Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2003:AH8847

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
26-06-2003
Datum publicatie
01-07-2003
Zaaknummer
17/081041-03vev
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld wegens het vervoer van en handel in drugs, illegaal wapenbezit en het plegen van uitkeringsfraude door (onder meer) de inkomsten uit deze en andere handel niet te vermelden op zogeheten werkbriefjes. De raadsman heeft naar voren gebracht dat het vervoer van drugs niet bewezen kan worden omdat een telefonische mededeling van een medewerker van het NFI neergelegd in een proces-verbaal niet tot bewijs kan dienen nu hem een controlemogelijkheid ontbreekt. De rechtbank verwerpt dat verweer en legt een gevangenisstraf van drie jaren op. Daarnaast wordt een eerder voorwaardelijk opgelegde straf tenuitvoergelegd.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Wetboek van Strafrecht 225
Wetboek van Strafrecht 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector strafrecht

VERKORT VONNIS

Uitspraak: 26 juni 2003

Parketnummer: 17/081041-03

Vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 17/080062-00.

VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in PI Noord, gevangenis De Grittenborgh te Hoogeveen.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 12 juni 2003.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. van der Meer, advocaat te Leeuwarden.

TELASTELEGGING

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

PARTIËLE VRIJSPRAAK

De verdachte moet van het onder 3 telastegelegde worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet bewezen acht.

BERAADSLAGING

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat de telefonische mededeling van een medewerker van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), neergelegd in een door een verbalisant ambtsedig opgemaakt proces-verbaal, niet als bewijs gebezigd kan worden met betrekking tot het identificeren van de aangetroffen en onder 1 telastegelegde 100 gram cocaïne. Gelet op het vorenstaande ontbreekt het de verdediging aan een controlemogelijkheid waardoor het bewijsmiddel niet als zodanig gebruikt kan worden zodat er onvoldoende bewijs resteert en vrijspraak dient te volgen.

De rechtbank is van oordeel dat bovenstaand verweer dient te worden verworpen. De raadsman doet expliciet een beroep op de betrouwbaarheid van het bewijsmiddel. De raadsman heeft geen redenen aangevoerd op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de juistheid van het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal en zulke redenen zijn de rechtbank ook niet ambtshalve gebleken. Mede gelet op de uitslag van de Narcotest acht de rechtbank voormeld proces-verbaal voldoende redengevend voor het bewijs van het onder 1. telastegelegde.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht het onder 1, 2, 4 en 5 telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 12 maart 2003 te of bij Joure, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervoerd, ongeveer 100 gram van een materiaal bevattende cocaïne en ongeveer 39 gram van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijnde cocaïne en amfetamine (speed) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2.

hij in de periode van 1 mei 2000 tot en met 11 maart 2003 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en hoeveelheden van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethylMDA te weten een aantal zogeheten XTC-pillen, zijnde cocaïne en amfetamine en MDA en MDMA en N-ethylMDA, middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

4.

hij in de periode van 1 augustus 2000 tot en met 12 maart 2003 te Sneek, meermalen, een geschrift -een zogeheten Werkbriefje Werkloosheidswet (WW)- door middel waarvan schriftelijke opgave werd gedaan van gegevens welke noodzakelijk waren voor de beoordeling van het recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet en het bedrag van die uitkering over het tijdvak waarop die opgave betrekking had, welk geschrift telkens bestemd was om tot bewijs van de daarin vermelde feiten te dienen, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken, valselijk heeft opgemaakt door in voornoemde periode, telkens met voormeld oogmerk, valselijk en in strijd met de waarheid de in dat geschrift voorkomende vraag, te weten (zakelijk weergegeven) of in de perioden waarop die opgave betrekking had verdachte (onder meer in dienstverband en/of als zelfstandige) had gewerkt of loon had ontvangen, ontkennend heeft beantwoord, zulks terwijl in de perioden waarop die opgave telkens betrekking had verdachte

- werkzaamheden heeft verricht met betrekking tot de handel in kristal en kleding en inkomsten heeft genoten uit die handel,

- werkzaamheden heeft verricht met betrekking tot de handel in verdovende middelen en inkomsten heeft genoten uit die handel,

- portiers- en beveiligingswerkzaamheden heeft verricht bij/voor horeca- en winkelgelegenheden en inkomsten heeft genoten uit die door hem verrichte werkzaamheden, en door met voormeld oogmerk, door ondertekening van dat geschrift, in strijd met de waarheid te verklaren (zakelijk weergegeven) alle op dat geschrift voorkomende gegevens naar waarheid te hebben ingevuld en niets te hebben verzwegen.

5.

hij in de periode van 1 november 2002 tot en met 12 maart 2003 te Sneek, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, te weten een omgebouwd gaspistool (merk Tanfoglio, type GT-28, kaliber 6.35 mm scherp), en munitie van categorie III, te weten een aantal bij genoemd gaspistool behorende patronen (merk PMP, kaliber 6.35 mm), voorhanden heeft gehad.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

KWALIFICATIE

Het bewezene levert op, de misdrijven:

1.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

2.

ten aanzien van het bewezenverklaarde verkopen en afleveren:

De voortgezette handeling van het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

ten aanzien van het bewezenverklaarde verstrekken en vervoeren:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

4.

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

5.

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

STRAFMOTIVERING

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister;

- de gedane erkenning van de verdachte zich nog aan de overige op de dagvaarding genoemde ad informandum gevoegde strafbare feiten te hebben schuldig gemaakt, welke zaken derhalve hiermee zijn afgedaan;

- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte terzake het onder 1, 2, 4 en 5 telastegelegde tot een gevangenisstraf van drie jaren onvoorwaardelijk met aftrek van voorarrest.

Verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan de handel in verdovende middelen, waarvan hij in beperkte mate ook gebruiker was. Het enkele 'geld verdienen' was zijn motief. Door zo te handelen heeft hij een circuit van gebruikers en subdealers in stand gehouden. Een circuit overigens waarbinnen verdachte de hoofdrol vervulde. Bovenbedoelde middelen zijn, naar algemeen bekend is, schadelijk voor de volksgezondheid en op individueel gebruikersniveau leidt het gebruik in veel gevallen tot schade en overlast voor anderen.

Binnen dit bestaan heeft verdachte zich bovendien schuldig gemaakt aan sociale fraude en zodoende de samenleving schade berokkend. Daarnaast was er sprake van verboden wapenbezit, passend bij en ondersteunend aan het 'macho-imago'. De rechtbank acht, alles overwegend en rekening houdend met de over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapportage, de hierna te melden straf passend.

VORDERING NA VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 1 mei 2001, gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Leeuwarden, is de verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 16 mei 2001. Bij vordering d.d. 27 mei 2003 heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

De hiervoor onder 1, 2, 4 en 5 bewezenverklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd. De rechtbank zal op grond daarvan de tenuitvoerlegging gelasten van de aan verdachte bij voornoemd vonnis van 1 mei 2001 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14g, 47, 56, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 (oud) en 10 (oud) van de Opiumwet alsmede de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT

RECHTDOENDE:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 is telastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het 1, 2, 4 en 5 telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

17/080062-00:

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, voorzover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank te Leeuwarden d.d. 1 mei 2001, te weten: zes maanden gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Kuizenga, voorzitter, mr. K. Post en mr. J.B.J. van der Leij, rechters, bijgestaan door mr. S.H.C. Nijs, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 juni 2003.

Mr. Van der Leij is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Rechtbank Leeuwarden

Sector strafrecht

VERKORT PROCES-VERBAAL TERECHTZITTING

Parketnummer: 17/081041-03

Vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 17/080062-00.

Ontnemingsvordering parketnummer 17/081041-03.

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 12 juni 2003.

Tegenwoordig:

mr. B. Kuizenga, voorzitter,

mr. K. Post en mr. J.B.J. van der Leij, rechters,

mr. G.R.C. Veurink, officier van justitie en

mr. S.H.C. Nijs, griffier.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in PI Noord, gevangenis De Grittenborgh te Hoogeveen.

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. E. van der Meer, advocaat te Leeuwarden.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaats vinden ter terechtzitting van 26 juni 2003 te 13:30 uur.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.