Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2003:AF8090

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
01-05-2003
Datum publicatie
01-05-2003
Zaaknummer
17/081125-02vev
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector strafrecht

VERKORT VONNIS

Uitspraak: 1 mei 2003

Parketnummer: 17/081125-02

VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I. Noord, De Grittenborgh, te Hoogeveen.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 18 april 2003.

Tegen de niet verschenen verdachte is verstek verleend.

TELASTELEGGING

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht het onder 1, 2 primair, 3 primair en 4 primair telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 20 juli 2002, te Franeker, in de gemeente Franekeradeel, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer feit 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes meermalen in de borst(streek) van die [slachtoffer feit 1] gestoken waardoor orgaan- en weefselbeschadigingen onstonden in/aan de lichaamsslagader en de borstkas en de linkerlong van die [slachtoffer feit 1], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer feit 1] is overleden;

2. primair

hij op 20 juli 2002, te Franeker, in de gemeente Franekeradeel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer feit 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes meermalen in de buik en in de borstkas van die [slachtoffer feit 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. primair

hij op 20 juli 2002, te Franeker, in de gemeente Franekeradeel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer feit 3] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes meermalen in de buik en in een arm van die [slachtoffer feit 3] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4. primair

hij op 20 juli 2002, te Franeker, in de gemeente Franekeradeel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer feit 4] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes in de borst van die [slachtoffer feit 4] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

KWALIFICATIE

Het bewezene levert op de misdrijven:

1.

doodslag

2. primair

poging tot doodslag

3. primair

poging tot doodslag

4. primair

poging tot doodslag

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

STRAFMOTIVERING

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 8 april 2003;

- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte terzake het onder 1, 2 primair, 3 primair en 4 primair telastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar en TBS met dwangverpleging.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan doodslag en drie pogingen tot doodslag. Het gaat hier om zeer ernstige misdrijven, waarbij een moeder van twee nog jonge kinderen om het leven is gekomen. Verdachte had met een vriend in Franeker meerdere bars bezocht en daarbij behoorlijk veel alcoholhoudende drank genuttigd. Nadat hij en zijn vriend meerdere malen door de eigenaar en een personeelslid van een bar waren gewaarschuwd vanwege hun ergerlijke gedrag, is de vriend van verdachte uit de bar verwijderd. Verdachte heeft daarna de bar verlaten en heeft met een mes ingestoken op willekeurige personen die zich in zijn nabijheid bevonden, met alle dramatische gevolgen van dien. Een agent van politie die ter plaatse kwam omschreef de situatie die hij aantrof als "chaotisch en bijna onwerkelijk". Verdachte heeft bij de politie verklaard altijd een mes bij zich te dragen om zich te kunnen verdedigen.

Uit niets is gebleken dat verdachte in de fatale nacht zich in een positie bevond waarin hij zich moest verdedigen. En ook al zou verdachte zich in een bedreigde positie hebben bevonden, dan nog blijkt ook hier weer dat een mes nooit als een adequaat verdedigingsmiddel kan worden gehanteerd. Immers het gebruik van een mes leidt bijna noodzakelijkerwijs tot ernstige zo niet fatale gevolgen en draagt alleen maar bij aan een verdere geweldsescalatie. Door te besluiten steeds een mes bij zich te dragen en bovendien gelet op de persoonlijkheidsstoornis van verdachte van waaruit hij zich snel bedreigd voelt, heeft verdachte er bewust voor gekozen een permanent gevaar voor de medeburger te zijn. Hoewel verdachte ten tijde van het plegen van het delict verminderd toerekeningsvatbaar was, is hem ten volle aan te rekenen dat hij zich permanent bewapend heeft met een levensgevaarlijk verdedigingsmiddel als een mes.

Gelet op het feit dat door toedoen van verdachte een jong gezin geruïneerd is, een aantal slachtoffers lange tijd en mogelijk voor hun leven getraumatiseerd zijn en het feit dat verdachte door steeds een mes bij zich te dragen er bewust voor heeft gekozen ernstig gevaar op te leveren in situaties die hij op grond van zijn persoonlijkheidsstoornis niet meer reëel kan beoordelen, acht de rechtbank een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats.

De rechtbank zal daarbij rekening houden met het feit dat verdachte ten tijde van het plegen van het delict in verminderde mate toerekeningsvatbaar was en de straf bepalen op de duur zoals hierna zal worden aangegeven.

Voorts neemt de rechtbank nog het volgende in overweging. Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum blijkt dat verdachte lijdende is aan een persoonlijkheidsstoornis met antisociale kenmerken, waarbij de antisociale trekken en borderline trekken voortkomen uit een onderliggende zwak geïntegreerde persoonlijkheidsstructuur. Deze zwakke structuur komt tot uitdrukking in de instabiliteit in de zelfwaardering, stemmingslabiliteit, geneigdheid tot depressie, neiging tot impulsiviteit en een basaal gevoel van onveiligheid dat snel tot wantrouwen leidt. Op grond van deze persoonlijkheidsproblematiek is verdachte geneigd scherp te reageren op de door hem beleefde signalen van onveiligheid en veroorzaakt dit angst en agressie. De kans op herhaling is aanzienlijk. Verdachtes gevoel van eigenwaarde is nog meer aangetast dan het reeds was en hij zal nog sneller dan reeds het geval was, ontregeld raken in soortgelijke situaties en daarop met angst en agressie reageren. Onbehandeld terugkeren in de samenleving zou volgens de deskundigen tot gevaarlijke situaties leiden. De rechtbank komt op grond van de bevindingen van de deskundigen tot de conclusie dat een terbeschikkingstelling met dwangverpleging aangewezen is.

BENADEELDE PARTIJEN

[benadeelde partij feit 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

[slachtoffer feit 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2 primair telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

[slachtoffer feit 3] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3 primair telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

[slachtoffer feit 4] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 4 primair telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT

RECHTDOENDE:

Verklaart het onder 1, 2 primair, 3 primair en 4 primair telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

1. Een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

2. Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij feit 1], wonende te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 17.393, 47 (zegge: zeventienduizend driehonderd drieënnegentig euro en zevenenveertig eurocent).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij feit 1], te betalen een som geld ten bedrage van € 17.393,47 (zegge: zeventienduizend driehonderd drieënnegentig euro en zevenenveertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 221 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 17.393,47 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij feit 1], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer feit 2], wonende te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 4.150,06 (zegge: vierduizend éénhonderdvijftig euro en zes eurocent).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer feit 2], te betalen een som geld ten bedrage van € 4.150,06 (zegge: vierduizend éénhonderdvijftig euro en zes eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 83 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.150,06 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer feit 2], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer feit 3], wonende te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 10.222,18 (zegge: tienduizend tweehonderdtweeëntwintig euro en achttien eurocent).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer feit 3], te betalen een som geld ten bedrage van € 10.222,18 (zegge: tienduizend tweehonderdtweeëntwintig euro en achttien eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 186 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.222,18 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer feit 3], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer feit 4], wonende te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 400,49 (zegge: vierhonderd euro en negenenveertig eurocent).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer feit 4], te betalen een som geld ten bedrage van € 400,49 (zegge: vierhonderd euro en negenenveertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 8 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 400,49 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer feit 4], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. M.R. de Vries en mr. A.A. Lycklama à Nijholt, rechters, bijgestaan door mr. P.T.M. van der Lelie, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 mei 2003.

Mrs. De Vries en Lycklama à Nijholt zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Rechtbank Leeuwarden

Sector strafrecht

VERKORT PROCES-VERBAAL TERECHTZITTING

Parketnummer: 17/081125-02

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 18 april 2003.

Tegenwoordig:

mr. A.H.M. Dölle, voorzitter,

mr. M.R. de Vries en mr. A.A. Lycklama à Nijholt, rechters,

mr. T.M.L. Wolters, officier van justitie en

mr. P.T.M. van der Lelie, griffier.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, genaamd:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I. Noord, De Grittenborgh, te Hoogeveen,

is niet ter terechtzitting verschenen.

De raadsman van verdachte, mr. K. ter Mors, advocaat te Almelo, is eveneens niet ter terechtzitting aanwezig.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaats vinden ter terechtzitting van 1 mei 2003 te 13:30 uur.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.