande geschilpunt omtrent de vergoedingsregeling nog steeds niet aan de Toetsingscommissie had voorgelegd.

Zou men al van mening zijn dat de situatie rechtvaardigde dat de uitspraak van de Toetsingscommissie werd afgewacht, dan mocht van [eiser] in ieder geval verwacht worden dat hij die procedure met de nodige spoed aanhangig had gemaakt.

Wanneer dat begin januari 2002 was gebeurd dan had het advies medio februari 2002 bekend kunnen zijn, zodat na zijn volledig herstel niets het verrichten van de werkzaamheden meer in de weg had gestaan.

Hetgeen [eiser] als reden voor de vertraging heeft aangevoerd overtuigt allerminst, waarbij overigens ook opvalt dat deze redenen nimmer aan Arriva Taxi zijn meegedeeld, noch dat haar hulp is ingeroepen om de kwestie te bespoedigen.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de loonvordering, voor zover deze betrekking heeft op de periode vanaf 4 maart tot en met 30 juni 2002, aan [eiser] zal worden ontzegd.

Voor zover over de maand januari 2002 te weinig salaris aan [eiser] is uitbetaald, is dat deel van de vordering wél toewijsbaar, met dien verstande dat [eiser] aanspraak kan maken op uitbetaling van salaris ervan uitgaande dat hij gedurende een gedeelte van die maand 100% arbeidsongeschikt is geweest.

Het is de kantonrechter niet duidelijk om welk bedrag het hier precies gaat en partijen zullen haar hierover nader moeten informeren.

De kantonrechter kan zich echter voorstellen dat partijen deze kwestie alsnog in onderling overleg kunnen oplossen.

Ondanks het feit dat het in de rede zou liggen om [eiser] -als de meest in het ongelijk gestelde partij- in de proceskosten te veroordelen, bestaat er desondanks aanleiding om de kosten te compenseren.

Bij lezing van de stukken is het de kantonrechter namelijk opgevallen dat bij de (administratieve) behandeling van de onderhavige kwestie door Arriva Taxi enkele keren niet geheel juist werd gehandeld.

Zo blijkt uit de correspondentie dat in de zomer van 2001 intern bij Arriva Taxi sprake is geweest van enige miscommunicatie, terwijl er later -door toedoen van Arriva Taxi- onduidelijkheid is ontstaan omtrent de correcte uitbetaling en/of verrekening van salarisbedragen.

DE BESLISSING

De kantonrechter:

ontzegt aan [eiser] zijn vordering tot betaling aan [eiser] van salaris en vakantiegeld over de periode vanaf 4 maart tot en met 30 juni 2002;

bepaalt dat Arriva Taxi bij akte duidelijke stukken zal overleggen waaruit eenduidig kan blijken dat [eiser] over de maand januari 2002 al datgene aan salaris en uitkering heeft ontvangen dat hem toekomt;

verwijst de zaak hiervoor naar de rolzitting van donderdag 11 september 2003 voor akte producties aan de zijde van Arriva Taxi.

Aldus gewezen door mr. G.H. Varekamp-Vos, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juli 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.

c.128