Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2003:AF4952

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
25-02-2003
Datum publicatie
25-02-2003
Zaaknummer
03/149 WET & 03/150 WET
Formele relaties
Op verzet tegen : ECLI:NL:RBLEE:2003:AF3393
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nrs.: 03/149 & 03/150 WET

Inzake de gedingen tussen

1. de familie [verzoekers sub 1] ([man en vrouw] + 2 kinderen),

2. de familie [verzoekers sub 2] ( [man en vrouw] + 5 kinderen),

verblijvende te Nes (Ameland), verzoekers,

gemachtigden: mr. E.J.M. Klip, advocaat te Lekkerkerk en mr. M.Timmer, advocaat te Den Haag,

en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), verweerder,

gemachtigden: mr. M.F. van der Hoeven-Abbekerk en mr. D. Nobel, advocaten te Den Haag.

Procesverloop

Bij brieven van 10 januari 2003 heeft verweerder verzoekers mededeling gedaan van besluiten betreffende de overplaatsing van verzoekers naar een ander asielzoekerscentrum (AZC), namelijk het AZC in Kollum, in verband met sluiting van de aanvullende opvangvoorzieningen op Ameland.

Namens verzoekers zijn tegen deze besluiten bij verweerder bezwaarschriften ingediend. Tevens hebben verzoekers bij brieven van 13 januari 2003 aan de voorzieningenrechter gevraagd om ingevolge art. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaken een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 27 januari 2003 heeft de voorzieningenrechter de verzoeken afgewezen.

Bij brieven van 9 februari 2003 hebben verzoekers zich opnieuw tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen.

De verzoeken zijn ter zitting behandeld op 18 februari 2003. Partijen zijn bij hun gemachtigden verschenen.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de verzoeken overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekers te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorzieningen.

Voor zover de beoordeling van de verzoeken met zich brengt dat de geschillen in de hoofdzaak worden beoordeeld heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan verzoeken als de onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat de bezwaren tegen de aangevallen besluiten gegrond verklaard zullen moeten worden.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Verzoekers maken deel uit van een groep van personen, vooral gezinnen met kinderen, die, in afwachting van de behandeling van hun asielaanvragen, verbleef, en deels nog verblijft, in aanvullende opvanglocaties (hierna AVO's te noemen) op Ameland, te weten de AVO's Zeewind en De Jong te Nes en de AVO De Hoop te Hollum. Bij besluiten van 10 januari 2003 zijn deze asielzoekers overgeplaatst naar de asielzoekerscentra te Kollum, Drachten, Burgum en Dokkum.

Namens 17 families, waaronder verzoekers, is tegen deze overplaatsingsbesluiten bezwaar gemaakt bij verweerder. Daarnaast is namens die families op 13 januari 2003 aan de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, te weten schorsing van de overplaatsingsbesluiten. Bij uitspraak van 27 januari 2003, waarnaar hierbij kortheidshalve wordt verwezen, heeft de voorzieningenrechter de verzoeken afgewezen. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat verweerder bij het nemen van de bestreden besluiten niet op onredelijke wijze gebruik heeft gemaakt van zijn overplaatsingsbevoegdheid.

Namens verzoekers, die zijn overgeplaatst naar het AZC Kollum, is bij brieven van 9 februari 2003 opnieuw een voorlopige voorziening gevraagd. Gesteld is dat er een nieuwe situatie is ontstaan, in het bijzonder, omdat gebleken is dat het AZC Kollum per juli 2003 zal sluiten.

De voorzieningenrechter overweegt dat, gelet op de eerdere uitspraak van 27 januari 2003, in het onderhavige geding beoordeeld moet worden of er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die maken dat het treffen van een voorlopige voorziening thans wel is vereist.

Verzoekers stellen dat het feit dat na de uitspraak van 27 januari 2003 door verweerder is besloten om het AZC Kollum in juli 2003 te sluiten, een nieuwe omstandigheid vormt die in het kader van de bezwaarprocedure zal moeten worden meegewogen en die zal moeten leiden tot het gegrond verklaren van het bezwaar van verzoekers, omdat door deze nieuwe omstandigheid de belangenafweging die ten grondslag ligt aan het overplaatsingsbesluit anders uitvalt. Overigens zijn verzoekers van mening dat verweerder de rechtbank ten aanzien van de datum van sluiting van het AZC Kollum heeft misleid, omdat tijdens de zitting op 22 januari 2003 al bekend was dat dit centrum in juli 2003 zou worden gesloten, zoals verzoekers toen ook al hadden gesteld. Verzoekers voeren verder aan dat ook de vorming van een steunfonds een nieuwe omstandigheid is; inmiddels zijn door derden financiële toezeggingen gedaan die het mogelijk maken dat zij tot de komende zomer in de AVO's op Ameland kunnen blijven wonen. Verweerder heeft daarom geen enkel financieel belang meer bij hun overplaatsing. Daarbij komt dan nog dat de stichting Inlia uit Groningen zeer waarschijnlijk de verantwoordelijk voor de asielzoekers op Ameland van verweerder zal overnemen, zodat ook daarin geen argument meer kan zijn gelegen om de overplaatsing te laten doorgaan.

Verweerder betwist in de eerste plaats dat sprake is van een nieuw, rechtens relevant feit, omdat de eventuele sluiting van het AZC Kollum op de zitting van 22 januari 2003 al uitdrukkelijk aan de orde is geweest. Namens verweerder is bij die gelegenheid betwist dat dit centrum binnen drie maanden zou worden gesloten en is desgevraagd meegedeeld dat het centrum niet binnen zes tot twaalf maanden de deuren zou sluiten, zonder dat daarover overigens garanties zouden kunnen worden gegeven. Inmiddels is besloten om het AZC per 1 september en niet al in juli 2003 te sluiten. Volgens verweerder was het ten tijde van de zitting van 22 januari 2003 nog in het geheel niet duidelijk welke AZC's uiteindelijk zouden worden gesloten en is de mededeling dat het AZC Kollum in elk geval niet binnen zes tot twaalf maanden zou worden gesloten, correct geweest. Op grond daarvan is de mogelijke sluiting van dit centrum op een termijn van (tenminste) zes maanden al bij de beoordeling van de vorige zaak betrokken geweest. Subsidiair meent verweerder dat, ook als wel sprake zou zijn van een nieuw feit, de bestreden besluiten de redelijkheidstoets kunnen doorstaan.

De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent het volgende.

Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een nieuw, rechtens relevant feit is in de eerste plaats van belang dat uit de primaire besluiten van 10 januari 2003 niet blijkt dat verweerder er destijds mee rekening heeft gehouden dat het AZC Kollum, waar verzoekers naartoe werden overgeplaatst, al op afzienbare termijn zou worden gesloten. Dit blijkt evenmin uit de voorgeschiedenis van het primaire besluit waarin namens onder meer verzoekers de vrees is geuit dat het AZC Kollum al snel zou worden gesloten. Verweerder heeft in dat stadium volstaan met de ontkenning van dat gerucht. Tijdens de zitting van 22 januari 2003 is namens verweerder opnieuw ontkend dat dit centrum op korte termijn zou worden gesloten. Op die zitting is namens verweerder desgevraagd ook gezegd dat sluiting binnen een periode van zes tot twaalf maanden niet werd verwacht, waarbij erop werd gewezen dat het contract met de gemeente Kollumerland nog tot het eind van 2003 loopt.

De voorzieningenrechter heeft bij zijn beoordeling in de vorige zaak dan ook betrokken dat verweerder er ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten nog geen weet van had welke AZC's in de toekomst mogelijk zouden worden gesloten. Onder die omstandigheden kon bij de beoordeling van de vraag of verweerder in redelijkheid de bestreden besluiten van 10 januari 2003 kon nemen, verweerder niet worden tegengeworpen dat men verzoekers naar een AZC wilde overplaatsen dat op afzienbare termijn zou worden gesloten, ook al was die mogelijkheid niet uitgesloten. Nu verweerder het bestreden besluit dient te heroverwegen, dient daarbij ook te worden betrokken dat nu wel definitief vast staat dat het AZC Kollum op 1 september 2003 zal worden gesloten. Dit is een nieuwe omstandigheid die rechtens relevant is en daarom evenzeer van belang is bij de beoordeling van de in deze zaak voorliggende verzoeken.

De voorzieningenrechter verwerpt de stelling van verweerder dat de overplaatsing naar het AZC Kollum niet bij de heroverweging kan worden betrokken, maar pas aan de orde kan komen bij de beoordeling van het besluit dat zal worden genomen om verzoekers vanuit Kollum over te plaatsen naar een ander AZC. Immers, de bestreden besluiten betreffen niet enkel het vertrek van verzoekers van Ameland, maar ook hun overplaatsing naar het AZC Kollum, waartegen verzoekers ook bezwaar hebben gemaakt. In heroverweging zal verweerder dan ook deze bezwaren moeten beoordelen, rekening houdend met de omstandigheid dat nu vast staat dat het AZC Kollum per 1 september 2003 zal worden gesloten.

Het betoog van verzoekers dat ook de realisatie van een steunfonds en de tussenkomst van de stichting Inlia nieuwe omstandigheden zijn, wordt niet door de voorzieningenrechter gevolgd. Nog daargelaten het feit dat in dit stadium nog niet kan worden overzien hoe concreet en realistisch deze nieuwe ontwikkelingen zijn, moet worden vastgesteld dat de door verzoekers beoogde schorsing van de bestreden besluiten verweerder niet zal ontslaan van zijn verantwoordelijkheid voor verzoekers en de daarmee samenhangende financiële verplichtingen. Daaraan doet niet af dat de zorg voor verzoekers wellicht door derden kan worden overgenomen, een situatie waar verweerder in beginsel buiten staat.

Gelet op het voorgaande dient de voorzieningenrechter te beoordelen of de bestreden besluiten in heroverweging in stand kunnen blijven, rekening houdend met de sluiting van het AZC Kollum per 1 september 2003.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit niet het geval, juist omdat reeds thans met zekerheid kan worden vastgesteld dat verzoekers naar een AZC zullen worden overgeplaatst dat per 1 september a.s. zal sluiten en dat zij, mede vanwege het beginnend schooljaar, reeds eind juli van dit jaar weer zullen moeten verlaten. Zoals reeds in de vorige uitspraak is overwogen, is de omstandigheid dat de kinderen van verzoekers het schooljaar op een andere school zullen moeten afmaken, hoewel vervelend, in het kader van een belangenafweging op zichzelf nog niet doorslaggevend, maar dit kan anders zijn, nu duidelijk is dat de kinderen reeds na korte tijd opnieuw van school zullen moeten veranderen. Hoewel met verweerder kan worden gezegd dat de kinderen aan art. 28 van het Internationale Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) niet het recht kunnen ontlenen om hun opleiding aan een en dezelfde school te mogen volgen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit deze bepaling, in samenhang bezien met art. 3 IVRK, voortvloeit dat het meermalen wisselen van school op een dergelijk korte termijn als in het onderhavige geval vanwege de nadelige invloed daarvan op de betrokken kinderen en hun leerprestaties slechts in bijzondere omstandigheden kan worden gerechtvaardigd.

Dergelijke bijzondere omstandigheden zouden gelegen kunnen zijn in zwaarwegende belangen aan de zijde van verweerder, zoals de door verweerder aangevoerde belangen van financiële en organisatorisch/logistieke aard, maar daarvan is de voorzieningenrechter in dit geding onvoldoende gebleken.

In vergelijking met de uitspraak van 27 januari 2003 kan aan de financiële belangen van verweerder in de onderhavige zaak wezenlijk minder gewicht worden toegekend, nu het er niet primair om gaat dat verzoekers tot de zomer op Ameland zouden moeten blijven, hetgeen voor verweerder aanzienlijke kosten meebrengt, maar om het feit dat zij naar het AZC Kollum worden overgeplaatst. Het financiële belang van verweerder bij sluiting van de AVO's is duidelijk, maar over het financiële belang van verweerder bij een voorzienbaar kortstondig verblijf van verzoekers in het AZC Kollum heeft verweerder geen duidelijkheid kunnen verschaffen, zodat vooralsnog moet worden geoordeeld dat aan dat belang in de heroverweging slechts weinig gewicht kan worden toegekend.

Ten aanzien van de organisatorische en logistieke belangen van verweerder overweegt de voorzieningenrechter dat hij weliswaar begrip heeft voor het argument van verweerder dat veel flexibiliteit nodig is in de huidige situatie waarin de opvangcapaciteit voor asielzoekers in Nederland sterk moet worden ingekrompen, maar die noodzaak tot flexibiliteit is geen doel op zichzelf. Zij mag er niet toe leiden dat verzoekers met hun schoolgaande kinderen op relatief korte termijn van het ene centrum naar het andere worden overgeplaatst, zonder dat verweerder heeft aangetoond dat die overplaatsing om organisatorische en logistieke redenen ook werkelijk noodzakelijk is, waarbij aannemelijk moet zijn dat verweerder in redelijkheid geen andere keuze kon maken. Daarvan is de voorzieningenrechter in dit geval niet overtuigd, al was het maar omdat namens verweerder bij herhaling is aangegeven dat vele AZC's momenteel een onwenselijke leegstand kennen, zodat aannemelijk is dat verzoekers op korte termijn ook naar een AZC hadden kunnen worden overgeplaatst, dat niet op de nominatie staat om gesloten te worden.

De vraag of ook asielzoekers zonder schoolgaande kinderen er aanspraak op mogen maken dat zij niet worden overgeplaatst naar een AZC waarvan reeds vast staat dat het op afzienbare termijn zal worden gesloten, behoeft in deze zaak weliswaar geen beantwoording, maar de voorzieningenrechter wijst er wel op dat ook in dat geval verweerder vanuit een oogpunt van zorgvuldige besluitvorming de plicht heeft om te onderzoeken of een overplaatsing naar een AZC dat gesloten zal worden onder de omstandigheden van het geval objectief noodzakelijk is vanwege zwaarwegende belangen aan de zijde van verweerder.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de bestreden besluiten in heroverweging geen stand zullen kunnen houden, omdat verweerder in het licht van de sluiting van het AZC Kollum per 1 september 2003 niet in redelijkheid gebruik kan maken van zijn bevoegdheid tot overplaatsing van verzoekers naar juist dit AZC, althans niet op basis van de daarvoor thans door verweerder aangedragen motivering. Om die reden zullen de verzoeken tot schorsing van de bestreden besluiten worden toegewezen.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:82 lid 4 Awb dient het COA het door verzoekers gestorte griffierecht van € 218,-- (tweemaal € 109,--) te vergoeden.

Op grond van art. 8:75 juncto art. 8:84 lid 4 Awb veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van verzoekers € 644,-- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (verzoekschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,=). De voorzieningenrechter wijst het COA aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening toe;

- schorst de bestreden besluiten van 10 januari 2003 tot twee weken nadat de beslissingen op bezwaar op de voorgeschreven wijze zijn bekend gemaakt, met dien verstande dat wanneer door verzoekers binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt gedaan, de schorsing doorloopt tot totdat door de voorzieningenrechter op dat nieuwe verzoek is beslist;

- bepaalt dat het COA het betaalde griffierecht van in totaal € 218,-- aan verzoekers vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers ten bedrage van € 644,--, aan verzoekers te vergoeden door het COA;

- wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gegeven door mr. D.J. Keur, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op

25 februari 2003 in tegenwoordigheid van mr. P.R.M. Poiesz als griffier.

w.g. P.R.M. Poiesz

w.g. D.J. Keur

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: 25 februari 2003