Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2003:AF5703

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
06-03-2003
Datum publicatie
04-04-2003
Zaaknummer
01/805 WRO19
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Parlementaire geschiedenis art. 19.4 WRO biedt geen aanknoping voor oordeel dat van een bestemmingsplan ouder dan twintig jaar, geen vrijstelling kan worden verleend.

Verlenen bouwvergunning en vrijstelling (19.1 WRO) voor de bouw van een sportcentrum.

De redactie van art. 19.4 WRO roept de vraag op, of het wel mogelijk is vrijstelling te verlenen van een bestemmingsplan dat, zoals i.c., ouder is dan twintig jaar, mede gelet op het bepaalde in art. 33 WRO. Op grond van art. 33.2 WRO kunnen GS immers ten hoogste voor tien jaren vrijstelling verlenen van de verplichting tot het tenminste eenmaal in de tien jaren herzien van een bestemmingsplan, zoals neergelegd in art. 33.1 WRO. In de parlementaire geschiedenis van art. 19.4 WRO zijn echter geen aanknopingspunten te vinden voor een dergelijke interpretatie. Mitsdien is er geen grond voor het oordeel dat geen gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid ex art. 19.1 WRO.

Het vrijstellingsbesluit berust niet op een kennelijk onredelijke belangenafweging.

Ongegrond beroep.

Het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland, verweerder.

mrs. C.H. de Groot, E.M. Visser, K. Post

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 01/805 WRO19

Inzake het geding tussen

A en 28 anderen, wonende te B, eisers,

gemachtigde: mr. M.T. Hoen, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp in Drachten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland, verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 3 september 2001 heeft verweerder eisers in kennis gesteld van een beslissing op bezwaar ingevolge de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en de Woningwet.

Tegen dit besluit is namens eisers beroep aangetekend. Gedeputeerde Staten van Fryslân (GS) nemen als partij deel aan dit geding.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, meervoudige kamer, gehouden op 22 oktober 2002, alwaar partijen -zoals tevoren schriftelijk was aangekondigd- niet zijn verschenen.

Motivering

Op 7 februari 2001 is door de gemeente Smallingerland een bouwvergunning aangevraagd voor de oprichting van een sportcentrum op een aantal percelen in het gebied tussen De Raai, De Leidijk en De Splitting te Drachten. In het sportcentrum zijn ondergebracht een sporthal met een tribunecapaciteit van 1.000 zitplaatsen, twee gymnastiekzalen, kleedkamers, bergingen en een kantine. De totale oppervlakte van het nieuw te bouwen sportcentrum bedraagt 3.600 m². Verder voorziet het bouw- en inrichtingsplan in de aanleg van extra parkeerplaatsen, twee sportvelden en de aanpassing van de verkeerssituatie ter plaatse.

Op 13 maart 2001 (verzonden op 16 maart 2001) heeft verweerder besloten om aan de gemeente Smallingerland een bouwvergunning te verlenen voor de bouw van voormeld sportcentrum, zulks onder gelijktijdige verlening van vrijstelling van het bestemmingsplan op grond van art. 19 lid 1 WRO.

Tegen dit besluit is namens eisers bezwaar gemaakt. Eisers, die allen omwonenden zijn van de percelen waarop het bouwplan is geprojecteerd, zijn bevreesd voor parkeerproblemen in de omgeving, geluidshinder en andere overlast van het sportcentrum.

Hangende het bezwaarschrift hebben eisers de president van de rechtbank verzocht om op grond van art. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 1 juni 2001 (reg. nr. 01/429 WRO19) heeft de president het besluit van 13 maart 2001 geschorst, omdat het vrijstellingsbesluit onbevoegd was genomen door burgemeester en wethouders.

Op 21 juni 2001 heeft verweerder het besluit van 13 maart 2001 herroepen. Voorts heeft verweerder bij brief van dezelfde datum, verzonden op 22 juni 2001, eisers meegedeeld dat opnieuw vrijstelling op grond van art. 19 lid 1 WRO en een bouwvergunning is verleend voor de bouw van bovengenoemd sportcentrum.

Tegen dit besluit is namens eisers opnieuw bezwaar gemaakt. Bij het thans bestreden besluit van 3 september 2001 heeft verweerder het bezwaarschrift van eisers ongegrond verklaard. Het op 20 augustus 2001 ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is door de president van de rechtbank afgewezen bij uitspraak van 18 september 2001 (reg.nr. 01/720 WRO19).

De rechtbank overweegt ten aanzien van het beroep in de hoofdzaak als volgt.

In art. 44 Woningwet is bepaald dat de bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan, de bouwverordening of het Bouwbesluit, of indien het bouwplan naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, dan wel indien voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.

Het bouwplan is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan “De Venen”, zoals dat is vastgesteld op 1 maart 1977 en is goedgekeurd door GS op 24 oktober 1977. Op de betreffende percelen rust thans in hoofdzaak de bestemming “Bijzondere doeleinden –scholen- met bijbehorende erven (BDS)”en “Sportterrein (RSP)”. Kleinere oppervlaktes zijn bestemd voor openbaar gebied en groen.

Als gebruik wordt gemaakt van de vrijstellingsbevoegdheid van art. 19 WRO vormt art. 44 aanhef en onder c Woningwet -op grond waarvan de bouwvergunning moet worden geweigerd bij strijd van het bouwplan met het bestemmingsplan of krachtens dit plan gestelde eisen- geen belemmering meer voor de inwilliging van de bouwaanvraag.

Op grond van art. 19 lid 1 WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Art. 19 lid 4 WRO bepaalt dat vrijstelling krachtens het eerste lid niet wordt verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor (a) het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig art. 33 lid 1 WRO is herzien of (b) geen vrijstelling overeenkomstig art. 33 lid 2 WRO is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de vraag of voor de toepassing van art. 19 lid 4 WRO betekenis toekomt aan het gegeven dat het geldende bestemmingsplan ouder is dan twintig jaar, als volgt.

De redactie van art. 19 lid 4 WRO roept de vraag op, of het wel mogelijk is vrijstelling te verlenen van een bestemmingsplan dat ouder is dan twintig jaar, mede gelet op het bepaalde in art. 33 WRO. Op grond van het tweede lid van laatstgenoemd artikel kunnen gedeputeerde staten immers ten hoogste voor de duur van tien jaren vrijstelling verlenen van de verplichting tot het tenminste eenmaal in de tien jaren herzien van een bestemmingsplan, zoals neergelegd in art. 33 lid 1 WRO. De toepassing van art. 19 lid 4 WRO zou op grond hiervan beperkt geacht kunnen worden tot bestemmingsplannen die niet ouder zijn dan twintig jaar.

In de parlementaire geschiedenis van art. 19 lid 4 WRO, dat bij wege van amendement in de wet is opgenomen, zijn echter geen aanknopingspunten te vinden voor een dergelijke interpretatie. Het tekstvoorstel vervangt een amendement op grond waarvan aan de gemeenten in alle gevallen de mogelijkheid zou worden ontnomen om gebruik te maken van de zelfstandige projectprocedure indien het bestemmingsplan niet tijdig is geactualiseerd (Kamerstukken II, 25311, nr. 33). In de toelichting op het amendement wordt echter slechts tot uitdrukking gebracht dat het tijdig actualiseren van bestemmingsplannen noodzakelijk is (Kamerstukken II, 25311, nr. 46, p. 2).

De omstandigheid dat het geldende bestemmingsplan ouder is dan twintig jaar, geeft naar het oordeel van de rechtbank derhalve geen grond voor het oordeel dat geen gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid ex art. 19 lid 1 WRO.

Ook voor het overige is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten tijde van het bestreden besluit bevoegd was tot het verlenen van vrijstelling van het geldende bestemmingsplan. De raad van Smallingerland heeft op 5 september 2000 een voorbereidingsbesluit ex art. 21 WRO genomen, dat met ingang van 2 oktober 2000 in werking is getreden. Uit de gedingstukken blijkt voorts, dat de gemeenteraad op 7 juni 2001 heeft besloten zijn bevoegdheid ex art. 19 lid 1 WRO inzake het project Sportcentrum en de inrichting van het gebied Raai-Splitting te delegeren aan burgemeester en wethouders.

Wanneer het gaat om een discretionaire bevoegdheid, zoals de toepassing van art. 19 lid 1 WRO, dient de bestuursrechter zich te beperken tot de vraag of kan worden gezegd dat het bestuursorgaan bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

In de ruimtelijke onderbouwing, zoals neergelegd in de "Visie sportcentrum Raai-Splitting te Drachten" van 12 juni 2000 van de gemeente Smallingerland, is aangegeven dat de beweegredenen om het sportcentrum op de onderhavige percelen te realiseren zijn gelegen in de directe relatie met de schoolsport van de scholengemeenschap Liudger en de goede bereikbaarheid vanaf het Ureterp Vallaat.

Gelet op het gegeven dat het aantal in het sportcentrum te organiseren evenementen aan een maximum zal worden gebonden, dat aan de desbetreffende vergunningen voorschiften zullen worden verbonden om parkeeroverlast in de buurt te voorkomen en dat het nabijgelegen kantorenpark Drachten als overloopgebied beschikbaar zal worden gesteld, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de komst van het sportcentrum tot geluidshinder voor de omwonenden dan wel tot onaanvaardbare parkeeroverlast zal leiden.

Gelet op de in de ruimtelijke onderbouwing opgenomen beheersaspecten van het sportcentrum, waarvan met name worden genoemd de afsluiting van de percelen na beëindiging van de avondlessen en het aanbrengen van een fysieke scheiding tussen het sportcentrum en de omliggende woningen door middel van een sloot, acht de rechtbank het evenmin aannemelijk dat er andere overlast (bijvoorbeeld vernielingen aan de tuinen van omwonenden) zal ontstaan als rechtstreeks gevolg van de komst van het sportcentrum.

Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het vrijstellingsbesluit niet berust op een kennelijk onredelijke belangenafweging.

Ten aanzien van de verleende bouwvergunning overweegt de rechtbank dat strijd met de bouwverordening of met de bepalingen van het Bouwbesluit niet is gesteld en ook overigens niet is gebleken. Evenmin zijn er aanwijzingen dat voor het bouwplan een vergunning op grond van de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist.

De rechtbank komt tot de slotsom dat het beroep van eisers ongegrond moet worden verklaard. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, voorzitter, en mrs. E.M. Visser en K. Post, rechters, en door voornoemde voorzitter in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2003, in tegenwoordigheid van F.P. Dillingh als griffier.

w.g. F.P. Dillingh w.g. C.H. de Groot

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 7 maart 2003