Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2003:AF7788

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
25-04-2003
Datum publicatie
25-04-2003
Zaaknummer
03/322 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 03/322 AW

Inzake het geding tussen

[A.], wonende te [B.], verzoeker,

gemachtigde: mr. D.R. Timmer, werkzaam bij ACP politievakorganisatie te Leusden,

en

de korpsbeheerder van de politieregio Friesland, verweerder,

gemachtigde: mr. J.T. Zwart, werkzaam bij de politieregio Friesland.

Procesverloop

Aan verzoeker is bij besluit van 11 maart 2003, onder toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), wegens plichtsverzuim met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 20 maart 2003 bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft verzoeker bij brief van 21 maart 2003 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is ter zitting behandeld op 22 april 2003. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Motivering

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter overweegt dat niet is gebleken van beletselen om het verzoek te kunnen ontvangen en dat verzoeker voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor zover de beoordeling van het verzoek meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de hoofdzaak heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond zal moeten worden verklaard.

Bij de beoordeling van het geschil gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker is laatstelijk werkzaam geweest bij de politieregio Friesland, district Friesland Midden, in de rang van brigadier.

Naar aanleiding van de melding van een collega van verzoeker, inhoudende dat deze heeft waargenomen dat verzoeker op 24 mei 2002 met zijn privé-auto uit de garage van het bureau Friesland Midden aan de Holstermeerweg 1 te Leeuwarden twee nog vrijwel nieuwe fietsen mee heeft genomen, die in het computersysteem X-pol als gestolen te boek stonden, heeft het Bureau Interne Veiligheid (BIV) van de politieregio Friesland een onderzoek ingesteld. In het rapport dat het BIV op 22 november 2002 heeft uitgebracht, is onder andere geconcludeerd dat het aannemelijk en verwijtbaar is dat verzoeker twee fietsen direct of kort na het aantreffen ervan op 13 januari 2002 in de Wolvesteeg te Leeuwarden voor zichzelf heeft gereserveerd door ze apart te laten zetten in garagebox 2. Bedoelde fietsen hebben daardoor niet op de georganiseerde kijkdagen te kijk gestaan en zijn tevens niet op de georganiseerde publieksverkoop van 8 mei 2002 te koop aangeboden. Voorts is gesteld dat het aannemelijk en verwijtbaar is dat verzoeker de fietsen met behulp van een door hem op 21 mei 2002 valselijk gedane aangifte van diefstal van zijn eigen fiets, heeft gekocht voor € 50,- per stuk. Bovendien heeft verzoeker in strijd met de "procedure fietsverkoop" op zijn aangifte van de diefstal van één fiets, twee fietsen gekocht. Tenslotte wordt verzoeker verweten dat hij niet getracht heeft met behulp van X-pol of anderszins de eigenaren van de fietsen te achterhalen.

Bij brief van 11 februari 2003 heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld dat hij van oordeel is dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en dat hij voornemens is hem de disciplinaire straf van ontslag op te leggen, omtrent welk voornemen verzoeker in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken. Nadat verzoeker op 26 februari 2003 zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft verweerder verzoeker bij besluit van 11 maart 2003, onder toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp, wegens plichtsverzuim met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim en dat zijn handelswijze in zodanige mate inbreuk heeft gemaakt op zijn integriteit en betrouwbaarheid als politieambtenaar en de integriteit en betrouwbaarheid van het korps, dat hij niet meer kan worden gehandhaafd in zijn functie.

Tegen het besluit van 11 maart 2003 heeft verzoeker een bezwaarschrift ingediend.

Verzoeker stelt dat het verwijt dat hij de fietsen opzettelijk en wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, door deze te laten afzonderen, enkel gebaseerd is op de verklaring van de fietsenbeheerder [C.]. Deze heeft gezegd dat hij dit in opdracht van medebeheerder [D.] deed, terwijl zowel verzoeker als [D.] ontkend hebben iets met het wegzetten van de fietsen te maken hebben gehad. Onduidelijk is waarom de doorslag wordt gegeven aan de verklaring van [C.]. Voor zover verzoeker wordt verweten dat hij geen actie heeft ondernomen om de rechtmatige eigenaren van de fietsen te achterhalen, stelt hij dat degene die belast is met het beheer van de fietsen voor de verdere afhandeling verantwoordelijk is. Verzoeker heeft enkel een mutatie opgemaakt. Deze handelswijze is volgens hem gebruikelijk. Voorts meent verzoeker dat het hem niet kan worden aangerekend dat hij twee fietsen heeft gekocht op één aangifte, aangezien dit gebruikelijk was en bovendien door [C.] is toegestaan. Verzoeker ontkent een valse aangifte te hebben gedaan van diefstal van zijn eigen fiets. Wel erkent hij niet onverwijld aangifte te hebben gedaan. Verzoeker stelt dat er geen sprake is van ernstig plichtsverzuim, noch van een evenwichtige belangenafweging, gelet op hetgeen hem kan worden verweten (het niet onmiddellijk doen van aangifte) en gezien zijn vlekkeloze loopbaan van 28 jaren bij de politie.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 76, eerste lid, van het Barp kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft. Volgens het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Ingevolge artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp kan de straf van ontslag worden opgelegd.

Naar vaste jurisprudentie dient de bestuursrechter die moet beslissen over een besluit tot het opleggen van een disciplinaire straf, vast te stellen of de betrokken ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan het plichtsverzuim ter zake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten ontlenen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het betrokken besluit. Meer in het bijzonder dient de rechter te beoordelen of het bestuursorgaan bij het bepalen van de sanctie is gebleven binnen de grenzen van het evenredigheidsbeginsel.

Uit het BIV-rapport van 22 november 2002 blijkt dat in het district Friesland Midden sinds 1995 de "procedure fietsverkoop" wordt gehanteerd. Deze procedure is niet op schrift gesteld, maar door middel van mondelinge overdracht bekendgemaakt, en houdt in dat degene die zijn of haar fiets door diefstal heeft verloren op vertoon van de aangifte tegen gereduceerde prijs voor zichzelf een vervangende fiets kan kopen uit de voorraad van door de politie in beslag genomen en niet door de eigenaar opgehaalde fietsen. Elke tweede donderdag van de maand vindt een kijkdag plaats en vier keer per jaar een verkoopdag. In de praktijk werd bovendien aan collega-politieambtenaren de mogelijkheid geboden om een dag voor de publieksverkoop op overeenkomstige wijze een fiets aan te schaffen, zodat zij de eerste keus hadden. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat laatstbedoelde praktijk niet bij de korpsleiding bekend was, geen instemming van de korpsleiding heeft en naar aanleiding van het onderzoek is stopgezet.

Op grond van de gedingstukken staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het volgende vast. Tijdens een voetsurveillance op zondag 13 januari 2002 troffen verzoeker en een aspirant omstreeks 00.45 uur twee vrijwel nieuwe fietsen aan op een locatie die voor hen aanleiding gaf om de fietsen veilig te stellen. De fietsen zijn vervolgens naar het politiebureau overgebracht en verzoeker heeft van het gebeuren een mutatie ingevoerd in X-pol, waarin de desbetreffende fietsen op dat moment nog niet als vermist stonden geregistreerd. Nadien heeft verzoeker op geen enkele wijze getracht te achterhalen wie de rechthebbenden van de fietsen zijn. Nog diezelfde nacht, 13 januari 2002, is de vermissing van beide fietsen bij de politie gemeld en op maandag 14 januari 2002 is formeel aangifte gedaan van de diefstal van de fietsen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had van verzoeker als een redelijk handelend executief politieambtenaar mogen worden verwacht dat hij na het veilig stellen van de fietsen voldoende inspanningen had verricht om de eigenaren te achterhalen. Uit het rapport van het BIV blijkt dat verzoeker op betrekkelijk eenvoudige wijze met behulp van X-pol had kunnen achterhalen dat de betrokken fietsen als gestolen waren gemeld. Gelet op het feit dat verzoeker de betrokken fietsen zelf in beslag heeft genomen en de omstandigheden waaronder die inbeslagname heeft plaatsgevonden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat van verzoeker had mogen worden verwacht dat hij actief zou handelen. Verzoekers stelling dat hij er van uit ging dat de beheerders [C.] en [D.] voldoende naspeuringen zouden verrichten kan hem niet baten, nu hij dat niet bij hen heeft geverifieerd. Bovendien heeft verzoeker in dezen een eigen verantwoordelijkheid en mocht van hem worden verwacht dat hij (ten minste) met behulp van X-pol nader onderzoek zou verrichten.

Op grond van de gedingstukken stelt de voorzieningenrechter vast dat voldoende is komen vast te staan dat de fietsen apart zijn gezet op verzoek van, en ten behoeve van, verzoeker.

Uit het proces-verbaal van een verhoor dat heeft plaatsgevonden op 24 mei 2002 blijkt dat [C.], die sinds juni 1996 werkzaam is bij de hoofdafdeling Facilitaire zaken, het volgende heeft verklaard. De betrokken fietsen zijn ingeschreven door [D.] en zijn vanaf het begin, in ieder geval vanaf de maand van inschrijving, gestald geweest in box 2, apart van de overige in beslag genomen fietsen, omdat ze bestemd waren voor verzoeker. Uit het proces-verbaal van verhoor van [D.], dat heeft plaatsgevonden op 26 juni 2002, blijkt dat deze heeft verklaard geen afspraken met verzoeker te hebben gemaakt met betrekking tot de onderhavige fietsen. [D.] weet niet hoe de fietsen in box 2 zijn gekomen. Verzoeker stelt dat hij de betrokken fietsen op 22 mei 2002 bij toeval in de garage van het politiebureau zag staan. Vervolgens heeft hij [C.] gevraagd of de fietsen te koop waren. Nadat hierop een bevestigend antwoord was gegeven, heeft verzoeker de fietsen gekocht voor een bedrag van € 50,- per stuk. Verzoeker kan desgevraagd geen verklaring geven voor zijn aanwezigheid in de garage op dat moment, terwijl hij niet aannemelijk heeft kunnen maken dat die aanwezigheid als gebruikelijk kan worden beschouwd.

Op 21 mei 2002 heeft verzoeker aangifte gedaan van de diefstal van zijn fiets op 26 april 2002. Verzoeker kan niet verklaren waarom hij zo lang gewacht heeft met het doen van aangifte en stelt dat het louter toeval is dat dit één dag voor het kopen van de onderhavige fietsen heeft plaatsgevonden. Verzoeker verklaart dat hij zijn fiets destijds voor ƒ 25,- heeft gekocht. Hij weet niet meer waar hij de fiets heeft gekocht. Op de aangifte heeft hij als jaar van aanschaf 1998 vermeld, terwijl hij tijdens een verhoor op 2 oktober 2002 heeft verklaard de fiets vanaf 1994 in bezit te hebben. In zijn aangifte stelt verzoeker dat zijn fiets tussen 18.00 en 20.00 uur weggenomen is. Die dag had hij dienst tot 17.00 uur, waarna hij met de auto naar huis is gegaan. Hij stelt daarna op de fiets terug naar Leeuwarden te zijn gegaan. Hij weet niet meer met welk doel hij op het tijdstip van de beweerde diefstal van zijn fiets in Leeuwarden aanwezig was. Gelet hierop, oordeelt de voorzieningenrechter dat de aangifte van verzoeker moet worden beschouwd als zijnde gedaan in strijd met de waarheid. Verzoeker heeft de juistheid ervan op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Met name heeft hij geen redelijke verklaring kunnen geven voor zijn aanwezigheid in Leeuwarden op het tijdstip van de beweerde diefstal, terwijl de winkels gesloten waren en zijn aanwezigheid daar op dat moment niet voor de hand lag, gezien het tijdstip waarop zijn dienst was afgelopen. Voorts gelet op de omstandigheid dat de aangifte plaats heeft gevonden op de dag vóór de aankoop van de onderhavige fietsen en een diefstal betreft die ruim drie weken eerder zou hebben plaatsgevonden, moet worden geoordeeld dat verzoeker de schijn dusdanig tegen heeft, dat van hem kan worden gevergd het tegendeel aannemelijk te maken. Daarin is verzoeker niet geslaagd.

Bij brief van 31 mei 2002 heeft de directeur Bedrijfsvoering een dienstopdracht aan verzoeker gegeven om de onderhavige fietsen terug te brengen naar het politiebureau, nadat verzoeker geweigerd heeft de fietsen ten behoeve van nader onderzoek over te dragen aan de collega's van het BIV. Op 3 juni 2002 heeft verzoeker de fietsen alsnog afgegeven.

Op grond van het vorenoverwogene oordeelt de voorzieningenrechter dat de volgende gedragingen van verzoeker moeten worden aangemerkt als plichtsverzuim als bedoeld in artikel 76, eerste lid, van het Barp: het achterwege laten van inspanningen om de eigenaren van de fietsen te achterhalen; het ten eigen bate apart doen zetten van de door hem in beslag genomen fietsen; het doen van een valse aangifte en het weigeren op eerste vordering medewerking te verlenen aan een onderzoek van de fietsen door het BIV. Hieruit volgt dat verweerder bevoegd was tot het opleggen van een disciplinaire straf. De voorzieningenrechter acht het ontslagbesluit, gezien de aard en de ernst van de gedragingen en de betekenis hiervan voor het functioneren van verzoeker binnen de politieregio en de betrouwbaarheid en de integriteit van het politiekorps, niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.

Aangezien verweerder bij de disciplinaire beoordeling de in de praktijk ontstane gewoonte dat collega-politieambtenaren een dag voor de publieksverkoop een fiets aan konden schaffen niet heeft meegewogen, kan de voorzieningenrechter verzoeker niet volgen in zijn stelling dat verweerder kennelijk een voorbeeld heeft willen stellen. Het onderzoek betrof weliswaar ook andere gevallen van door politieambtenaren aangeschafte fietsen, maar gesteld noch gebleken is dat de omstandigheden van die gevallen in relevante mate vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak.

Aangezien ook overigens niet is gebleken dat het ontslagbesluit niet in rechte kan worden gehandhaafd, komt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat het bestreden besluit niet onrechtmatig is en derhalve in stand zal blijven. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen moet worden afgewezen.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2003 in tegenwoordigheid van mr. T. Hoekstra als griffier.

w.g. T. Hoekstra

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: 25 april 2003