Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2003:AF8228

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
18-04-2003
Datum publicatie
05-06-2003
Zaaknummer
02/332 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vraag is of het gebruik van de zes appartementen voor de huisvesting en begeleiding van de ama's binnen de grenzen van het op grond van de geldende woonbestemming toegestane gebruik blijft.

Uitspraak bevestigd door Afdeling Bestuursrecht Raad van State: LJN AO3378

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector Bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 02/332 WW44

Inzake het geding tussen

[A.], wonende te [B.], eiser,

gemachtigde: mr. G.J.R. Lutje Schipholt, werkzaam voor Stichting Rechtsbijstand te Zwolle,

en

het college van burgemeester en wethouders van Dongeradeel, verweerder,

gemachtigde: D. Keegstra, ambtenaar in dienst van verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 12 februari 2002 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van een besluit op bezwaar inzake de toepassing van de Gemeentewet.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 27 maart 2002 beroep ingesteld.

Woningcorporatie Dongeradeel heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zich als derde-belanghebbende in het geding te voegen.

De zaak is, gevoegd met de zaak 02/1055 WW44, behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken, gehouden op 15 april 2002. Eiser is in persoon verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde alsmede D. van der Scheer, adviseur en overbuurman. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

De rechtbank heeft besloten in deze zaak afzonderlijk uitspraak te doen.

Motivering

Eiser woont in een appartement aan de [straatnaam] 13 te [B.].

De appartementen met de adressen [straatnaam] 1 tot en met 11 zijn door eigenaar Woningbouwcorporatie Dongeradeel verhuurd aan Stichting Noordelijke Opvang Minderjarige Asielzoekers (NOMAS) te Leeuwarden. De woningen zijn zodanig verbouwd dat ze middels één ingang toegankelijk zijn. Stichting NOMAS heeft in de appartementen twaalf tot vijftien minderjarige asielzoekers (ama's) gehuisvest. De ama's wonen er onder -in ploegendienst werkende- begeleiding.

Bij brief van 26 juli 2001 heeft eiser verweerder meegedeeld veel (geluid)overlast vanuit de bewuste appartementen te ondervinden en verweerder verzocht handhavend op te treden.

Bij brief van 6 september 2001 heeft verweerder eiser meegedeeld geen aanleiding te zien handhavend op te treden, nu het gebruik van de appartementen niet strijdt met het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 11 oktober 2001 bezwaar gemaakt.

De commissie voor de bezwaar- en beroepschriften, die partijen op 11 december 2001 heeft gehoord, heeft verweerder geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren, het primaire besluit te herroepen en het handhavingsverzoek in te willigen. De commissie is van oordeel dat hier niet gesproken kan worden van zelfstandige bewoning van de appartementen, reden waarom het gebruik strijdt met de in het bestemmingsplan aan de percelen toegekende woonbestemming.

Bij het nu bestreden besluit heeft verweerder het commissieadvies niet opgevolgd en het volgende overwogen. De geluidoverlast is overwegend het gevolg van de niet optimale geluidisolatie van de appartementen. Ook indien in de appartementen jonge gezinnen zouden zijn gehuisvest, zou overlast ervaren kunnen worden. Dat de bouwvergunning voor de verbouwing van de zes appartementen onherroepelijk is, betekent niet dat elk gebruik van de appartementen is toegestaan. De appartementen zijn echter nog steeds als woning in gebruik. De huisvesting van ama's is niet zonder meer vergelijkbaar met de huisvesting van een regulier gezin. Onder zelfstandige bewoning kan echter ook worden gedacht aan minder traditionele woonvormen, waarbij dan wel sprake moet zijn van nagenoeg zelfstandige bewoning. De onderhavige situatie is vergelijkbaar met de opvang van minderjarigen in een pleeggezin. Dat de begeleiders in ploegendienst in de appartementen verblijven, doet niet af aan het feit dat de ama's ter plekke zelfstandig wonen. Verweerder besluit dan als volgt:

"(…) Wij blijven derhalve van oordeel dat het gebruik van de woningen (…) in overeenstemming is met de bepalingen van het vigerende bestemmingsplan. Er is dan ook na heroverweging op bezwaar geen gegronde reden om een planologische procedure voor vrijstelling of wijziging van het bestemmingsplan voor het gebruik van [straatnaam] 1 tot en met 11 te [B.] op te starten. Aangezien wij op grond van het bovenstaande van mening blijven dat uw bezwaarschrift niet gericht is tegen een besluit van ons college zien wij voor u feitelijk geen mogelijkheden tegen deze heroverweging op uw bezwaarschrift in beroep te gaan. Immers ons schrijven van 6 september 2001 is op grond van het bovenstaande niet meer dan een nadere toelichting op welke wijze een bestaand gebruik past binnen de bestemming van het vigerende bestemmingsplan. (…)"

Tegen dit besluit heeft eiser het nu aan de orde zijnde beroep ingesteld, waarbij hij het volgende heeft aangevoerd. Het bestemmingsplan duidt het begrip wonen niet. Op grond van de jurisprudentie moet in zo een situatie ook worden gedacht aan minder traditionele woonvormen, waarbij wel sprake moet zijn van zelfstandig wonen. Een opvangcentrum voor ama's strijdt met de geldende woonbestemming, nu hier van zelfstandige bewoning geen sprake is. De ama's wonen onder begeleiding en worden dagelijks geholpen met allerlei activiteiten. Verweerder had het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften moeten volgen. Eiser heeft hierbij de rechtbank verzocht het bestreden besluit te vernietigen en verweerder een termijn te stellen waarbinnen alsnog handhavingsmaatregelen moeten worden genomen.

In dit geding moet de rechtbank beoordelen of het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

Ten aanzien van de formele aspecten van de zaak overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge art. 1:3 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt verstaan onder besluit: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ingevolge lid 2 wordt verstaan onder beschikking: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan. Ingevolge lid 3 wordt verstaan onder aanvraag: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

Gelet op bovengenoemde bepalingen, in samenhang gelezen, is de rechtbank van oordeel dat zowel de primaire afwijzing van eisers handhavingsverzoek als het besluit op bezwaar besluiten in de zin van de Awb zijn, tegen welke besluiten ingevolge art. 7:1 juncto 8:1 Awb rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Eiser is mitsdien terecht in bezwaar ontvangen. Het onderhavige beroep is eveneens ontvankelijk, overigens reeds omdat tegen een besluit op bezwaar altijd beroep kan worden ingesteld, ook in het geval ten onrechte zou zijn verzuimd het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

Ten aanzien van de materiële aspecten van de zaak overweegt de rechtbank als volgt.

De onderhavige locatie is in het bestemmingsplan "Holwerd - De Fellingen" bestemd als "Woonhuizen, klasse A".

In art. 3 lid A van de voorschriften bij het bestemmingsplan is bepaald dat de op de kaart voor woonhuizen klasse A aangewezen gronden zijn bestemd voor woonhuizen met de daarbij behorende bijgebouwen, tuinen of erven, andere bouwwerken en andere werken.

In art. 3 lid M sub 1 onder a is bepaald dat in het gebied waarop deze bestemming betrekking heeft, het verboden is de gronden en gebouwen te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in lid A omschreven bestemming.

Ingevolge art. 1 aanhef en sub 7 van het bestemmingsplan wordt verstaan onder woonhuis: een gebouw dat één woning omvat, dan wel een gebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven- of achterelkaar gelegen woningen omvat.

Ingevolge art. 1 aanhef en sub 8 van het bestemmingsplan wordt verstaan onder woning: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor niet-recreatieve bewoning van één afzonderlijk huishouden; en onder bewoning: de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde stelt de rechtbank vast dat de onderhavige zes appartementen zodanig zijn verbouwd dat deze één gebouw vormen en niet, zoals ter zitting namens verweerder betoogd, zes aparte woningen die enkel onderling toegankelijk zijn gemaakt. Dit gebouw is als geheel in gebruik voor de huisvesting van de groep ama's. De rechtbank overweegt in dezen onder meer dat de appartementen een gezamenlijke toegang hebben en voorts dat een centrale woonkamer is gerealiseerd.

De dan te beantwoorden vraag is of het gebruik van de zes appartementen voor de huisvesting en begeleiding van de ama's binnen de grenzen van het op grond van de geldende woonbestemming toegestane gebruik blijft. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval, nu hier niet sprake is van de huisvesting van één, afzonderlijk huishouden. Zij overweegt dat hierbij weliswaar naast bewoning van een woonhuis door een gezin ook aan minder traditionele woonvormen moet worden gedacht, maar dat de wijze van samenleven van ama's in groepsverband en onder begeleiding te zeer verschilt van die van een huishouden. Zo is de groep ama's, bestaande uit twaalf tot vijftien personen, aanzienlijk groter dan een gemiddeld huishouden. Ook het doel van samenleving verschilt wezenlijk van die van een afzonderlijk huishouden. De opvang van ama's heeft per definitie een tijdelijk karakter. De woonvorm ziet niet op hun bestendige samenleving. Voorts is er, in afwijking van een regulier huishouden, in casu geen sprake van zelfstandige of nagenoeg zelfstandige bewoning, nu de ama's minderjarig zijn en wonen onder professionele begeleiding en toezicht, welke begeleiding niet als van beperkte aard en omvang kan worden beschouwd.

Verweerder heeft het gebruik van de appartementen derhalve ten onrechte in overeenstemming met het bestemmingsplan geacht. Nu het bestreden besluit niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, moet het worden vernietigd. Het beroep zal gegrond worden verklaard. Verweerder moet, met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene, opnieuw op het bezwaar beslissen.

Gelet op het vorenstaande en het bepaalde in art. 8:74 Awb moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 109,- aan hem vergoeden.

Op grond van art. 8:75 Awb zal de rechtbank verweerder veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht belopen eisers proceskosten € 644,-terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt: € 322,-). De onderhavige zaak en de zaak met registratienummer 02/1055 WW44 hangen inhoudelijk zodanig samen, dat de in deze zaak uit te spreken proceskostenveroordeling beide zaken geldt.

De rechtbank wijst de gemeente Dongeradeel aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 109,- aan hem vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van dit beroep en het beroep met registratienummer 02/1055 WW44, tot een totaalbedrag van € 644,-, aan eiser te vergoeden door de gemeente Dongeradeel.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 18 april 2003, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Bouma als griffier.

w.g. G.J. Bouma

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto art. 6:24 Awb. Indien u daarvan gebruik wilt maken, moet u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een beroepschrift alsmede een afschrift van deze uitspraak zenden aan:

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u dan waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: