Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2003:AF9102

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
21-05-2003
Datum publicatie
28-05-2003
Zaaknummer
54124 HA ZA 02-623
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJK 2003, 67
O&A 2003, p. 199 (nr.2)

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector civiel recht

afdeling handelsrecht

Uitspraak: 21 mei 2003

Zaak-/rolnummer: 54124 / HA ZA 02-623

VONNIS

van de enkelvoudige handelskamer in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres sub 1]

2. [eiser sub 2],

3. [eiser sub 3],

4. [eiser sub 4],

5. de vennootschap onder firma [eiseres sub 5],

6. [eiser sub 6],

7. [eiser sub 7],

8. [eiser sub 8],

9. [eiser sub 9],

10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres sub 10],

11. [eiser sub 11],

12. de vennootschap onder firma [eiseres sub 12],

13. [eiseres sub 13],

14. [eiser sub 14],

15. de vennootschap onder firma [eiseressub 15],

16. [eiser sub 16],

17. [eiseres sub 17],

18. de vennootschap onder firma [eiseres sub 18],

19. [eiseres sub 19],

20. [eiser sub 20],

allen wonende en/of gevestigd te Heerenveen,

eisers,

procureur: mr. H.N.M.M. van Wilgenburg,

advocaat: mr. S. Levelt

tegen

de publieke rechtspersoon DE GEMEENTE HEERENVEEN,

zetelend te Heerenveen,

gedaagde,

hierna te noemen de gemeente,

procureur: mr. V.M.J. Both,

advocaat: mr. R. Samkalden.

PROCESGANG

Bij incidenteel vonnis van 19 maart 2003 is de hoofdzaak naar de rolzitting verwezen voor conclusie/doorhalen/pleidooi/voortprocederen, waarop partijen opnieuw vonnis hebben gevraagd. De rechtbank wijst vonnis op het griffiedossier, waarvan de inhoud als hier herhaald moet gelden.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. De rechtbank neemt hier over hetgeen bij voormeld tussenvonnis in de hoofdzaak is overwogen en beslist.

Feiten

2.0. Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, mede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de producties, staat tussen partijen in deze procedure het volgende vast.

2.1. In 1964 heeft de Raad van de gemeente Heerenveen (hierna: de Raad) bij besluit van 20 juli van dat jaar besloten de naam van het deel van het dorp Oudeschoot, deeluitmakend van Heerenveen, dat ten westen van de rijksweg is gelegen, te wijzigen in Heerenveen. Reeds sinds de jaren tachtig heeft een belangengroepering met de naam Plaatselijk Belang Oudeschoot (hierna: Plaatselijk Belang) pogingen gedaan de Raad ertoe te bewegen die wijziging ongedaan te maken. Zo heeft zij in 1986 een enquête georganiseerd, waarvan de uitkomsten destijds echter voor een commissie van de Raad geen aanleiding vormden verandering in de naamgeving te bewerkstelligen.

2.2. De lobby van Plaatselijk Belang heeft onder meer een verder vervolg gekregen in 1995, nadat een aantal inwoners van het betreffende gebied een nieuwe enquête had gehouden en zij de resultaten daarvan onder aandacht van het gemeentebestuur bracht. Die resultaten leidden er vervolgens toe dat de Raad wilde overwegen medewerking aan een naamswijziging te verlenen.

2.3. Bij besluit van 6 maart 2000 heeft de Raad besloten tot een grenscorrectie tussen Heerenveen-Zuid en Oudeschoot c.q. de wijziging van de dorpsnaam Heerenveen-Zuid in Oudeschoot voor het gebied tussen A32 en de nieuwe grens, nadat vanwege financiële redenen eerst in de begroting van 2000 een bedrag werd gereserveerd, ten laste waarvan de eenmalige kosten zouden kunnen worden gebracht die met de wijziging gepaard gaan.

Een deel van het gebied ten westen van de rijksweg A32, namelijk waar een woonbestemming overheerst, heeft door het besluit van de Raad zijn oorspronkelijke naam terug gekregen. Het andere deel van het vroegere Oudeschoot ten westen van de rijksweg A32 blijft omwille en op dringend verzoek van ter plaatse gevestigde bedrijven bij Heerenveen(-Zuid) behoren.

2.4. Tegen laatstgenoemd besluit van de Raad heeft onder meer een deels met eisers overeenkomende groep van belanghebbenden op 26 april 2000 bezwaar gemaakt.

Aanvankelijk werden bij besluit van 8 januari 2001 de ingediende bezwaarschriften ongegrond verklaard, maar bij besluit van 3 juni 2002 heeft de Raad besloten om de ingediende bezwaarschriften alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. De Raad besloot daarbij tevens de inwerkingtreding van de dorpsgrenswijziging te laten plaatsvinden per 1 juli 2003. 2.5. Deze rechtbank (sector bestuursrecht) heeft laatstgenoemd besluit bij uitspraak van 25 juni 2002 in stand gelaten, oordelend dat "het besluit tot het geven van een bepaalde naam aan een dorp, noch een besluit tot wijziging ervan, een vaststelling of wijziging van rechten en verplichtingen inhoudt van de bewoners van dat dorp of van anderen". (Rb Leeuwarden 25 juni 2002, reg.nr. 01/191 GEMWT)

De standpunten van partijen

3.1. Eisers baseren hun vordering op voormelde feiten en stellen dat zij als gevolg van de (voorgenomen) naamswijziging aanzienlijke financiële schade leiden. Zo moeten zij hun adres wijzigen op hun briefpapier, auto's, visitekaartjes, software, reclameborden en advertenties etc.. Voorts stellen zij dat zij aanzienlijke kosten moeten maken voor adreswijzigingen en een gewijzigde vermelding in de diverse (telefoon)gidsen. Eisers wijzen op de mindere naamsbekendheid van Oudeschoot ten opzichte van Heerenveen, waardoor minder bezoekers respectievelijk klanten hen zullen weten te vinden. Door de voorgenomen naamswijziging zal daarom hun economische- en concurrentiepositie worden verzwakt. Bovendien zal de naamswijziging een vermindering van de waarde van hun onroerend goed tot gevolg (kunnen) hebben.

3.2. Volgens eisers heeft de gemeente geen enkel redelijk belang bij de voorgenomen naamswijziging en zijn de motieven die tot dit voornemen hebben geleid niet deugdelijk en niet houdbaar. Zo doet de naamswijziging geen recht aan de historische situatie nu de naamswijziging van 1964 slechts voor een gedeelte van het gebied ongedaan wordt gemaakt. Waar de Raad heeft gekozen voor het bewonersbelang, gaat zij er aan voorbij dat in het betrokken gebied niet alleen wordt gewoond en dat lang niet alle bewoners voor de naamswijziging zijn. Verder achten eisers de handelwijze om het gebied waarbinnen zij zijn gevestigd wèl in de naamswijziging te betrekken, terwijl de grotere bedrijven worden ontzien en wèl tot Heerenveen-Zuid mogen blijven behoren, in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Ten onrechte heeft de gemeente de belangen van de grotere bedrijven laten prevaleren en aan de belangen van eisers geen, althans onvoldoende betekenis toegekend en worden zij onevenredig zwaar getroffen. Volgens eisers zal de gemeente daarom jegens hen onrechtmatig handelen indien de naamswijziging wordt doorgevoerd.

3.3. Subsidiair stellen eisers zich op het standpunt dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld daar ter compensatie van hun onevenredige schade als gevolg van de naamswijziging geen regeling is getroffen op basis van het rechtsbeginsel "egalité devant les charges publiques".

4.1. De gemeente heeft het gevorderde gemotiveerd betwist. Zij betwist dat er sprake is van onrechtmatig handelen aan haar zijde en dat eisers schade lijden. Indien er al schade wordt veroorzaakt door de naamswijziging behoort die tot het normale bedrijfsrisico van eisers en moet deze voor hun eigen rekening blijven. De gemeente wijst in dit verband op de lange termijn die aanwezig is geweest tussen de besluitvorming en de daadwerkelijke inwerkingtreding van de grenswijziging. Naar het oordeel van de gemeente zijn er voldoende "natuurlijke" momenten geweest waarop adreswijzigingen en dergelijke bekend konden worden gemaakt en konden eisers bij het doen van nieuwe bestellingen van materialen, waarop hun adres vermeld staat, ook rekening houden met de nieuwe (dorps)naam. Ook betwist de gemeente dat er sprake is van schade die verband houdt met de mindere naamsbekendheid van Oudeschoot.

4.2. Volgens de gemeente is de Raad zich bewust geweest van alle bij het genomen besluit betrokken belangen en heeft zij die afgewogen. Volgens de gemeente is er geen sprake van strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel en heeft de Raad in redelijkheid mogen beslissen tot de wijziging van de dorpsgrens.

4.3. Met betrekking tot het subsidiaire standpunt van eisers stelt de gemeente dat de eventuele schade van eisers niet voor vergoeding in aanmerking komt op basis van het beginsel "egalité devant les charges publiques", nu het de gemeente vrij stond om de beslissing tot naamswijziging te nemen, ook al zou deze (de gestelde) negatieve effecten voor ondernemers hebben, mits zij de belangen van de ondernemers bij de besluitvorming mee heeft laten wegen. Volgens de gemeente zou zij eerst tot enige vorm van compensatie zijn gehouden, indien zij een grote groep bedrijven zou benadelen en daarbij een beperkte groep in het bijzonder hard zou treffen. Die situatie doet zich thans niet voor.

Beoordeling van het geschil

5. De rechtbank merkt in de eerste plaats op dat eisers niet eenduidig zijn in de door hen ingenomen standpunten. In het hiervoor verwoorde standpunt van eisers, zoals zij dat bij dagvaarding hebben ingenomen, baseren zij hun vorderingen op de stelling dat de uitvoering van de besluiten van de Raad van 6 maart 2000 respectievelijk 3 juni 2002 jegens hen onrechtmatig is, terwijl zij bij repliek hebben gesteld dat het besluit tot naamswijziging van 6 maart 2000 onrechtmatig is, nu dat besluit niet is gebaseerd op een evenredige en zorgvuldige belangenafweging, niet deugdelijk is gemotiveerd en in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Dit onderscheid is niet zonder belang, nu immers een rechtmatig (genomen) overheidsbesluit onder omstandigheden naar zijn gevolgen voor individuele of groepen burgers onrechtmatig kan uitpakken. De rechtbank zal daarop later verder ingaan. Volledigheidshalve zal de rechtbank beide facetten van de stellingname van eisers bespreken.

6. Waar de argumenten van eisers primair de rechtmatigheid van het door de Raad genomen besluit tot naamswijziging lijken aan te vechten, kan men zich afvragen of de rechtmatigheid van het genomen besluit in het licht van de gevraagde verklaring voor recht en het verbod om de naamswijziging ten uitvoer te leggen voor de onderhavige procedure van belang is. De vorderingen van eisers zien immers niet op het genomen hebben van het besluit van de Raad als zodanig, maar op het door de gemeente c.q. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente uitvoering geven aan het genomen besluit, door de naamswijziging per 1 juli aanstaande van kracht te doen zijn. De rechtbank zal daarom op grond van de inhoud van de vorderingen vooral hebben te onderzoeken in hoeverre de uitvoering van het genomen raadsbesluit onrechtmatig is of kan zijn jegens eisers.

7. In het verlengde van voorgaande overweging overweegt de rechtbank dat zij (via de sector bestuursrecht) bij uitspraak van 25 juni 2002 heeft beslist dat het geven van een bepaalde naam aan een dorp, noch een besluit tot wijziging ervan, een vaststelling of wijziging van rechten en verplichtingen inhoudt van de bewoners van dat dorp of van anderen, en dat tegen een dergelijk besluit geen bezwaarschrift kan worden ingediend omdat zulk een besluit niet op rechtsgevolg is gericht. Niet is gesteld of gebleken dat eisers beroep hebben ingesteld tegen dit oordeel, zodat de rechtbank aanneemt dat deze beslissing inmiddels onherroepelijk is. Uit genoemde uitspraak volgt dat de bezwaar- en beroepsprocedure krachtens de Algemene Wet Bestuursrecht niet kan worden gevolgd door belanghebbenden en dat zij zijn aangewezen op de civiele rechter indien zij een besluit als het onderhavige of de gevolgen daarvan willen aanvechten.

8. Nu krachtens voormelde (onherroepelijke) uitspraak tevens vast staat dat het besluit van de Raad van 6 maart 2000 geen vaststelling of wijziging van rechten en verplichtingen inhoudt van de bewoners van het dorp of van anderen en derhalve niet is gericht op rechtsgevolgen, kan een dergelijk besluit krachtens het bepaalde in artikel 6: 162 BW naar zijn aard niet onrechtmatig zijn jegens eisers op de grond dat het besluit een inbreuk maakt op hun rechten.

Voor zover eisers bij repliek de grondslag van hun vordering hebben gewijzigd door te betogen dat het genomen raadsbesluit van 6 maart 2000 zelf onrechtmatig is omdat het niet is gebaseerd op een evenredige en zorgvuldige belangenafweging, niet deugdelijk is gemotiveerd en in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, is de rechtbank van oordeel dat het in beginsel niet op haar weg ligt om de belangenafweging van de Raad aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen. De Raad heeft immers als democratisch gelegitimeerd orgaan bij de gebruikmaking van haar bevoegdheden een aanmerkelijke beleidsvrijheid. Slechts wanneer er sprake is van een evident onrechtmatig genomen besluit, dient de rechter in te grijpen. Waar het tot de bevoegdheden van de Raad behoort om te besluiten over de naam van (een deel van) een binnen de gemeentegrenzen gelegen dorps(gebied), kan het besluit geen strijdigheid opleveren met een wettelijke plicht van de Raad als bedoeld in artikel 6: 162 BW.

9. Als gevolgtrekking van de voorgaande overwegingen, stelt de rechtbank thans vast dat zij de stellingname van eisers dat het door de Raad op 6 maart 2000 genomen besluit jegens hen onrechtmatig is, slechts kan beoordelen in het licht van de maatschappelijke betamelijkheid als bedoeld in artikel 6: 162 BW. Daarbij kan de rechtbank vooralsnog buiten beschouwing laten of er sprake is van (voldoende) causaal verband met de gestelde schade, of die schade aan de gemeente valt toe te rekenen en of er wordt voldaan aan het relativiteitsvereiste om een eventuele schadevergoedingsverplichting aanwezig te achten. De vorderingen van eisers strekken immers niet tot vergoeding van de gestelde schade.

10. Van een strijdigheid van het genomen raadsbesluit met datgene wat maatschappelijk betamelijk is, is hier naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het besluit tot naamswijziging als zodanig brengt immers - zoals reeds meermalen is gezegd - geen wijziging in de rechten en plichten van eisers teweeg en ook anderen dan eisers worden niet in hun rechten of plichten getroffen. Maar ook verder is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van enige onrechtmatigheid jegens eisers, voor zover dit het genomen raadsbesluit zelf betreft. De stelling van eisers dat de gemeente jegens hen onrechtmatig handelt nu er niet aan hun wens tegemoet is gekomen, terwijl dat voor een aantal andere bedrijven wel het geval is, nu dat deel van het historische Oudeschoot waar die bedrijven zijn gevestigd wèl Heerenveen-Zuid mag blijven, ziet op de belangenafweging door de Raad zelf. Die belangenafweging en de daarop gebaseerde besluitvorming behoort - zoals reeds is vermeld - tot de bevoegdheid van de Raad en staat naar het oordeel van de rechtbank niet ter discussie. Blijkens het betreffende raadsbesluit heeft de Raad de belangen van de bedrijven - en dus ook de bedrijven van eisers - bij haar besluitvorming meegewogen. Ook overigens ziet de rechtbank niet op welke wijze er door de gemeente onrechtmatig zou worden gehandeld jegens eisers door het nemen van het door hen gewraakte besluit van de Raad.

11. De rechtbank zal zich daarom verder beperken tot het onderzoeken van de juistheid van de stellingen van partijen in relatie tot de uitvoering van het besluit van de Raad van 6 maart 2000 respectievelijk de invoering van de naamswijziging per 1 juli 2003 overeenkomstig het besluit van de Raad van 3 juni 2002. Waar eisers aanvoeren dat de uitvoering van het raadsbesluit jegens hen onrechtmatig is enkel omdat bij het nemen van dat besluit onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen ten opzichte van andere belangen, dan is de rechtbank van oordeel dat die stelling elke rechtsgrond ontbeert. Zoals reeds overwogen heeft de Raad de belangen van eisers in haar besluitvorming meegewogen. Ook al is de uitkomst van die belangenafweging eisers niet welgevallig, dan brengt dat niet met zich mee dat het besluit van de Raad daarom onrechtmatig is. De rechtbank gaat er mitsdien van uit dat er in casu sprake is van een rechtmatig overheidsbesluit en dat slechts ter beoordeling staat of de uitvoering van dat besluit, bestaande uit de invoering van de naam Oudeschoot voor dat deel van Heerenveen(-Zuid) waar eisers wonen of werkzaam zijn, onrechtmatig is of kan zijn voor eisers.

12. Waar eisers zich beroepen op strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel indien het raadsbesluit wordt uitgevoerd, is ook dat beroep - gelet op de motivering ervan - feitelijk gericht tegen de besluitvorming als zodanig. Zoals gezegd behoeft de rechtbank zich daarover in het kader van deze procedure niet nader uit te laten. Waar het de uitvoering van het raadsbesluit betreft kan er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn van enige strijdigheid met het door eisers genoemde gelijkheidsbeginsel. Er is immers binnen het gebied dat van naam wijzigt geen sprake van ongelijke situaties. De naamswijziging geldt voor alle inwoners en bedrijven die binnen het betreffende gebied wonen en/of werken, dan wel gevestigd zijn. Alleen in het deel van Heerenveen-Zuid waar eisers wonen of zijn gevestigd, wordt de naam gewijzigd. Dat buiten dat gebied aan de westkant van de rijksweg A32 ook nog een deel van historisch Oudeschoot ligt dat niet zijn oude naam terugkrijgt, regardeert eisers niet. Onweersproken is dat het gebied waar eisers wonen en /of werken, dan wel zijn gevestigd, voornamelijk een woonbestemming heeft, terwijl dat niet het geval is voor het gebied dat Heerenveen-Zuid mag blijven heten. Ook is onbetwist dat het niet mogelijk is gebleken aan de wensen van eisers tegemoet te komen zonder het hele gebied waar de naamswijziging zal plaatsvinden daarin te betrekken. Waar de Raad het maatschappelijk belang heeft laten prevaleren boven het belang van eisers, met name door uit een historisch oogpunt aan de wensen van (veel van) de bewoners van het betreffende gebied tegemoet te komen, levert dat naar het oordeel van de rechtbank geen strijdigheid op met het gelijkheidsbeginsel waar eisers zich op beroepen. De belangen van eisers hebben moeten wijken voor die van de (overige) inwoners van het betreffende gebied, terwijl in het gebied dat deel mag blijven uitmaken van Heerenveen(-Zuid) geen bewoners hebben aangedrongen op naamswijziging. Overigens wijst de rechtbank er op dat niet van alle eisers volkomen duidelijk is in welke hoedanigheid zij tegen de gemeente ageren. Waar eisers evenwel hebben aangevoerd dat de voorgenomen naamswijziging per 1 juli 2003 hen in hun zakelijke belangen schaadt, neemt de rechtbank aan dat die stelling ook geldt voor die eisers, die zich als natuurlijk persoon onder eisers hebben geschaard.

13. Daarbij komt dat de rechtbank niet inziet op welke wijze de door eisers gestelde schade er niet zou zijn of minder zou zijn indien de Raad zou hebben besloten ook dát deel van historisch Oudeschoot zijn oorspronkelijke naam terug te geven dat nu de naam Heerenveen mag houden. De gestelde ongelijkheid heeft mitsdien geen enkele relatie met de (hoogte van de) schade, terwijl zulks door eisers wel is gesteld. Eisers hebben immers aangevoerd dat hun schade (mede) het gevolg is van het onrechtmatig handelen van de gemeente, bestaande uit het feit dat de naamswijziging strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank concludeert daaruit dan ook dat de gestelde schade niet zozeer het gevolg is van de gestelde strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel, maar van de invoering van de naamswijziging als zodanig.

14. De rechtbank komt tot de conclusie dat slechts door de invoering van de gewijzigde naam er mogelijk schade kan worden geleden door eisers en niet door het nemen van het Raadsbesluit van 6 maart 2000. Het ligt dan ook in de rede slechts te beoordelen in hoeverre de gemeente de (eventuele) schade van eisers had of zou moeten beperken door compensatie aan te bieden en / of het ontbreken van een dergelijke nadeelscompensatie onrechtmatig is jegens eisers, zulks in relatie tot het besluit van de Raad van 3 juni 2002 om de naamswijziging per 1 juli 2003 daadwerkelijk in te doen gaan.

15. De rechtbank overweegt daartoe in de eerste plaats dat er vanaf de datum van 6 maart 2000 waarop het Raadsbesluit is genomen tot de datum van invoering van de naamswijziging per 1 juli 2003 ruim drie jaar tijdsverloop aanwezig is. Een periode die eisers hebben kunnen benutten om zonder extra kosten op de komende naamswijziging in te spelen. De enkele stelling van eisers dat zij door de invoering van de naamswijziging van hun dorpsgebied schade (zullen) lijden door de noodzaak om adreswijzigingen op briefpapier door te voeren en dat zij hun auto's, visitekaartjes, software, reclameborden en advertenties zullen moeten aanpassen, acht de rechtbank daarom onvoldoende om een gehoudenheid van de gemeente aan te nemen voor het aanbieden van schadecompensatie.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat eisers hun stellingen met betrekking tot de door hen geleden of te lijden schade ook verder onvoldoende hebben onderbouwd, waarbij moet worden opgemerkt dat eisers niet allen in een gelijke positie verkeren. Zo zal de ene eiser voor het doorvoeren van naamswijzigingen in briefpapier en reclame-uitingen meer kosten moeten maken dan de andere eiser en is zelfs niet ondenkbaar dat een aantal eisers dienaangaande in het geheel geen kosten hoeven te maken. Waar eisers hebben aangevoerd dat zij schade (zullen) lijden door de mindere naamsbekendheid van Oudeschoot ten opzichte van die van Heerenveen, is ook die stelling niet zonder meer aannemelijk. Ook daarvoor geldt dat dit mede afhankelijk is van de positie die eisers innemen op de (inter)nationale markt en zelfs dan is het niet ondenkbaar dat het gestelde nadeel feitelijk een voordeel kan zijn. In elk geval ziet de rechtbank ook hier geen reden voor de gemeente om schadecompensatie aan te bieden. Ten slotte acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er enkel door de invoering van de naam Oudeschoot een waardevermindering zal optreden van de onroerende zaken van eisers, zodat ook om die reden geen compensatie behoeft te worden geboden. De conclusie luidt daarom dat de invoering van de naam Oudeschoot per 1 juli 2003 zonder adequate schadevergoedingsregeling niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt jegens eisers, nu niet althans onvoldoende is gesteld of gebleken dat die naamswijziging voor hen (substantiële) schade met zich brengt.

16. Naar het oordeel van de rechtbank beroepen eisers zich voor hun stelling dat de gemeente jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld, afgezien van het feit dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat eisers door de invoering van de naamswijziging (substantiële) schade lijden, subsidiair tevergeefs op de toepasselijkheid van het beginsel van de 'egalité devant les charges publiques'. Dit beginsel vindt immers toepassing in het geval een overheidsmaatregel is gericht op de belangen van een bepaalde groep, terwijl daardoor een naar verhouding kleine groep van belanghebbenden in onevenredige mate in haar belangen wordt getroffen. Waar de onderhavige naamswijziging niet plaatsvindt in dat deel van historisch Oudeschoot ten westen van de rijksweg A32 waar slechts een aantal bedrijven zijn gevestigd en geen bewoning is, kunnen eisers zich ten opzichte van die bedrijven, die aldus niet te maken krijgen met de gevolgen van een naamswijziging, niet beroepen op dit beginsel. Op die bedrijven is het besluit van de Raad immers in het geheel niet van toepassing. Een beroep op dit beginsel zou slechts mogelijk zijn indien er binnen het gebied dat thans een naamswijziging zal ondergaan een groep ondernemers zou zijn die ten opzichte van alle binnen dat gebied aanwezige ondernemers onevenredig in haar belangen zou worden getroffen. Dat is noch gesteld noch gebleken.

16. Eisers hebben er nog op gewezen dat niet alle bewoners van het betreffende gebied voor de naamswijziging zijn. Indien dat inderdaad zo is, dan acht de rechtbank dat voor deze zaak niet van belang. De Raad heeft immers na genoemde belangenafweging haar besluit genomen en het feit dat niet alle bewoners van het betreffende gebied voor de naamswijziging zijn staat geheel los van de vraag of de gemeente jegens eisers door het voornemen tot uitvoering van het genomen besluit onrechtmatig handelt. Zoals hiervoor is overwogen acht de rechtbank dat niet het geval.

17. De vorderingen van eisers zullen als onvoldoende gegrond worden afgewezen. Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden verwezen.

BESLISSING

De rechtbank:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt eisers in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de gemeente begroot op 780,-- euro wegens salaris en op 193,-- euro wegens verschotten.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van der Meer, lid der kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2003 in aanwezigheid van de griffier.