Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2003:AF5728

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
13-03-2003
Datum publicatie
13-03-2003
Zaaknummer
57241 KG ZA 03-72
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector civiel recht

afdeling handelsrecht

Korte Gedingen

Uitspraak: 13 maart 2003

Kort-geding-nummer: 57241 KG ZA 03-72

VONNIS

van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Leeuwarden, in het kort geding van:

1. de besloten vennootschap

BOUWBEDRIJVEN BEHEER NOORD B.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

2. de besloten vennootschap

BOUWBEDRIJVEN BEHEER OOST B.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

eisers, hierna te noemen: de Bouwbedrijven,

procureur: mr. P. Tuinman,

advocaat: mr. A.A. Westers te Groningen,

tegen

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde, hierna te noemen: ING Bank,

procureur: mr. R.S. van der Spek.

PROCESGANG

De Bouwbedrijven hebben ING Bank in kort geding doen dagvaarden tegen de openbare zitting van 11 maart 2003.

De Bouwbedrijven hebben toen op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd dat de rechter bij vonnis, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, ING Bank zal veroordelen de roerende zaken -bouwmaterialen zoals vermeld in punt 5 van de dagvaarding- van de Bouwbedrijven af te geven binnen 48 uur na betekening van dit vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom van 10.000,00 euro voor iedere dag dat ING Bank hieraan geen gevolg geeft, althans een zodanige veroordeling als de voorzieningenrechter in goede justitie zou menen te behoren, met veroordeling van ING Bank in de kosten van het geding.

Vervolgens hebben partijen hun standpunten nader doen toelichten door hun advocaat respectievelijk procureur, waarbij de advocaat van de Bouwbedrijven mede aan de hand van pleitnotities het woord heeft gevoerd. ING Bank heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de Bouwbedrijven, met veroordeling van de Bouwbedrijven in de kosten van het geding.

De Bouwbedrijven hebben met goedvinden van ING Bank producties in het geding gebracht.

Na voortgezet debat hebben partijen vonnis gevraagd. De rechter doet heden uitspraak op basis van het griffiedossier, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

RECHTSOVERWEGINGEN

Vaststaande feiten

In dit kort geding gelden onder meer de navolgende feiten als vaststaand.

1.1. Op 28 november 2002 is Aannemingsmaatschappij Westerbaan B.V., hierna te noemen Westerbaan, in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. R. Verdonk te Heerenveen tot curator. ING Bank heeft een vordering op Westerbaan welke per datum faillissement ruim drie miljoen euro bedraagt, exclusief rente, provisie en kosten. Tot zekerheid van voldoening van haar vordering heeft ING Bank van Westerbaan het recht van hypotheek op enige bedrijfspanden verkregen, alsmede het stil pandrecht op de bedrijfsuitrusting en voorraden van Westerbaan.

1.2. In de aanloop van het faillissement heeft Westerbaan vele nog lopende aannemingsovereenkomsten beëindigd. De daarmee samenhangende opdrachten zijn vervolgens nog voor het faillissement door de desbetreffende opdrachtgevers opnieuw verstrekt aan onder meer de Bouwbedrijven. De Bouwbedrijven zijn grotendeels in handen van de heer [naam best[naam bestuurder], tevens bestuurder en grootaandeelhouder van Westerbaan.

1.3. Vanaf eind november 2002 maken de Bouwbedrijven krachtens een overeenkomst met de curator gebruik van de bedrijfspanden en roerende zaken van Westerbaan, tegen betaling van een maandelijkse vergoeding. De Bouwbedrijven zijn krachtens de overeenkomst met de curator tevens bevoegd om de aan Westerbaan in eigendom toebehorende bouwmaterialen te verbruiken. Met de curator is de afspraak gemaakt dat de Bouwbedrijven (de heer [naam bestuurder]) de door hen verbruikte bouwmaterialen van Westerbaan zouden administreren.

1.4. ING Bank is thans bezig haar zekerheden uit te winnen. Hiertoe heeft zij de bedrijfspanden van Westerbaan, die in gebruik zijn bij de Bouwbedrijven, afgesloten. Op 14 februari 2003 heeft ING Bank verlof gevraagd aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank tot afgifte van de verpande roerende zaken. Nadat de voorzieningenrechter het verlof had gegeven, heeft ING Bank aangekondigd tot veiling van de verpande roerende zaken over te gaan op 13 maart 2003.

Het geschil en de beoordeling daarvan

2. De Bouwbedrijven hebben aangevoerd, dat zij na het faillissement van Westerbaan bouwmaterialen hebben besteld bij onder meer Haquebord Staalbuizen, Miedema Hout, IJzerhandel J.M. Raadsma Dokkum B.V., Dikema Staal Nederland B.V., Pontmeijer Bouwmaterialen en Auke Rouwerda B.V. Het betreft met name hout en ijzer. Deze bouwmaterialen zijn vervolgens (na het faillissement van Westerbaan) aan de Bouwbedrijven geleverd. Levering heeft plaatsgevonden op het adres van de bedrijfspanden van Westerbaan, van welke bedrijfspanden de Bouwbedrijven krachtens een overeenkomst met de curator gebruik maken, maar welke panden inmiddels door de ING Bank zijn afgesloten. De Bouwbedrijven vorderen thans afgifte van deze aan hen in eigendom toebehorende bouwmaterialen.

3.1. De rechter stelt vast, dat er in de bedrijfspanden van Westerbaan hoeveelheden bouwmateriaal liggen, waarvan voor het overgrote deel niet makkelijk valt vast te stellen op wiens bestelling ze zijn geleverd. Deze bouwmaterialen zijn ofwel besteld door Westerbaan vóór haar faillissement, ofwel door de Bouwbedrijven na het faillissement van Westerbaan. Partijen zijn het er over eens dat deze laatste categorie bouwmaterialen aan de Bouwbedrijven dient te worden afgegeven.

3.2. ING Bank heeft erkend, dat een partij merantihout met vingerlas en met originele (verpakkings)band, alsmede een ongeveer 15 meter lange metalen balk met draadijzers door de Bouwbedrijven zijn besteld na het faillissement van Westerbaan en dat deze roerende zaken dan ook in eigendom toebehoren aan de Bouwbedrijven. In zoverre is de vordering strekkende tot afgifte van roerende zaken dan ook toewijsbaar.

3.3. Voor het overige heeft ING Bank aangevoerd, dat de hoeveelheden bouwmateriaal qua afkomst en qua koper niet identificeerbaar zijn.

De rechter constateert dat de Bouwbedrijven een aantal facturen in het geding hebben gebracht teneinde aan te tonen dat zij bouwmaterialen hebben besteld na het faillissement van Westerbaan. Naar het oordeel van de rechter geven deze facturen echter geen definitief uitsluitsel over de vraag of de zaken waarvan de Bouwbedrijven thans afgifte vorderen, nu juist deze door hen bestelde zaken zijn. De mogelijkheid bestaat immers dat deze zaken geheel dan wel in belangrijke mate in eigendom toebehoren aan Westerbaan. Dit is des te meer aannemelijk omdat ING Bank ter zitting onweersproken heeft gesteld, dat de Bouwbedrijven aan haar hebben medegedeeld dat zij de bouwmaterialen van Westerbaan niet of nauwelijks hebben verbruikt. Deze door Westerbaan bestelde zaken moeten dus eveneens in de bedrijfspanden van Westerbaan aanwezig zijn. Op grond van de overeenkomst met de curator waren de Bouwbedrijven ([naam bestuurder]) verplicht om de door hen verbruikte bouwmaterialen van Westerbaan te administreren. Op grond van die administratie zou wellicht meer duidelijkheid hebben kunnen bestaan omtrent de afkomst en omtrent de koper van de thans in de bedrijfspanden van Westerbaan aanwezige bouwmaterialen. Deze administratie is echter -indien en voorzover al aanwezig- niet in het geding gebracht. Omdat -behoudens wat betreft het hiervoor genoemde merantihout en de metalen balk- in het kader van dit kort geding niet aannemelijk is geworden dat de zaken waarvan de Bouwbedrijven afgifte vorderen in eigendom toebehoren aan de Bouwbedrijven, zal de vordering voor het overige worden afgewezen.

4. Wat betreft de veroordeling tot afgifte van het hiervoor bedoelde merantiehout en de metalen balk, zal de gevorderde dwangsom worden toegewezen. De rechter zal een maximum aan de te verbeuren dwangsommen verbinden. Dit laat uiteraard onverlet, dat bij voortgaande overtreding van dit kort-geding-vonnis oplegging van hogere dwangsommen kan worden gevorderd dan wel hernieuwde oplegging van dezelfde dwangsommen.

Het bedrag van zowel de dwangsom als het maximum staat in een redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

5. De Bouwbedrijven zullen als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

BESLISSING

De rechter, rechtdoende in kort geding:

1. veroordeelt ING Bank een partij merantihout met vingerlas en originele (verpakkings)band, alsmede een ongeveer 15 meter lange metalen balk met draadijzers van de Bouwbedrijven aan hen af te geven binnen 48 uur na betekening van dit vonnis;

2. bepaalt dat ING Bank een dwangsom verbeurt aan de Bouwbedrijven van 1.000,00 euro voor iedere dag dat ING Bank niet aan de sub 1 genoemde veroordeling voldoet;

3. verbindt aan de aldus te verbeuren dwangsommen en maximum van 20.000,00 euro;

4. veroordeelt de Bouwbedrijven in de kosten van het geding, aan de zijde van ING Bank begroot op 205,00 euro aan verschotten en op 705,00 euro aan salaris procureur;

5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6. wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.K.F. Hangelbroek, voorzieningenrechter, en in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 maart 2003.

fn 82