Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2003:AF5492

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
05-03-2003
Datum publicatie
11-03-2003
Zaaknummer
49304 HA ZA 01-890 en 49496 HA ZA 01-921
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2003/86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector civiel recht

afdeling handelsrecht

Uitspraak: 5 maart 2003

Zaak-/Rolnummers: 49304/HA ZA 01-890 en 49496/HA ZA 01-921

VONNIS

van de meervoudige handelskamer, in de gevoegde zaken van:

49304/HA ZA 01-890:

de vennootschap onder firma,

V.O.F. [P.],

gevestigd te [plaats],

en haar vennoten

S. [P.] en A. [P.]-[T.],

beiden wonende te [plaats],

appellanten,

verder gezamenlijk te noemen: [P.] (enkelvoud),

procureur: mr. A.C. Zillinger-Molenaar,

tegen

[B.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

verder te noemen: [B.],

procureur: mr. P.C. Keuning.

en

49496/HA ZA 01-921:

de besloten vennootschap

SELEKTVRACHT B.V.,

gevestigd te Utrecht,

appellante,

verder te noemen: Selektvracht,

procureur: mr V.M.J. Both,

advocaat: mr K. Weijers te Rotterdam,

tegen:

[B.],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: [B.],

procureur mr P.C. Keuning.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van de kantonrechter te Heerenveen wordt verwezen naar het tussen [B.] als eiseres en [P.] en Selektvracht als gedaagden gewezen en op

9 augustus 2001 uitgesproken vonnis onder nummer 78712/CV EXPL 00-1261. De inhoud van dat vonnis geldt als hier ingevoegd.

1.2. [P.] en Selektvracht zijn bij afzonderlijke dagvaardingen van respectievelijk 19 en 10

oktober 2001 in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis.

Bij ter rolle van 21 december 2001 genomen memorie van grieven heeft [P.] drie tegen het vonnis gerichte grieven aangevoerd en toegelicht en gevorderd dat de rechtbank het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de in eerste aanleg geformuleerde vordering alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [B.] in de kosten van de procedure in beide instanties.

Bij ter rolle van 3 april 2002 genomen memorie van grieven heeft Selektvracht acht tegen het vonnis gerichte grieven aangevoerd en toegelicht en gevorderd dat de rechtbank het bestreden vonnis zal vernietigen, en, opnieuw rechtdoende, de in eerste aanleg geformuleerde vordering alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [B.] in de kosten van de procedure in beide instanties.

1.3. [B.] heeft bij ter rolle van 15 mei 2002 genomen memories van antwoord -kort gezegd- het door [P.] c.q. Selektvracht in hoger beroep gevorderde bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis, een en ander met veroordeling van [P.] en Selektvracht in de kosten van de procedure in beide instanties, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

1.4. Op 3 oktober 2002 heeft er in de zaak 49496/HA ZA 01-921 pleidooi plaatsgevonden, waarbij Selektvracht en [B.] ieder een pleitnota hebben overgelegd.

1.5. Uitspraak in de (ter rolle van 19 december 2001) gevoegde zaken is -nader- bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid

De hoger beroepen zijn tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [P.] en Selekvracht in zoverre daarin kunnen worden ontvangen.

3. De grieven

Voor de grieven en de daarop gegeven toelichtingen wordt verwezen naar de respectievelijke memories van grieven, die als hier ingelast moeten worden beschouwd.

4. Waarvan in de hoger beroepen wordt uitgegaan

De rechtbank neemt de feiten zoals door de kantonrechter vastgesteld tot uitgangspunt, nu tegen die vaststelling geen bezwaren zijn gemaakt.

5. De beoordeling

5.1. De kantonrechter te Heerenveen heeft bij het bestreden (tussen-)vonnis aan [P.] en Selektvracht opgedragen te bewijzen dat zij ten aanzien van het op 6 mei 1999 aan [B.] overkomen ongeval aan hun zorgverplichting ex artikel 7: 658 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) hebben voldaan, althans dat het ongeval en de eventueel daaruit voortvloeiende schade in belangrijke mate het gevolg is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van [B.].

5.2. Aan voormelde beslissing ligt ten grondslag het oordeel van de kantonrechter dat op [P.] en Selektvracht vorenbedoelde zorgverplichting rustte, omdat op grond van de stukken aannemelijk is te achten dat [B.] op 6 mei 1999 binnen het bedrijf van [P.] en/of Selektvracht "werkzaam" is geweest in de zin van artikel 7: 658 BW.

Volgens de kantonrechter is het daarbij niet doorslaggevend op grond van welke rechtsverhouding met [P.] en/of Selektvracht [B.] werkzaam was, omdat de in artikel 7: 658 BW geformuleerde zorgplicht en aansprakelijkheid niet alleen gelden voor de werkgever die krachtens arbeidsovereenkomst werkzaamheden laat verrichten, maar -ingevolge lid 4 van dat wetsartikel- evenzeer (en op gelijke voet) voor degene die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft.

Evenmin is volgens de kantonrechter relevant of [B.] op eigen initiatief, vrijblijvend of op eigen risico handelde, in welk verband de kantonrechter heeft overwogen dat het in het kader van het "meelopen" normaal is dat de bezigheden van [B.] zich verder hebben uitgestrekt dan het met de handen op de rug toezien hoe anderen het werk uitvoerden, dat zijdens [P.] en Selektvracht geen bezwaar bestond tegen de aanwezigheid van [B.], dat [P.] en Selektvracht er belang bij hadden dat "mensen als [B.]" in hun bedrijf meeliepen en dat niet was voorgeschreven welke werkzaamheden [B.] wel en niet mocht verrichten.

5.3. Met hun grieven komen [P.] en Selektvracht op tegen voormelde beslissing en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen.

5.4. Volgens Selektvracht mist artikel 7: 658 BW in het onderhavige geval toepassing, omdat er op de dag van het ongeval geen sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen haar en [B.] en zij derhalve niet als werkgever van [B.] was (en is) aan te merken, terwijl op de dag van het ongeval evenmin sprake was van de in artikel 7: 658 lid 4 BW bedoelde werksituatie.

Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis heeft Selektvracht betoogd dat laatstgenoemde bepaling niet de strekking heeft om alle gevallen waarin een persoon werkzaamheden (heeft) verricht voor een ander met wie hij (nog) geen mondelinge of schriftelijke arbeidsovereenkomst heeft gesloten onder de werking van artikel 7: 658 leden 1 en 2 BW te brengen, maar dat zulks beperkt is tot drie-partijen-relaties, in het bijzonder uitzend- en inleenovereenkomsten, danwel tot specifieke twee-partijen-relaties, zoals bepaalde stageovereenkomsten.

Ten aanzien van [B.] was volgens Selektvracht van het een noch het ander sprake.

In dat verband heeft Selektvracht nog aangevoerd dat door of namens haar aan [B.] geen opdracht is gegeven of een overeenkomst is gesloten tot het verrichten van werkzaamheden. [B.] heeft uit eigen beweging en voor eigen risico besloten om een handje te helpen door een rolcontainer voor de bij Selektvracht in dienst zijnde mevrouw Woudstra, met wie zij die dag zou meerijden, naar de (bestel)auto te brengen, maar een dergelijke feitelijkheid valt volgens Selektvracht niet onder het bereik van meergenoemd artikel 7: 658 lid 4 BW.

5.5. De bezwaren van [P.] richten zich met name tegen de overweging van de kantonrechter dat [B.] (mede) binnen het bedrijf van [P.] werkzaam is geweest.

Daarvan was volgens [P.] geen sprake, omdat de activiteiten van de bestellers en de aspirant-bestellers uitsluitend plaatsvonden binnen en ten behoeve van de onderneming van Selektvracht. Als depothoudster van Selektvracht voerde zij geen zelfstandige onderneming, terwijl de bestellers noch bij haar in (loon-)dienst werkzaam waren noch door Selektvracht bij haar gedetacheerd of uitgeleend waren. Nu er aldus geen sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen [P.] en [B.] -[B.] liep nogmaals mee om te beoordelen of ze als bestelster in dienst van Selektvracht wilde treden- en [P.] [B.] evenmin binnen haar eigen beroep of bedrijf arbeid heeft laten verrichten, is volgens [P.] artikel 7: 658 BW ten deze niet van toepassing en is aan haar, [P.], ten onrechte de bestreden bewijsopdracht opgelegd.

5.6. [B.] heeft tegenover voormelde betogen van Selektvracht en [P.] als haar primaire stelling gehandhaafd dat 6 mei 1999, de dag van het ongeval, haar eerste werkdag in dienst van Selektvracht was. Volgens [B.] had zij voorafgaande aan die dag een tweetal dagen meegelopen met een besteller van Selektvracht en na afloop van de tweede "meeloop-dag" besloten in dienst te treden van Selektvracht, hetgeen zij aan de depothoudster [P.] had meegedeeld. Uit hoofde van die arbeidsverhouding rust(te) op Selektvracht de hiervoor bedoelde zorgplicht en aansprakelijkheid. Volgens [B.] rust(te) bedoelde zorgplicht en aansprakelijkheid mede op [P.], omdat [P.] de feitelijk c.q. materiële werkgever van de bestellers was. [B.] heeft in dat kader nog aangevoerd dat tot de eigen bedrijfsactiviteiten van [P.] tevens behoorde het exploiteren van pakketdiensten, dat [P.] ook feitelijk de bestellers opriep en dat in de afroepovereenkomsten uitdrukkelijk bepaald is dat de besteller met inachtneming van de door Selektvracht of haar depothouders te verstrekken werkinstructies en tilinstructies zal werken.

Voorzover geen sprake zou zijn van een tussen haar en Selektvracht bestaande arbeidsovereenkomst, zijn volgens [B.] Selektvracht en [P.] jegens haar aansprakelijk op grond van meergenoemd vierde lid van artikel 7: 658 BW, omdat zij op 6 mei 1999 in ieder geval feitelijk werkzaamheden voor hen heeft verricht welke gewoonlijk door de bestellers werden uitgevoerd.

5.7. De rechtbank constateert dat de kantonrechter in het midden heeft gelaten of [B.]

op de dag van het ongeval in het kader van een, door tussenkomst van [P.], met Selektvracht gesloten arbeidsovereenkomst in het betreffende depot aanwezig was, zoals [B.] primair had gesteld en Selektvracht en [P.] hadden betwist, danwel dat [B.] daar aanwezig was om (nogmaals) met een besteller mee te lopen om aldus kennis te maken met de aard en inhoud van het werk als besteller en te beoordelen of zij (ook) in die functie in dienst zou willen treden, zoals [P.] en Selektvracht hadden aangevoerd maar zijdens [B.] werd ontkend.

Volgens de kantonrechter is het antwoord op de vraag of [B.] zich in het depot ophield als net in dienst getreden werkneemster, danwel als "meelopende" aspirant-werkneemster niet relevant, omdat in beide gevallen sprake is van een op Selektvracht en [P.] drukkende zorgplicht als bedoeld in artikel 7: 658 lid 1 BW.

5.8. De rechtbank onderschrijft voormelde conclusie van de kantonrechter niet.

Voor beoordeling van de vraag of in een concreet geval grond bestaat voor het aannemen van op de werkgever of "pseudo werkgever" drukkende zorgplicht uit hoofde van artikel 7: 658 BW,

is van belang of degene die in het kader van zijn beroep of bedrijf werkzaamheden laat verrichten zeggenschap heeft of geacht kan worden te hebben over de te verrichten werkzaamheden en/of de betreffende werknemer of "pseudo werknemer" gehouden is om die werkzaamheden te verrichten. In -de combinatie van- vorenbedoelde omstandigheden is immers -bij uitstek- de rechtvaardiging van de ruime aansprakelijkheidsstelling uit hoofde van meergenoemde, in Titel 10 van het Burgerlijk Wetboek (inhoudende regels die betrekking hebben op de arbeidsovereenkomst) opgenomen bepaling gelegen.

5.9. De omstandigheid dat lid 4 van artikel 7: 658 BW het toepassingsbereik van de in leden 1 en 2 van dat wetsartikel geregelde zorgplicht en (werkgevers-)aansprakelijkheid voor, kort gezegd, de veiligheid van de werkomgeving aanzienlijk verruimt, laat derhalve onverlet dat het relevant is dat -eerst- vastgesteld wordt in welke hoedanigheid c.q. op grond van welke rechtsbetrekking [B.] op 6 mei 1999 in het betreffende depot aanwezig was.

Daartoe bestaat ten deze temeer aanleiding, omdat indien aangenomen zou moeten worden dat [B.] op 6 mei 1999 (nogmaals) "meeliep" met een besteller van Selektvracht, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond bestaat voor het aannemen van de in voormelde wetsbepaling bedoelde zorgplicht aan de zijde van Selektvracht en/of [P.].

In een dergelijke situatie, waarbij de nadruk ligt op het -gedurende korte tijd en op vrijblijvende wijze- kennis maken met en uitleg krijgen over de aard en inhoud van een mogelijk te aanvaarden functie en waarbij er geen verplichting bestaat de bij die functie behorende werkzaamheden (al) uit te voeren, kan bezwaarlijk gesproken worden van zeggenschap over en een verplichting tot het verrichten van werkzaamheden. [B.] heeft ook niet, althans onvoldoende gesteld dat zij (al) in het kader van het "meelopen" specifieke werkopdrachten ontving.

Dat het, aldus de kantonrechter, normaal te achten is dat de in het kader van "meelopen" te verrichten werkzaamheden zich verder uitstrekken dan het met de handen op de rug toezien hoe anderen het werk uitvoeren, kan -wat er verder ook zij van die "vaststelling" van de kantonrechter- aan het voorgaande onvoldoende afdoen en betekent niet dat er een zorgplicht als hiervoor bedoeld is ontstaan. Hetzelfde geldt voor de overige door de kantonrechter vermelde, en hiervoor onder 5.2 gememoreerde omstandigheden.

De ten deze mogelijkerwijze aan de orde zijnde situatie van "meelopen" valt derhalve naar het oordeel van de rechtbank buiten het bereik van artikel 7: 658 BW, en gelet daarop is in die situatie geen plaats voor een bewijsopdracht als door de kantonrechter gegeven.

5.10. Zulks is anders indien aangenomen zou moeten worden dat op 6 mei 1999 tussen partijen sprake was van een arbeidsovereenkomst. De aard van die overeenkomst, als ook de tekst van lid 1 van artikel 7: 658 BW brengt immers mee dat alsdan zonder twijfel sprake is van een op de werkgever drukkende zorgplicht. In dat geval bestaat er wel grond voor de door de kantonrechter gegeven bewijsopdracht en is het aan de werkgever om aan te tonen dat hij zijn zorgplicht is nagekomen of dat de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [B.].

In dat kader is ook relevant dat vastgesteld wordt, hetgeen de kantonrechter eveneens heeft nagelaten, of [P.], naast Selektvracht, als mede-werkgever jegens [B.] heeft te gelden danwel dat [P.] louter als "hulppersoon" van Selektvracht dient te worden aangemerkt. In het laatste geval is er geen grond voor het mede aansprakelijk houden en een bewijslevering aan de zijde van [P.], althans niet op basis van artikel 7: 658 BW waarop [B.] haar schadevordering heeft gegrond.

5.11. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kantonrechter te voorbarig is geweest met het verstrekken van de ten processe bedoelde bewijsopdracht aan Selektvracht en [P.] en dat het bestreden tussenvonnis niet in stand kan blijven.

[B.] zal, zoals uit het vorenstaande voortvloeit, eerst bewijs dienen bij te brengen van haar, door Selektvracht en [P.] gemotiveerd bestreden primaire stelling dat zij op 6 mei 1999 in loondienst was van Selektvracht en dat zij toen haar eerste werkdag aanving. Tevens ligt het op de weg van [B.] om aan te tonen (te bewijzen) dat [P.] jegens haar als mede-werkgever heeft te gelden.

Met het oog op die bewijsleveringen en de daarna verder te nemen beslissingen zal de rechtbank de zaak terugverwijzen naar de kantonrechter. Gelet daarop is in dit hoger beroep geen plaats voor (algehele) afwijzing van de schadevordering van [B.], zoals door Selektvracht en [P.] tevens is gevorderd.

5.12. Als de voor het merendeel in het ongelijk gestelde partij, wordt [B.] verwezen in de kosten van dit hoger beroep.

BESLISSING in de gevoegde zaken:

De rechtbank:

vernietigt het tussen partijen gewezen en op 9 augustus 2001 uitgesproken vonnis onder nummer 78712/CV EXPL 00-1261 van de kantonrechter te Heerenveen voorzover daarbij aan Selektvracht en [P.] bewijs is opgedragen als in dat vonnis vermeld;

verwijst de zaak terug naar de kantonrechter te Heerenveen ter verdere behandeling en beslissing, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen;

veroordeelt [B.] in de kosten van deze hoger beroepen, aan de zijde van Selektvracht begroot op 257,53 euro aan verschotten en 1.170,00 euro aan salaris procureur en aan de zijde van [P.] begroot op 257,53 euro aan verschotten en 585,00 euro aan salaris procureur;

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskosten gevallen aan de zijde van Selektvracht, uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door de rechters mrs. J. de Vroome als voorzitter, C.M. Telman en H.K. Scholtens en door de rolrechter in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2003.

fn 367