Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2003:AF7237

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
21-03-2003
Datum publicatie
14-04-2003
Zaaknummer
01/897 PROWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 8:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 309 met annotatie van A.A.J. de Gier
JB 2003/179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 01/897 PROWT

Inzake het geding tussen

de Stichting de Lege Midden, gevestigd te Grou, eiseres,

gemachtigden: L.J. Lyklema en M.J. van Schaijck, voorzitter respectievelijk secretaris van eiseres,

en

het college van Gedeputeerde Staten van Fryslân, verweerder,

gemachtigden: mr. W. Oostra en P. de Jong, beiden werkzaam bij de Afdeling Landelijk Gebied van de hoofdgroep Maatschappij en Omgeving van de provinciale dienst van de provincie Fryslân en ir. B. Schaap, werkzaam bij de Dienst Landelijk Gebied van de provincie Fryslân.

Procesverloop

Bij brief van 5 september 2001 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar inzake de vaststelling van het Raamplan herinrichting Swette-De Burd en de Eerste uitvoeringsmodule herinrichting Swette-De Burd.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 9 oktober 2001 beroep ingesteld.

De zaak is, gezamenlijk met de beroepszaken met de reg.nrs. 01/903 PROWT en 01/909 PROWT, behandeld ter zitting van de rechtbank, meervoudige kamer, gehouden op 21 juni 2002. Zowel eiseres als verweerder zijn verschenen bij hun gemachtigden. Bij besluit van 16 september 2002 heeft de rechtbank met toepassing van art. 8:68 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek heropend. Desgevraagd heeft verweerder nadere inlichtingen verstrekt. Met schriftelijke toestemming van partijen heeft de rechtbank op grond van art. 8:57 Awb bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.

Motivering

Verweerder heeft omstreeks 1990 de Landinrichtingscommissie Swette-De Burd benoemd om een herinrichtingsplan op te stellen en uit te voeren voor het desbetreffende gebied. In augustus 2000 heeft voornoemde commissie het Raamplan herinrichting Swette-De Burd (verder te noemen het Raamplan) ingediend, alsmede de Eerste uitvoeringsmodule 2001-2004 van het herinrichtingsplan (verder te noemen Uitvoeringsmodule).

In zijn vergadering van 5 december 2000 heeft verweerder het Raamplan en de Uitvoeringsmodule vastgesteld. De vaststellingsbesluiten zijn ter inzage gelegd van 2 januari tot 13 februari 2001. Op 10 februari 2001 heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend tegen onderdelen van het Raamplan en de Eerste uitvoeringsmodule.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres voor zover gericht tegen de keuze in het Raamplan voor een inrichting van de Noarder Burd met rietland en ondiep water (wetter en reiden) ongegrond verklaard. Verweerder heeft voorts aangegeven dat de plaats van de bestaande Borgmolen in de landinrichtingsplannen niet kan worden gegarandeerd, maar dat wel rekening kan worden gehouden met een zo functioneel mogelijke plaats voor de (weer) op te bouwen molen.

Namens eiseres is aangevoerd dat inrichting van de Noarderburd met rietland en ondiep water zal leiden tot functieverlies voor de Borgmolen en aantasting van het molenbiotoop voor het hele gebied. Zij kan zich verder niet vinden in de voorgenomen verplaatsing van de Borgmolen, omdat het hier een historische plek in een oud cultuurlandschap betreft waar dit object in het kader van de landinrichting een nuttige functie zou kunnen vervullen. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat de Borgmolen een Rijksmonument betreft en dat de Rijksdienst voor de Monumentenzorg alleen vergunning voor verplaatsing verleent, indien sprake is van een zeer dwingende reden.

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden en overweegt daartoe het volgende.

Omstreeks 1999 hebben de provincies en de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij een aantal afspraken gemaakt over herijking van de landinrichting met als doel om de landinrichting meer te kunnen laten inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen en veranderde wensen. Daartoe is onder meer afgesproken dat, in afwachting van de nieuwe Wet op de inrichting van het Landelijk Gebied, die op termijn de Landinrichtingswet moet vervangen, de planvorming verder gaat als landinrichting nieuwe stijl. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een raamplan en uitvoeringsmodules. Deze nieuwe instrumenten komen voort uit de Nota Dynamiek en Vernieuwing (Herijking landinrichting tweede fase) van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 18 maart 1998. Een raamplan is een integraal plan voor het landinrichtingsgebied, met een globaal eindbeeld waarin alle verschillende aspecten uit het gebied naar voren komen. Het plan dient als integratiekader voor de in het gebied aanwezige functies en als toetsingskader bij de vaststelling van de modules. Het raamplan geeft de doelstellingen, een integrale gebiedsvisie, de aanpak van de grondverwerving en een aanduiding van de in te zetten instrumenten weer. De uitvoering vindt plaats door middel van uitvoeringsmodules. Een module is een concreet uitvoeringsplan. Per uitvoeringsmodule wordt bekeken of alle voorgestelde maatregelen in het raamplan nog passen bij de wensen in het gebied. Vervolgens worden in de module concrete inrichtingsmaatregelen met een planning en een begroting voorgesteld. Op deze manier wordt de uitvoering van het landinrichtingsplan versneld en blijft er ruimte voor veranderingen binnen de hoofdlijnen van het raamplan.

Naar aanleiding van de Nota Dynamiek en Vernieuwing is een provinciale notitie opgesteld waarin wordt ingegaan op de Friese landinrichtingsprojecten. Daarin is onder meer beschreven op welke wijze de rechtsgang gestalte zal krijgen. Zo zal de Landinrichtingswet onder meer nog van toepassing worden verklaard in die gevallen waarin sprake is van herverkaveling op wettelijke basis. Voor zover echter kan worden gewerkt op basis van vrijwilligheid en op basis van volledige overeenstemming tussen de betrokken instanties en organisaties wordt gebruik gemaakt van het nieuwe instrumentarium met de daarbij behorende rechtsbescherming ingevolge de Awb.

De rechtbank is van oordeel dat het Raamplan een integrale beleidsvisie van verweerder inhoudt met betrekking tot het betrokken landinrichtingsgebied en dat die beleidsvisie nader wordt geconcretiseerd in de Uitvoeringsmodule. Op grond van art. 8:2 aanhef en sub b Awb staat geen beroep open bij de rechtbank tegen een besluit tot vaststelling van beleidsregels. Dit laat evenwel onverlet dat in het Raamplan en de Uitvoeringsmodule sprake kan zijn van een door verweerder volledig afgewogen beslissing met betrekking tot de inrichting van het betrokken gebied waarbij voldoende duidelijkheid bestaat over de aard van de voorgestane ontwikkeling en voorts de locatie van bepaalde projecten of voorzieningen voldoende concreet is bepaald. In dat geval is sprake van een besluit in de zin van art. 1:3 lid 1 Awb waartegen wel beroep openstaat bij de rechtbank. De rechtbank stelt voorts vast dat de vaststelling van het Raamplan en de Uitvoeringsmodule niet berusten op een specifieke wettelijke grondslag. De rechtbank is desalniettemin van oordeel dat, gegeven de aan verweerder op grond van de Landinrichtingswet toekomende taken en dan met name de bevoegdheid tot vaststelling van landinrichtingsplannen bij vereenvoudigde voorbereiding, verweerder de bevoegdheid tot vaststelling van het Raamplan en de Uitvoeringsmodule niet kan worden ontzegd.

Met inachtneming van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door verweerder in het Raamplan gemaakte keuze voor de inrichting van de Noarderburd en It Eilân met (een schakering van) zomerpolders en rietland met ondiep open water als een appelabel besluit dient te worden aangemerkt. Blijkens de stukken heeft verweerder met die keuze een volledig afgewogen beslissing met betrekking tot de inrichting van het betrokken gebied willen geven. Voorts is in het Raamplan de aard van de voor dat gebied voorgestane ontwikkeling duidelijk beschreven en is op de bij dat plan gevoegde kaart concreet aangegeven voor welk deel van het betrokken gebied de aanduiding "wetter en reiden" en "wetter en reiden/simmerpolders" geldt. Gelet hierop heeft verweerder de bezwaren van eiseres in zoverre dan ook terecht ontvankelijk geacht.

Blijkens het beroepschrift vreest eiseres dat de inrichting van het betrokken gebied met onder meer rietland en ondiep water zal leiden tot begroeiing met elzen en wilgen en dat als gevolg daarvan het molenbiotoop ter plaatse ernstig zal worden aangetast. Eiseres heeft er in dat verband op gewezen dat in het aangrenzende gebied De Oude Venen de molens al jaren stilstaan vanwege oprukkend geboomte. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de voorgestane inrichting van het gebied het open karakter, overeenkomend met een goed klimaat voor een molenbiotoop, niet zal aantasten. De rechtbank kan zich in dat standpunt van verweerder vinden. In de stukken noch in het verhandelde ter zitting is steun te vinden voor de door eiseres geuite vrees dat de bestaande openheid van het landschap na herinrichting van de Noarderburd en It Eilân zal verdwijnen. De rechtbank stelt in dat verband vast dat verweerder in het kader van de inrichting en vaststelling van de plannen voor de herinrichting Swette-De Burd meerdere malen heeft uitgesproken dat die openheid gehandhaafd blijft en dat de toekomstige beheerder van het gebied, de natuurbeherende instantie It Fryske Gea, hierop zal toezien. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Het beroep van eiseres is in zoverre dan ook ongegrond.

Met betrekking tot hetgeen in het Raamplan is opgemerkt over de verplaatsing van de zich op de Noarderburd bevindende Borgmolen is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een appelabel besluit. De desbetreffende passage houdt niet meer in dan dat bij verweerder de bereidheid bestaat om mee te werken aan restauratie van de molen. Om de molen weer een bemalingsfunctie te geven, kan het daarbij noodzakelijk zijn om over te gaan tot verplaatsing. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat verweerder in het Raamplan met betrekking tot de verplaatsing van de molen een volledig afgewogen beslissing heeft willen nemen. Verweerder heeft evenwel verzuimd het bezwaar van eiseres tegen dit onderdeel van het Raamplan niet-ontvankelijk te verklaren. Gelet hierop dient het beroep in zoverre gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit, voor zover daarin het bezwaar ongegrond is verklaard, te worden vernietigd. De rechtbank zal met toepassing van art. 8:72 lid 4 Awb alsnog doen hetgeen verweerder heeft nagelaten en het bezwaar van eiseres in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:74 lid 1 Awb dient de provincie Fryslân het door eiseres betaalde griffierecht van € 204,20 te vergoeden.

De rechtbank acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslist dient derhalve te worden als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de verplaatsing van de Borgmolen gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- verklaart het bezwaarschrift, voor zover tegen die verplaatsing gericht, alsnog niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- bepaalt dat de provincie Fryslân het betaalde griffierecht van € 204,20 aan eiseres vergoedt.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, voorzitter, en mrs. P.G. Wijtsma en J.G. de Bock, rechters, en door voornoemde voorzitter in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2003 in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Loo als griffier.

w.g. J.A. van Loo

w.g. C.H. de Groot

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: