Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2003:AI0477

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
24-07-2003
Datum publicatie
28-07-2003
Zaaknummer
109114 /CV EXPL 02-706
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht: artikel 7:681 BW: de kantonrechter te Heerenveen wijst vordering van werknemer, gegrond op kennelijke onredelijkheid van een gegeven ontslag, af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector Kanton

Locatie Heerenveen

Uitspraak: 24 juli 2003

Zaak-/rolnummer: 109114 /CV EXPL 02 - 706

VONNIS

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr J.F.E. Lunenberg,

tegen

De besloten vennootschap

GEBR. SMILDE BV B.V.,

gevestigd te Heerenveen,

gedaagde,

gemachtigde: mr E.W. Kingma.

1. Procesverloop

Op de bij dagvaarding vermelde gronden heeft eisende partij, hierna te noemen [eiser], gevorderd

1. voor recht te verklaren dat het aan hem verleende ontslag kennelijk onredelijk is

en

2. gedaagde, verder te noemen Gebr.Smilde BV, deswege te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van €euro 289.411,15, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, een en ander met veroordeling van Gebr.Smilde BV in de kosten van het geding.

Gebr.Smilde BV heeft bij antwoord de vordering, onder overlegging van producties, betwist. Partijen hebben gerepliceerd en gedupliceerd, waarna [eiser] nog een akte heeft genomen.

Bij tussenvonnis van 24 april 2003 werd een comparitie van partijen bepaald, welke op 11 juni 2003 in het bijzijn van partijen en hun gemachtigden heeft plaatsgevonden. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is gezonden.

Het vonnis is bepaald op heden.

2. De beoordeling van het geschil

[eiser] -geboren op 8 december 1945- is op 5 december 1964 bij Oosterenk in dienst getreden. Na het faillissement van dit bedrijf in 1978 kwam hij per 12 juni 1978 in dienst van Gebr.Smilde BV.

[eiser] vervulde aldaar laatstelijk de functie van bedrijfsleider en was als zodanig werkzaam in de smelterij van Gebr.Smilde BV te Kampen. Het laatstgenoten salaris bedroeg bruto f 10.324,- per 4 weken exclusief vakantiegeld.

Gebr.Smilde BV houdt zich bezig met het smelten van dierlijke vetten en is sterk afhankelijk van de aanvoer van dierlijk rauw vet. Aanvankelijk had zij veel vestigingen in binnen- en buitenland, maar in de loop der jaren heeft zij in verband met de slechte bedrijfsresultaten een aantal daarvan afgestoten danwel afgeslankt.

De laatste reorganisatieronde trof onder andere de vestigingen te Zoetermeer, Heerenveen, alsmede de locatie te Kampen.

Gebr. Smilde BV heeft voor de vestigingen in Heerenveen en Kampen ontslag aangevraagd voor drie, respectievelijk vijf, werknemers waaronder [eiser].

Per vestiging is een Sociaal Plan opgesteld met de inhoud waarvan de vakbonden FNV en CNV hebben ingestemd en ook de OR is met de inhoud van dit Plan accoord gegaan.

Dit plan hield -mocht herplaatsing niet mogelijk zijn- voor [eiser] het volgende in:

- aanvulling van de WW-uitkering tot 100% van het netto inkomen gedurende 6 maanden

- en gedurende de resterende suppletieperiode -in het geval van [eiser] 3,5 jaar ofwel 42 maanden- een aanvulling tot 90% van het netto inkomen.

Artikel 3.6 van het Sociaal Plan behelst een hardheidsclausule en [eiser] heeft in juni 2001 hierop ook een beroep gedaan. Dit beroep is echter na advies van de Begeleidingscommissie afgewezen op de grond dat de situatie van [eiser] in vergelijking met die van de andere, door ontslag getroffen, werknemers, niet uniek was.

Op 3 augustus 2001 heeft (de rechtsvoorgangster van) het CWI -na uitvoerig verweer van [eiser] en ampele onderbouwing door Gebr.Smilde BV- aan laatstgenoemde toestemming gegeven om de arbeidsovereenkomst met [eiser] te beëindigen, waarna Gebr.Smilde BV deze tegen 31 januari 2002 heeft opgezegd. [eiser] was op dat moment 56 jaar.

Als reden voor de beëindiging werden bedrijfseconomische omstandigheden aangevoerd -de malaise in de dierlijke vetten-branche als gevolg van de dioxine- en varkenspestcrises en in mindere mate de BSE- en MKZ-crises- alsmede het ontbreken van een andere passende functie voor [eiser].

Aan [eiser] is in 2000 gevraagd te solliciteren naar een vergelijkbare functie in de vestiging van Gebr. Smilde BV in Eindhoven. [eiser] is daarop echter niet ingegaan. Wel heeft hij gesolliciteerd op een vacature betreffende een vergelijkbare, althans passende, functie bij Romi te Vlaardingen, maar dit heeft niet tot indiensttreding van [eiser] aldaar geleid.

Tot zover de als erkend, dan wel niet of onvoldoende weersproken, vaststaande feiten.

[eiser] baseert zijn vorderingen op de stelling dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag en heeft daartoe -voor zover thans van belang- het navolgende aangevoerd:

a) De financiële situatie van Gebr. Smilde BV rechtvaardigt het ontslag van [eiser] niet. Uit een persbericht van 3 januari 2002 zou dat blijken. Er zou zelfs sprake zijn van een samengaan van Gebr. Smilde BV met de vetsmelterij Topvet te Kampen, welke samenwerking zou zijn gerealiseerd in het (oude) bedrijfsgebouw van Gebr. Smilde BV aldaar.

[eiser] zou alleen het veld hebben moeten ruimen daar hij te duur was.

b) Het Sociaal Plan mist toepassing aangezien het niet is afgesloten door voldoende representatieve partijen.

c) Naar [eiser] heeft begrepen is het Sociaal Plan in één of meer individuele gevallen buiten toepassing gebleven en werden met de betrokkene(n) gunstiger afspraken gemaakt.

d) Toepassing van het Sociaal Plan leidt in het geval van [eiser] -gezien zijn leeftijd en inkomen- tot een evident onbillijke uitkomst. Als 55-plusser zal het lastig zijn een nieuwe -salaristechnisch vergelijkbare- baan te vinden. Daarbij komt dat -als dit laatste al zou lukken- hij niet in staat zal zijn een VUT-voorziening op te bouwen. In ieder geval zal hij alsdan tot zijn 65e jaar moeten doorwerken in plaats van, zoals bij Gebr. Smilde BV het geval zou zijn geweest, op 62-jarige leeftijd via de prépensioenregeling met werken te kunnen stoppen.

e) Bij de bepaling van de vergoeding zoekt [eiser] aansluiting bij de kantonrechters-formule, met dien verstande dat hij meent dat zijn dienstjaren bij Oosterenk dienen te worden meegewogen en dat er aanleiding is voor toepassing van een correctiefactor 2. Zo rekenend komt [eiser] op een vergoeding van euro 289.411,-. Nu het Sociaal Plan uitkomt op euro € 55.000,- is het gegeven ontslag kennelijk onredelijk te achten.

Gebr. Smilde BV voert tot haar verweer het navolgende aan:

ad a)

Van een valse reden in de zin van artikel 7:681 BW is geen sprake. In het door [eiser] genoemde persbericht gaat het over Voedingsmiddelenconcern Kon. Smilde BV, die daarin inderdaad een resultaat- en omzetgroei bekend maakte.

Gebr. Smilde BV heeft er op gewezen dat in het zelfde bericht wordt gememoreerd dat de Unit Dierlijke Vetten, tot welke unit onder anderen Gebr. Smilde BV behoort, allerlei tegenslag heeft gehad.

Tenslotte meent Gebr. Smilde BV dat zij de bedrijfseconomische noodzaak in de CWI-procedure voldoende feitelijk heeft onderbouwd en zij wijst er op dat haar op die grond ook vergunning is verleend het dienstverband op te zeggen.

Overigens is van een overgang van onderneming door Topvet ook geen sprake. Topvet huurt de gebouwen van Gebr. Smilde BV in Kampen hetgeen in verband staat met een bepaald experiment (natte kanen).

ad b)

De vakbonden FNV en CNV zijn voldoende representatief. Het Sociaal Plan is qua faciliteiten -zoals het outplacementtraject- voldoende evenwichtig, hetgeen ook door de vakbonden en de OR is onderkend. [eiser] heeft overigens van de geboden faciliteiten gebruik gemaakt.

ad c)

Het Sociaal Plan gold voor alle medewerkers te Kampen.

ad d)

De situatie van de destijds 55-jarige [eiser] was ten opzichte van zijn Kampense collega's niet uniek, reden waarom het beroep op artikel 3.6 van het Sociaal Plan ook werd afgewezen.

Overigens werden door Gebr. Smilde BV tot twee keer toe, in 2000 en in 2001, banen aangeboden in Eindhoven, respectievelijk Vlaardingen, op welke aanbiedingen [eiser] beide keren niet is ingegaan.

Het enkele feit dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst verval van de VUT-garantieregeling tot gevolg heeft, maakt de gevolgen van het ontslag nog niet kennelijk onredelijk, waarbij moet worden bedacht dat [eiser] pas op 62-jarige leeftijd recht op VUT zou hebben gehad. Voorts blijven het prépensioen en de rechten daarop wél bestaan.

ad e)

Zo er al reden zou zijn om een vergoeding toe te kennen dan mogen de dienstjaren bij Oosterenk niet meetellen. Voorts wijst Gebr. Smilde BV er op dat [eiser] geen enkele onderbouwing heeft gegeven voor toepassing van correctiefactor 2.

Met betrekking tot het geschil wordt het navolgende overwogen:

ad a)

Nog afgezien van de vraag of het in het korte persberichtje van 3 januari 2002 wel over de Vetten(smelterij)divisie gaat, het enkele feit dat daarin in gunstige zin over de bedrijfsresultaten van het Smilde-concern wordt bericht vormt onvoldoende onderbouwing voor de stelling van [eiser] dat een reorganisatie in het algemeen en/of zijn ontslag in het bijzonder niet noodzakelijk was.

Overigens valt uit het berichtje hooguit te concluderen dat de Voedingsmiddelen-divisie positieve cijfers liet zien, hetgeen voor de Vetten(smelterij)divisie niet werd bevestigd.

Van een samengaan van Gebr. Smilde BV met Topvet, laat staan van een overname in de zin van artikel 7:662 e.v. BW, is niet gebleken.

De stelling van Gebr. Smilde BV dat het "natte kanen-experiment" is stopgezet en geen vervolg zal hebben en dat Topvet het betreffende bedrijfspand inmiddels heeft verlaten, is niet, althans onvoldoende, door [eiser] weerlegd.

Tenslotte rechtvaardigen de door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden niet de conclusie dat Gebr.Smilde BV in de CWI-procedure een valse -niet bestaande- reden of een voorgewende -d.w.z. een wél bestaande maar niet de werkelijke- ontslagreden aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd.

Aan een bewijsopdracht ten laste van [eiser] komt de kantonrechter dan ook niet toe.

ad b)

Vooropgesteld wordt dat de vakbonden FNV en CNV zoniet tot de grootste dan toch tot de grotere vakverenigingen behoren. Daarmee kan in beginsel van hun representativiteit worden uitgegaan.

Overigens dient voor een antwoord op de vraag of FNV en CNV in het onderhavige geval als voldoende representatief waren te beschouwen niet slechts gekeken te worden naar de vestiging Kampen. Het ging immers -[eiser] heeft dit niet weersproken- om een zogenaamd "deelplan" dat grotendeels, althans in hoofdlijnen, overeenkwam met de sociale plannen die bij andere vestigingen waren toegepast en slechts -voor zover dat gezien de specifieke plaatselijke situatie nodig was- was toegesneden op de situatie te Kampen, en in zoverre van het "raammodel" afweek.

ad c)

Niet is komen vast te staan dat ten gunste van andere -met [eiser] vergelijkbare- werknemers van het Sociaal Plan is afgeweken.

Dit acht de kantonrechter overigens ook niet aannemelijk aangezien -zou de stelling van [eiser] juist zijn geweest- de Begeleidingscommissie in dat geval in het kader van de beroepsprocedure wel in het voordeel van [eiser] zou hebben beslist, nu één van haar taken toch was ervoor te waken dat gelijke gevallen gelijk werden behandeld.

ad d)

Hoewel op zich juist is dat [eiser] ten tijde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst zijn VUT-rechten heeft verspeeld en hij gezien zijn leeftijd niet in staat zal zijn om deze rechten elders "in te verdienen", leidt deze omstandigheid niet onontkoombaar tot de conclusie dat reeds daarom sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag.

Van belang acht de kantonrechter dat een, door FNV, CNV en OR goedgekeurd, Sociaal Plan van toepassing is dat -ook de situatie van [eiser] in aanmerking nemende- evenwichtig van opzet is en waarin bij de suppletieregeling voldoende rekening is gehouden met objectieve factoren als leeftijd, lengte van het dienstverband en dergelijke.

In ieder geval kan niet worden geconcludeerd dat -de belangen van Gebr.Smilde BV bij sluiting van de vestiging te Kampen in aanmerking nemende- de belangen van [eiser] door de beëindiging van de arbeidsovereenkomst dermate onevenredig zwaar worden getroffen, dat zonder het treffen van nadere voorzieningen ten gunste van [eiser] sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag.

ad e)

Vooropgesteld wordt dat het enkele feit dat voor [eiser] geen -met een ontbindingsvergoeding te vergelijken- financiële voorziening is getroffen, het ontslag nog niet kennelijk onredelijk maakt.

Voor zover [eiser] zich hierop heeft willen beroepen, kan dit beroep niet worden gehonoreerd.

Voor het overige komt de kantonrechter -nu geen kennelijke onredelijkheid wordt aangenomen- niet aan een beoordeling van de gevorderde vergoeding toe.

Al het vorenstaande betekent dat de vorderingen van [eiser] aan hem moeten worden ontzegd.

[eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van deze procedure worden verwezen.

DE BESLISSING

De kantonrechter:

ontzegt aan [eiser] zijn vorderingen;

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Gebr.Smilde BV begroot op euro€ 2.175,- wegens salaris;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. G.H. Varekamp-Vos, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juli 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.

c.128