Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2003:AF8227

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
25-03-2003
Datum publicatie
02-05-2003
Zaaknummer
02/837 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2003, 104 met annotatie van H.A.M. van Geest
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 02 / 837 GEMWT

Inzake het geding tussen

de familie [A.] en de familie [B.], wonende te [C.], eisers,

gemachtigde: G. [B.], werkzaam als juridisch adviseur te Ruigahuizen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Gaasterlân-Sleat, verweerder,

gemachtigde: B. Hoogland, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 21 juni 2002, verzonden op 24 juni 2002, heeft verweerder eisers mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Gemeentewet. Het bezwaar was gericht verweerders weigering van 7 maart 2002 om handhavend op te treden tegen beplanting in de nabijheid van hun woningen.

Tegen dit besluit is namens eisers op 30 juli 2002 beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 21 februari 2003. Namens eisers zijn verschenen [A.] en [B.], vergezeld van hun echtgenotes en bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde. [D.], die op grond van art. 8:26 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) als belanghebbende partij aan dit geding deelneemt, is, zoals tevoren telefonisch door hem is bericht, niet verschenen.

Motivering

Bij brieven van 12 november 2001 en 18 januari 2002 hebben eisers verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen door [D.] (hierna: [D.]) aangebrachte beplanting bestaande uit bomen en struiken op de percelen kadastraal bekend gemeente Balk, sectie M, nrs. 3518 en 3521. Eisers hebben hierbij aangegeven dat de situatie naar hun mening in strijd is met het bestemmingsplan.

Uit de afwijzing van dit handhavingsverzoek bij brief van 7 maart 2002 blijkt dat verweerder eisers mening niet deelt. Eisers hebben tegen dit besluit op 29 maart 2002 bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit is dit bezwaarschrift - conform het advies van de Commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften - ongegrond verklaard.

Eisers hebben in beroep onder meer aangevoerd dat de grond waarop de beplanting is aangebracht bosgrond is, terwijl bosgrond expliciet is uitgezonderd van de bestemming "cultuurgrond". Voorts stellen eisers dat de beplanting het karakter van de landschappelijke waarden aantast, met name omdat deze beplanting de doorkijkjes richting Slotermeer belemmert en afbreuk doet aan het "half open coulisse-land-schap". Ten slotte zijn eisers van mening dat de beplanting geen erfafscheiding of erfbeplanting vormt, omdat de beplanting niet is aangebracht op het woonerf van [D.], doch op een als cultuurgrond bestemd perceel.

Verweerder acht zich niet bevoegd handhavend op te treden, omdat geen sprake is van een met het bestemmingsplan strijdig gebruik van de gronden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van bosgrond en dat de onderhavige beplanting dusdanig gering is, dat deze de bestemming "cultuurgrond" niet onmogelijk maakt. De beplanting vormt een erfafscheiding tussen de percelen van [D.] en [A.] en [B.], die naar de mening van verweerder de landschappelijke waarden niet aantast.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van art. 125 Gemeentewet juncto art. 5:21 Awb zijn burgemeester en wethouders bevoegd om met toepassing van bestuursdwang op te treden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Het nemen van een beslissing tot toepassing van bestuursdwang is een bevoegdheid, en geen verplichting voor een bestuursorgaan. Wanneer sprake is van een illegale situatie die op grond van de geldende bestemmingsplanvoorschriften niet kan worden gelegaliseerd, kunnen de omwonenden - gezien de ruimtelijke bescherming die het bestemmingsplan biedt - volgens vaste jurisprudentie er in beginsel aanspraak op maken dat burgemeester en wethouders handhavend optreden.

Op de percelen in kwestie (3518 en 3521) rust ingevolge het geldende bestemmingsplan "Bargebek" de bestemming "cultuurgrond". In artikel 9 onder A van planvoorschriften is het volgende bepaald:

"De op de kaart voor cultuurgrond aangewezen gronden zijn bestemd voor cultuurgrond, met de daarbij behorende bouwwerken en andere werken, zulks met inachtneming van de aan deze gronden toegekende landschappelijke waarden, zoals omschreven in hoofdstuk 3 van de toelichting."

Blijkens de begripsomschrijving wordt onder cultuurgrond verstaan:

"volkstuinen, moestuinen, grasland, akkerbouw- en tuinbouwgronden, met uitzondering van bosgronden."

In de toelichting op het bestemmingsplan is m.b.t. landschappelijke elementen opgemerkt:

"Bijna alle gebouwen grenzen direct aan het open landschap. Vanaf de weg zijn er enerzijds enige doorkijkjes tussen de bebouwing naar het lager gelegen open en weidse landschap rond het Slotermeer en is er anderzijds het half open coulisselandschap ten zuiden van de Jachtlustwei. Tamelijk veel erven worden omzoomd door boomsingels."

[D.] heeft langs de westelijke rand van het perceel 3518 (onder meer ter hoogte van de woning van de familie [B.]) een strook beplanting aangebracht, in breedte variërend tussen 4 en 5 meter en met een totale lengte van ongeveer 37 meter. Langs de zuidkant van het perceel 3521 heeft [D.] (onder meer ter hoogte van de woning van de familie [A.]) een strook beplanting aangebracht, in breedte variërend tussen 10 en 16 meter en met een totale lengte van ongeveer 65 meter.

Allereerst merkt de rechtbank op dat er in de planvoorschriften niet een verbod is opgenomen om beplanting aan te brengen op cultuurgrond. Beplanting is derhalve toegestaan, tenzij dit strijd oplevert met de bestemming, bijvoorbeeld indien de beplanting de verwezenlijking van de bestemming onmogelijk maakt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de aard en de omvang van de in geding zijnde beplanting niet zodanig is, dat hierdoor sprake is van een gebruik van de percelen 3518 en 3521 overeenkomstig het begrip "bosgrond" als bedoeld in de planvoorschriften.

Met het standpunt dat de beplanting de verwezenlijking van de bestemming cultuurgrond niet onmogelijk maakt, miskent verweerder echter dat ook bij beplanting van een ondergeschikt gedeelte van een perceel een situatie kan ontstaan die het gebruik van dat perceel in overeenstemming met de bestemming cultuurgrond illusoir maakt. Immers, niet staande kan worden gehouden dat beplanting van een perceel met bomen van minder dan 50% van de oppervlakte, geen afbreuk doet aan de mogelijkheid van verwezenlijking van de daarop rustende bestemming cultuurgrond, als bedoeld in de planvoorschriften.

De rechtbank is van oordeel dat de beplanting in hoofdzaak valt aan te merken als erfafscheiding tussen het perceel van [D.] en de erven van [A.] en [B.]. Voor zover de beplanting niet grenst aan het erf van één van de eisers wordt deze gezien als omzoming van het perceel van [D.]. De rechtbank kan zich niet vinden in eisers' stelling dat omzoming van een erf wel, doch van een perceel cultuurgrond niet is toegestaan. Uit de planvoorschriften en de bijbehorende toelichting heeft de rechtbank geen aanknopingspunten kunnen vinden die erop wijzen dat een perceel cultuurgrond niet met beplanting omzoomd zou mogen worden.

De rechtbank acht de onderhavige beplanting, voor zover deze een breedte van (ongeveer) 5 meter niet overschrijdt, nog aan te merken als omzoming. Permanente beplanting met bomen en struiken met een breedte van circa 10 en circa 16 meter, zoals deze aanwezig is op het perceel 3521, doet naar het oordeel van de rechtbank echter in onevenredige mate afbreuk aan de bestemming cultuurgrond, zodat in zoverre sprake is van strijd met het bestemmingsplan.

Gelet op vorenstaande is verweerder in beginsel bevoegd om handhavend op te treden ten aanzien van de beplanting die door [D.] op het perceel 3521 is aangebracht, voor zover deze een breedte van (ongeveer) 5 meter overschrijdt. Nu verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij daartoe niet bevoegd is, dient het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd voor zover het ziet op die beplanting. Verweerder zal opnieuw, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, dienen te beslissen op de bezwaren van eisers voor zover die betrekking hebben op het perceel 3521.

Op grond van vorenstaande en het bepaalde in art. 8:74 lid 1 Awb dient de gemeente Gaasterlân-Sleat het door eisers gestorte griffierecht van € 109,- te vergoeden.

Op grond van art. 8:75 Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proces-kosten van eisers terzake van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 644,- (beroepschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt: € 322,-). De rechtbank wijst de gemeente Gaasterlân-Sleat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de weigering van verweerder handhavend op te treden ter zake van de beplanting op perceel 3521;

- bepaalt dat de gemeente Gaasterlân-Sleat het betaalde griffierecht van € 109,- aan eisers betaalt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 644,- aan eisers te betalen door de gemeente Gaasterlân-Sleat.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2003 in tegenwoordigheid van F.P. Dillingh als griffier.

w.g. F.P. Dillingh

w.g. C.H. de Groot

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegd-heid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 25 maart 2003