Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2003:AF6440

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
27-03-2003
Datum publicatie
27-03-2003
Zaaknummer
03/170 BESLU & 03/171 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Predatie kan leiden tot schade aan flora en fauna in de zin van de artt. 67 en 68 Flora- en faunawet (Ffw). Tegelijk met een aanwijzingsbesluit ex art. 67 Ffw kan het instrument van ontheffing ex art. 68 Ffw worden gebruikt.

Aanwijzigingsbesluit ex art. 67 Flora- en Faunawet (Ffw) dat alle jachthouders in de provincie Fryslân de stand van de vos mogen beperken (doden) en ontheffing ex art. 68 Ffw aan de Bond van Friese Vogelbeschermingswachten voor het vangen en doden van vossen. Aan alle voorwaarden voor toepassing van de artt. 67 en 68 Ffw is voldaan. Een oorzakelijk verband tussen de achteruitgang van weidevogelpopulaties en predatie door vossen is (nog) niet wetenschappelijk aangetoond, maar voldoende is komen vast te staan dat die predatie een niet te verwaarlozen invloed heeft op het verloren gaan van weidevogels en hun nesten en jongen. Op grond hiervan kan worden gezegd dat sprake is van schade aan flora en fauna in de zin van de artt. 67 en 68 Ffw. Dat predatie, omdat het een natuurlijk proces is, niet is aan te merken als 'schade' in vorenbedoelde zin, wordt verworpen. In het parlement is reeds aan de orde gesteld dat ook van schade aan flora en fauna sprake kan zijn wanneer er als gevolg van predatie van een bepaalde, op zichzelf niet bedreigde, soort die als voedsel dient voor andere dieren, minder exemplaren zijn dan wenselijk wordt geacht.

Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat tegelijk met een aanwijzingsbesluit ex art. 67 Ffw - te karakteriseren als een vrijstellingsbesluit -, waarin GS meer in het algemeen opdracht geven om de stand van een bepaalde diersoort te beperken, het instrument van de ontheffing ex art. 68 Ffw kan worden gebruikt, waarbij een beslissing op aanvraag wordt genomen die zo goed mogelijk kan worden afgestemd op de omstandigheden van het geval en die ten opzichte van het aanwijzingsbesluit een aanvullende betekenis heeft.

Het begrip 'significant' zoals voorkomt in art. 6.3 Habitatrichtlijn moet in kwalitatieve zin worden uitgelegd hetgeen betekent dat het moet gaan om gevolgen die van betekenis zijn in het licht van de beschermingsdoelstellingen van de Habitat- of Vogelrichtlijn. Dit impliceert dat het om gevolgen moet gaan die in negatieve zin van betekenis kunnen zijn voor de instandhouding van de desbetreffende beschermde diersoorten en hun leefgebieden.

Niet aannemelijk is geworden dat zich in casu dusdanige gevolgen zullen voordoen.

mr. D.J. Keur

het college van gedeputeerde staten van Fryslân (GS), verweerder

Vogelrichtlijn, Richtlijn 79/409/EEG

Habitatrichtlijn, Richtlijn 92/43/EEG 6.3

Flora- en faunawet 67, 68, 68.1, 68.4.c

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nrs.: 03/170 BESLU & 03/171 BESLU

Inzake de gedingen tussen

de stichting De Faunabescherming, gevestigd te Amstelveen, verzoekster,

gemachtigden: A.P. de Jong en H.H. Niesen, secretaris respectievelijk vice-voorzitter van de stichting,

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân (GS), verweerder,

gemachtigden: mr. J.V. van Ophem, advocaat te Leeuwarden, en J.P. de Waard, werkzaam op de afdeling Landelijk Gebied van de provincie Fryslân.

Procesverloop

Op 4 februari 2003 heeft verweerder, hierbij toepassing gevend aan art. 67 van de Flora- en Faunawet (hierna: Ffw), besloten dat alle jachthouders in de provincie Fryslân van zonsopkomst tot zonsondergang op de gronden waarvan zij jachthouder zijn, mits gelegen binnen de grenzen van de provincie Fryslân, ter voorkoming van schade aan flora en fauna de stand van de vos mogen beperken (doden). Het bejagen is toegestaan met gebruikmaking van het hagelgeweer en de kogelbuks vanaf tenminste kaliber 5,6 x 43 (.222 Remington) en honden, niet zijnde lange honden. Aan dit besluit (hierna: het aanwijzingsbesluit) zijn voorschriften verbonden. Het aanwijzingsbesluit is in werking getreden met ingang van 7 februari 2003 en vervalt van rechtswege met ingang van 15 februari 2004.

Op 7 februari 2003 heeft verweerder, hierbij toepassing gevend aan art. 68 van de Flora- en Faunawet (hierna: Ffw), besloten dat ter voorkoming van schade aan flora en fauna aan de Bond van Friese Vogelbeschermingswachten ontheffing wordt verleend voor het vangen en doden van vossen gedurende het gehele etmaal. Het bejagen is toegestaan met gebruikmaking van het hagelgeweer en de kogelbuks vanaf tenminste kaliber 5,6 x 43 (.222 Remington), kunstlicht, aardhonden, kastvallen en vangkooien. De ontheffing is verleend voor de gehele provincie Fryslân, met uitzondering van de Waddeneilanden. Aan dit besluit (hierna: de ontheffing) zijn voorschriften verbonden. De ontheffing is in werking getreden met ingang van 7 februari 2003 en geldt tot en met 28 februari 2005, of zoveel eerder als ontheffing wordt verleend op basis van een faunabeheerplan.

Tegen zowel het aanwijzingsbesluit als tegen de ontheffing is door verzoekster bezwaar aangetekend. Op 17 februari 2003 heeft verzoekster de voorzieningenrechter van de rechtbank gevraagd om voormelde besluiten bij wege van voorlopige voorziening op grond van art. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) te schorsen. Het verzoek inzake het aanwijzingsbesluit is geregistreerd onder nummer 03/170 BESLU. Het verzoek inzake de ontheffing is bekend onder registratienummer 03/171 BESLU.

De verzoeken zijn ter zitting behandeld op 11 maart 2003. Verzoekster en verweerder hebben zich doen vertegenwoordigen door bovengenoemde gemachtigden. Namens de Bond van Friese Vogelbeschermingswachten, die als derde-belanghebbende deelneemt aan het geding met nummer 03/171 BESLU, zijn verschenen A. Osinga, voorzitter, en S.P. Roodbergen, bestuurslid.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekster te kunnen ontvangen. Het argument van verweerder dat tegen het aanwijzingsbesluit niet in rechte kan worden opgekomen omdat het hier een algemeen verbindend voorschrift zou betreffen, wordt verworpen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het aanwijzingsbesluit een besluit van algemene strekking, waartegen de bestuursrechtelijke rechtsmiddelen van bezwaar en beroep open staan.

Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt, dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Standpunten van partijen

Verweerder is van mening dat de bestreden besluiten noodzakelijk zijn om te voorkomen dat door predatie vanwege de vos schade ontstaat aan flora en fauna, waarvan met name genoemd weidevogels, grondbroeders en koloniebroeders. Hierbij wijst verweerder er op, dat op hem een internationale verantwoordelijkheid rust voor de bescherming van weidevogels. Er bestaat volgens verweerder geen andere bevredigende oplossing dan het doden van vossen, ook in natuurgebieden. Gezien de toename van het aantal vossen in de periode dat deze soort onder de werking van de Jachtwet (oud) werd bejaagd, valt niet te vrezen dat de bestreden besluiten afbreuk zullen doen aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. De aanwijzing en de ontheffing gezamenlijk zijn volgens verweerder een adequaat middel voor de bestrijding van de schade die door de vos wordt veroorzaakt. De geldigheidsduur van de aanwijzing is beperkt omdat naar verwachting binnen een jaar een landelijke vrijstelling voor het bejagen van de vos op grond van (een wijziging van) art. 65 Ffw zal zijn gerealiseerd.

Door verzoekster is er op gewezen dat predatie een natuurlijk proces is, dat niet is aan te merken als 'schade' in de zin van de Ffw. Een oorzakelijk verband tussen de predatie door vossen en de achteruitgang van de weidevogelstand is volgens verzoekster nimmer wetenschappelijk aangetoond. Met de bestreden besluiten loopt verweerder volgens verzoekster ten onrechte vooruit op de uitkomsten van een recent gestart 5-jarig onderzoek naar de effecten van predatie -onder meer door de vos- op de weidevogelstand. Volgens verzoekster wordt de achteruitgang van de weidevogelstand hoofdzakelijk veroorzaakt door de agrarische bedrijfsvoering (te vroeg, te snel en te vaak maaien; vertrapping door vee), in combinatie met de versnippering en verdwijning van voor weidevogels geschikte leefgebieden, voornamelijk als gevolg van ontwatering. Verder wijst verzoekster er op dat predatie van weidevogels en hun eieren en jongen ook door andere soorten dan de vos plaatsvindt. Naar de mening van verzoekster bestaan er wel degelijk andere bevredigende oplossingen, namelijk het plaatsen van elektrische bedrading om kwetsbare broedkolonies, het opruimen van dekkingbiedende vegetatie en het hoog opzetten van het waterpeil in het broedseizoen. Ook is verzoekster van mening dat in het kader van de bescherming van de weidevogelstand iets gedaan zou moeten worden aan het voorkomen van schade door het maaien en vertrapping door vee, alsmede dat de negatieve ontwikkelingen in het landschap ongedaan zouden moeten worden gemaakt. Door verzoekster is voorts betoogd, dat de maatregelen waarin de bestreden besluiten voorzien, niet effectief zullen zijn. Het doden van vossen zal niet leiden tot minder vossen, aangezien deze soort in het recente verleden ondanks bejaging in aantal toenam, omdat de weidegebieden door ontwatering steeds geschikter worden als leefgebied voor de vos. Eerst indien alle geschikte leefgebieden bezet zijn, zal het aantal vossen zich -mede afhankelijk van het voedselaanbod- stabiliseren, aldus verzoekster. Ten slotte is door verzoekster aangevoerd dat de jacht op vossen tot verstoring van de fauna (waaronder ook de weidevogels) zal leiden, terwijl ten onrechte niet is getoetst aan art. 6 van de Habitatrichtlijn (richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna).

Door de Bond van Friese Vogelbeschermingswachten is aangevoerd dat uit onderzoek blijkt dat predatie door vossen kan leiden tot schade aan weidevogels en bodembroeders, hetgeen wordt bevestigd door praktijkgeluiden uit het veld. Onder de werking van de Jachtwet (oud) mocht niet in natuurgebieden worden gejaagd en deze gebieden zijn daardoor als kraamkamer gaan fungeren voor de vos, van waaruit de soort zich verder heeft verspreid. Ook kon onder de Jachtwet (oud) alleen overdag op de vos worden gejaagd, hetgeen onvoldoende effectief is gebleken om de predatiedruk op weidevogels en bodembroeders te verminderen. Daarom is door de Bond van Friese Vogelbeschermingswachten verzocht om een ontheffing om ook kunstlicht te mogen gebruiken bij de jacht op vossen. Wanneer het voedselaanbod de grens van de groei van de vossenpopulatie zou mogen bepalen, dan wordt gevreesd dat er geen weidevogels meer over zijn voordat de vossenstand zich stabiliseert.

Wettelijk kader

Art. 67 Ffw luidt als volgt:

"1. Gedeputeerde staten kunnen bepalen dat, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 9, 11, 12, 50, 51 en 53, door door hen aan te wijzen personen of categorieën van personen de stand van bij ministeriële regeling aangewezen beschermde inheemse diersoorten of andere diersoorten of verwilderde dieren op door gedeputeerde staten aan te wijzen gronden kan worden beperkt:

a. in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;

b. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

c. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren of

d. ter voorkoming van schade aan flora en fauna.

2. Voorzover het beschermde inheemse diersoorten betreft, kan een bepaling als bedoeld in het eerste lid slechts worden getroffen indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

3. Gedeputeerde staten kunnen hun besluit, bedoeld in het eerste lid, afhankelijk stellen van een faunabeheerplan.

4. Gedeputeerde staten kunnen ten aanzien van één of meer van de door hen krachtens het eerste lid aangewezen personen of categorieën van personen bepalen dat zij toegang hebben tot alle krachtens het eerste lid aangewezen gronden. In dat geval zijn deze personen gerechtigd zich daartoe zonodig met behulp van de sterke arm toegang te verschaffen.

5. Gedeputeerde staten kunnen bepalen hetgeen met de ingevolge het eerste lid bemachtigde dieren dient te geschieden.

6. Bij een regeling als bedoeld in het eerste lid, kan worden bepaald dat het verboden is dieren behorende tot een krachtens dat lid aangewezen soort onder zich te hebben.

7. Alvorens een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid vast te stellen, te wijzigen of in te trekken, stelt Onze Minister het Faunafonds in de gelegenheid over het ontwerp daarvan zijn oordeel te geven."

De vos (Vulpes vulpes) is met ingang van 22 december 2002 opgenomen in de bijlage bij de Regeling beheer en schadebestrijding dieren als een van de diersoorten als bedoeld in art. 67 lid 1 Ffw (Stcrt. 2002, 246).

Art. 68 Ffw luidt als volgt:

"1. Wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, kunnen gedeputeerde staten, voorzover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het Faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 18 en 72, vijfde lid:

a. in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;

b. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

c. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren;

d. ter voorkoming van schade aan flora en fauna of

e. met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.

2. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts verleend aan een faunabeheereenheid op basis van een faunabeheerplan.

3. Onverminderd het bepaalde in artikel 80, onderdeel e, worden ontheffingen als bedoeld in het eerste lid, verleend voor een periode van ten hoogste vijf jaren.

4. In afwijking van het tweede lid kan de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, ook aan anderen dan een faunabeheereenheid worden verleend indien:

a. de noodzaak ontbreekt voor een faunabeheerplan gelet op de soort dan wel de aard of omvang van te verrichten handelingen;

b. de noodzaak ontbreekt dat de te verrichten handelingen worden verricht door tussenkomst van een faunabeheereenheid;

c. het gebied waar de handelingen worden verricht niet is gelegen in een gebied waarover zich de zorg van een faunabeheereenheid uitstrekt.

5. Gedeputeerde staten maken besluiten als bedoeld in het eerste en vierde lid bekend in de Staatscourant alsmede in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze. Een afschrift van deze besluiten sturen zij aan Onze Minister."

Rechtsoverwegingen

Tussen partijen is niet in geschil is dat de weidevogelpopulaties gestaag in omvang achteruit gaan en dat in Fryslân een belangrijk deel van de nationale weidevogelpopulatie broedt (Kievit, Grutto, Scholekster en Tureluur). Uit de voorhanden zijnde gegevens komt naar voren dat in delen van Fryslân relatief veel predatie onder weidevogels is vastgesteld, waarbij de recente toename daarvan parallel lijkt te lopen met de verdere verspreiding en getalsmatige toename van de vos. Recent gestart onderzoek door SOVON Vogelonderzoek Nederland en Alterra zal nog antwoord moeten geven op de vragen hoe vaak predatie voorkomt, door welke diersoorten dit wordt veroorzaakt, bij welke predatiedruk er problemen ontstaan voor de weidevogelpopulaties en hoe predatie zich verhoudt tot de overige verliesoorzaken.

Verzoekster heeft daarom op zich gelijk met haar stelling dat een oorzakelijk verband tussen de achteruitgang van weidevogelpopulaties en predatie door vossen (nog) niet wetenschappelijk is aangetoond, maar dat neemt niet weg dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter op grond van de gedingstukken, waarvan met name genoemd het advies van 20 januari 2003 van het Faunafonds, voldoende is komen vast te staan dat predatie door vossen een niet te verwaarlozen invloed heeft op het verloren gaan van weidevogels en hun nesten en jongen. Op grond hiervan kan worden gezegd dat sprake is van schade aan flora en fauna in de zin van de art. 67 en 68 Ffw. Hieraan doet niet af dat er ook andere oorzaken zijn aan te wijzen die schade veroorzaken aan de weidevogelpopulaties, zoals intensief agrarisch beheer en verdwijning van geschikt broedareaal. Verzoeksters stelling dat predatie, omdat het een natuurlijk proces is, niet is aan te merken als 'schade' in vorenbedoelde zin, dient te worden verworpen. Bij de behandeling van de Ffw in het parlement is reeds aan de orde gesteld dat ook van schade aan flora en fauna sprake kan zijn wanneer er als gevolg van predatie van een bepaalde, op zichzelf niet bedreigde, soort die als voedsel dient voor andere dieren, minder exemplaren zijn dan wenselijk wordt geacht (Kamerstukken II 1996/97, 23 147, nr. 12, p. 54).

Anders dan door verzoekster is betoogd, is de voorzieningenrechter voorts van oordeel dat aannemelijk moet worden geacht, mede gelet op het advies van het Faunafonds, dat er geen andere bevredigende oplossingen bestaan voor het reguleren van het aantal vossen dan door afschot. Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door verzoekster gedane suggesties in dit verband als niet realistisch moeten worden beschouwd.

Door het Faunafonds is er nog op gewezen dat verweerder geen inschatting heeft kunnen geven van het aantal vossen dat kan worden getolereerd zonder dat de weidevogelpopulatie te veel bedreigd wordt. Mede gelet op het feit dat in Fryslân nog geen faunabeheereenheid is opgericht en er dus nog geen goedgekeurd faunabeheerplan voorhanden is, heeft het Faunafonds geadviseerd de ontheffing voor een beperkte duur te verlenen. Hierdoor kan, zodra het faunabeheerplan gereed is, beter onderbouwd worden aangegeven waar en hoeveel vossen moeten worden gedood om de weidevogelpopulatie op minimaal het bestaande peil te handhaven. Verweerder heeft hieraan gevolg gegeven door de geldigheidsduur van de ontheffing te beperken tot en met 28 februari 2005 of zoveel eerder als ontheffing wordt verleend op basis van een faunabeheerplan, en door het voorschrift op te nemen dat van de wijze waarop van de ontheffing gebruikt gemaakt wordt en de effecten daarvan, nauwkeurig verslag dient te worden uitgebracht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt hiermee in voldoende mate uitvoering gegeven aan het wettelijk criterium dat door de jacht op vossen geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van die soort. Hieronder dient te worden verstaan dat uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven. Op grond van de onder de werking van de Jachtwet (oud) opgedane ervaringen kan, gelijk door verweerder en verzoekster is aangegeven, immers niet worden verwacht dat binnen die termijn de vos als gevolg van de jacht zodanig in aantal zal zijn teruggedrongen dat niet meer aan dat criterium wordt voldaan.

De vraag of het afschieten van vossen een effectief middel is om schade aan flora en fauna te voorkomen, beantwoordt de voorzieningenrechter bevestigend. De stelling van verzoekster dat dit niet het geval is, moet worden verworpen reeds omdat een vermindering van het aantal vossen de predatiedruk ontegenzeggelijk zal doen afnemen. Dit geldt met name wanneer, zoals uit de gedingstukken blijkt, het afschieten van de vos plaatsvindt nadat deze een territorium heeft veroverd. Ook indien bejaging zou leiden tot een grotere mobiliteit van vossen en tot meer jongen, dan nog kan op grond van de gedingstukken worden aangenomen dat de weidevogels in de opengevallen territoria belangrijk minder predatiedruk zullen ondervinden. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het doden van vossen een effectief middel is ter voorkoming van schade aan fauna, met name de weidevogels.

Het Faunafonds heeft geadviseerd om in de kraam- en zoogperiode van de vos (1 april tot en met 31 juli) geen afschot te laten plaatsvinden, mede gelet op de onrust die de jacht met kunstlicht onder broedende weidevogels teweeg zou kunnen brengen. Door verweerder is er op gewezen dat uit rapportages van voorgaande vergunningen voor nachtjacht is gebleken dat deze activiteiten geen negatieve invloed hadden op het broedresultaat van weidevogels. De verstoringafstand van broedende weidevogels is, voorafgaand aan de gebruikmaking van die vergunningen, proefondervindelijk vastgesteld op circa 5 meter voor een auto met verlichting en een schijnwerper. Binnen 15 minuten na deze verstoring waren alle nesten weer bezet. Uit een oogpunt van effectiviteit van de maatregelen ter voorkoming van schade aan flora en fauna, is verweerder van mening dat afschot ook plaats dient te vinden in de periode dat weidevogels het meest kwetsbaar zijn voor predatie, namelijk het broedseizoen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet op grond hiervan worden gezegd dat verweerder zijn afwijking van het advies van het Faunafonds afdoende heeft gemotiveerd.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan voorts niet worden gezegd dat verweerder het grondgebied waarvoor de ontheffing geldt, mede gelet op het advies van het Faunafonds, te ruim heeft vastgesteld. Gegeven het feit dat in Fryslân nog geen faunabeheereenheid is, heeft verweerder de ontheffing op grond van art. 68 lid 4 onder c Ffw voorts ook aan anderen dan een faunabeheereenheid kunnen verlenen.

Op grond van de voorgaande overwegingen is de voorzieningenrechter van oordeel dat aan alle voorwaarden voor toepassing van de art. 67 en 68 Ffw is voldaan. De voorzieningenrechter merkt hierbij nog wel op, dat de zinsnede 'voor zover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend' in art. 68 lid 1 Ffw de vraag oproept naar het karakter van het aanwijzingsbesluit op grond van art. 67 Ffw. De tekst van de wet geeft hierover geen uitsluitsel, maar de plaatsing van dit artikel in titel III van hoofdstuk V, genaamd "vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen", geeft wel een aanwijzing. Mede op grond van de gelijkenis met de formulering van de landelijke en provinciale vrijstellingsbevoegdheden (art. 65 lid 1 en 4 Ffw) moet het er voorshands voor worden gehouden dat het hier om een vrijstelling gaat. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet dat verweerder, gelet op het op 4 februari 2003 genomen aanwijzingsbesluit, op 7 februari 2003 niet meer bevoegd was tot het verlenen van de ontheffing. De toepassing van art. 68 Ffw kan immers qua effect niet gelijkgesteld worden met die van art. 67 Ffw, aangezien bij de ontheffing kan worden afgeweken van de art. 9 tot en met 18 en 72, vijfde lid, van de wet, terwijl het aanwijzingsbesluit strekt tot afwijking van de art. 9, 11, 12, 50, 51 en 53 Ffw. Een redelijke wetstoepassing brengt daarom mee dat tegelijk met een aanwijzingsbesluit op grond van art. 67 Ffw, waarin GS meer in het algemeen opdracht geven om de stand van een bepaalde diersoort te beperken, het instrument van de ontheffing op grond van art. 68 Ffw kan worden gebruikt, waarbij een beslissing op aanvraag wordt genomen die zo goed mogelijk kan worden afgestemd op de omstandigheden van het geval en die ten opzichte van het aanwijzingsbesluit een aanvullende betekenis heeft.

Bij de beoordeling van de vraag of verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheden gebruik heeft kunnen maken op de wijze zoals neergelegd in de bestreden besluiten, moeten twee vragen worden beantwoord. Ten eerste de vraag of naast het verlenen van een ontheffing op grond van art. 68 Ffw de noodzaak bestaat voor het nemen van een aanwijzingsbesluit op grond van art. 67 Ffw, of omgekeerd. Ten tweede moet worden beoordeeld of er mogelijk significante effecten optreden in speciale beschermingszones in de zin van de Vogelrichtlijn (richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand) en/of de Habitatrichtlijn, mede gelet op de mogelijk optredende cumulatieve effecten van de jacht op vossen die mogelijk wordt gemaakt door zowel het aanwijzingsbesluit als de ontheffing.

Door verweerder is ter zake aangevoerd dat op zichzelf beschouwd de grootste effectiviteit te verwachten valt van de jacht met gebruikmaking van kunstlicht op grond van de ontheffing. Dit neemt echter niet weg, aldus verweerder, dat ook van de bejaging overdag een -zij het geringer- effect mag worden verwacht. Verweerder is van mening dat juist door de combinatie van het aanwijzingsbesluit en de ontheffing de doelstelling van het voorkomen van schade het best wordt gediend. Hierbij wijst verweerder er op, dat gebruikmaking van de ontheffing is voorbehouden aan een relatief gering aantal (144; maximaal 6 per wildbeheereenheid) jachtaktehouders, die vermeld staan op een bij de ontheffing behorende lijst. Wanneer zou moeten worden volstaan met een aanwijzingsbesluit, dan zou daarin ook het bejagen met gebruikmaking van kunstlicht moeten worden toegestaan aan alle jachtaktehouders. Een dergelijk aanwijzingsbesluit zou naar de mening van verweerder hierdoor een te ruim toepassingsbereik krijgen. Anderzijds geldt de doelstelling van het voorkomen van schade voor het grondgebied van de gehele provincie, hetgeen voor verweerder reden is om door middel van het aanwijzingsbesluit het bejagen van de vos voor alle jachtaktehouders mogelijk te maken, zij het alleen overdag.

Verweerder is voorts van mening dat door de jacht op vossen in en rond speciale beschermingszones geen significante effecten in de zin van art. 6 lid 3 Habitatrichtlijn optreden. Uit de eerder aangehaalde praktijkervaringen is gebleken, dat de effecten op weidevogels van de nachtelijke jacht op vossen zeer gering zijn. Voorts dienen jachtaktehouders zich, op grond van de aan het aanwijzingsbesluit en de ontheffing verbonden voorschriften, van te voren te melden bij het Team Landelijk Gebied (aanwijzingsbesluit) dan wel bij de instanties (Staatsbosbeheer, It Fryske Gea, Natuurmonumenten) die de natuurgebieden beheren (ontheffing), zodat op grond van voorafgaand overleg cumulatie van jachtactiviteiten kan worden voorkomen.

Ten aanzien van de eerste vraag is de voorzieningenrechter van oordeel dat door verweerder afdoende is gemotiveerd waarom gebruik is gemaakt van zowel de bevoegdheid op grond van art. 67 Ffw, als van de bevoegdheid op grond van art. 68 Ffw.

Ten aanzien van de tweede vraag overweegt de voorzieningenrechter dat het begrip 'significant', zoals dit voorkomt in art. 6 lid 3 Habitatrichtlijn, in kwalitatieve zin moet worden uitgelegd, hetgeen betekent dat het moet gaan om gevolgen die van betekenis zijn in het licht van de beschermingsdoelstellingen van de Habitat- of Vogelrichtlijn. Dit impliceert dat het om gevolgen moet gaan die in negatieve zin van betekenis kunnen zijn voor de instandhouding van de desbetreffende beschermde diersoorten en hun leefgebieden. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet aannemelijk is geworden dat zich dusdanige gevolgen zullen voordoen. Gelet hierop kan de vraag of het nemen van een aanwijzingsbesluit op grond van art. 67 Ffw en/of het verlenen van een ontheffing op grond van art. 68 Ffw kan worden beschouwd als een plan of project in de zin van art. 6 lid 3 Habitatrichtlijn, in het midden worden gelaten.

Op grond van al het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat verweerder bevoegd moet worden geacht tot het nemen van de bestreden besluiten en dat niet gezegd kan worden dat van deze bevoegdheid niet in redelijkheid gebruik is gemaakt op de wijze zoals neergelegd in de bestreden besluiten. Dit betekent dat de bezwaarschriften van verzoekster naar verwachting ongegrond zullen worden verklaard, zodat er geen reden is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. D.J. Keur, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2003 in tegenwoordigheid van F.P. Dillingh als griffier.

w.g. F.P. Dillingh

w.g. D.J. Keur

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: 27 maart 2003