Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2003:AF4018

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
17-01-2003
Datum publicatie
06-02-2003
Zaaknummer
03/25 WRO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 03/25 WRO

Inzake het geding tussen

de vereniging Milieudefensie, gevestigd te Amsterdam, verzoekster,

gemachtigde: J. van der Meer van Milieudefensie Leeuwarden,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden, verweerder,

gemachtigden: H. Helbig, medewerker bouwen en wonen, en ir. J. de Boer, projectleider, beiden in dienst van de gemeente Leeuwarden.

Procesverloop

Op 10 april 2002 heeft verweerder besloten om aan Van der Wiel Infra en Milieu BV te Drachten (hierna: vergunninghouder) vergunning te verlenen voor het plaatsen van een tijdelijke brug over de Bonkevaart, onder gelijktijdige verlening van vrijstelling van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied" op grond van art. 17 lid 1 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Tegen dit besluit is namens verzoekster op 5 december 2002 bezwaar aangetekend. Op 8 januari 2003 heeft verzoekster de voorzieningenrechter van de rechtbank gevraagd om op grond van art. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 14 januari 2003. Namens verzoekster is niemand verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door bovengenoemde gemachtigden. De vergunninghouder is ter zitting vertegenwoordigd door mr. J. la Faille en W.H.J. Dragt.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekster te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening, aangezien de werkzaamheden op 8 januari 2003 zijn aangevangen.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Aangezien de bestreden vergunning is verleend op 10 april 2002 (verzonden op 15 april 2002), moet worden vastgesteld dat het bezwaarschrift van verzoekster is ingediend na het verstrijken van de termijn van zes weken die geldt op grond van art. 6:7 Awb. Ten aanzien van de vraag of het bezwaarschrift niettemin ontvankelijk kan worden geacht wegens verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in art. 6:11 Awb, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

In de "Huis aan Huis" van 6 februari 2002 is gepubliceerd dat er een bouwvergunning is aangevraagd voor het plaatsen van een tijdelijke brug op een perceel aan de Groningerstraatweg. In de "Huis aan Huis" van 13 maart 2002 is gepubliceerd dat het bouwplan voor het plaatsen van een tijdelijke brug op een ongenummerd perceel aan de Groningerstraatweg in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied", doch dat aan het bouwplan gedurende drie jaar medewerking kan worden verleend op basis van art. 17 WRO. In het openbaar bouwregister, waarvan een afschrift zich onder de gedingstukken bevindt, is over de onderhavige bouwvergunning vermeld dat het gaat om "het plaatsen van een tijdelijke brug" op de locatie "Groningerstraatweg (ongenummerd) te Leeuwarden".

Namens verweerder en de vergunninghouder is aangevoerd, dat verzoekster uit deze publicaties heeft kunnen afleiden dat het hier gaat om een brug over de Bonkevaart, zodat het bezwaarschrift wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is.

De voorzieningenrechter deelt deze opvatting niet. Gelijk ook door verzoekster is aangevoerd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster uit voormelde publicaties redelijkerwijs niet heeft kunnen of moeten begrijpen dat het hier gaat om een bouwplan voor een brug over de Bonkevaart. Aan dit oordeel ligt ten grondslag dat uit de tekst van de artikelen 41 en 57 Woningwet voortvloeit, dat de publicatie in (onder meer) een huis-aan-huisblad en de aantekening in het openbaar bouwregister de voor derden essentiële gegevens dienen te bevatten op grond waarvan op eenvoudige wijze kan worden beoordeeld of het gaat om een bouwplan waarbij de belangen van die derden mogelijk zijn betrokken. De locatie van een bouwplan is één van die essentialia. Verweerder had, gelet op het feit dat het hier om een ongenummerd perceel gaat, derhalve niet mogen afzien van het opnemen van een nadere plaatsbepaling, waaruit duidelijk zou worden dat het hier gaat om een brug over de Bonkevaart op een perceel aan de Groningerstraatweg, nabij de kruising met de Anne Vondelingweg. De termijnoverschrijding die van deze onvolledige publicatie het gevolg is, kan aan de indiener van een bezwaarschrift derhalve in beginsel niet worden tegengeworpen.

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat door verzoekster, toen uit contacten met de griffier van de rechtbank op 3 december 2002 bleek dat met het plaatsen van de brug op bovenbeschreven locatie op korte termijn zou worden begonnen, binnen een redelijke termijn -welke termijn op grond van vaste rechtspraak maximaal twee weken bedraagt- alsnog bezwaar is gemaakt tegen het vrijstellingsbesluit annex bouwvergunning van 10 april 2002. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient het op 5 december 2002 ingediende bezwaarschrift dan ook ontvankelijk te worden geacht.

Ten aanzien van de vraag of, zoals namens verzoekster is aangevoerd, de bouw van de tijdelijke brug over de Bonkevaart nabij de kruising van de Groningerstraatweg met de Anne Vondelingweg, een verstoring betekent van de ganzen die fourageren in de zich aan de overzijde van de Bonkevaart bevindende Bullepolder, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Uit de procedure inzake het verzoek om een voorlopige voorziening (reg.nr. 02/341 WRO) hangende het bezwaarschrift van verzoekster tegen het verlenen door verweerder van vrijstelling op grond van art. 19 lid 1 WRO ten behoeve van de realisatie van de eerste fase van het bestemmingsplan "Tusken Moark en Ie", is de voorzieningenrechter bekend met het gegeven dat de Bullepolder voor de ganzen die overwinteren in het natuurgebied "De Groote Wielen" een belangrijk foerageergebied is.

"De Groote Wielen" is bij besluit van 24 maart 2000 door de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aangewezen als speciale beschermingszone (SBZ) in de zin van art. 4 lid 1 van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: Vogelrichtlijn). Op grond van art. 7 van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: Habitatrichtlijn) heeft de aanwijzing als speciale beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn onder meer tot rechtsgevolg dat ruimtelijke plannen en projecten in de Lid-Staten van de Europese Unie dienen te voldoen aan de verplichtingen die in art. 6 lid 3 en 4 Habitatrichtlijn zijn genoemd.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat bij ontstentenis van nationale wetgeving die op adequate wijze uitvoering geeft aan deze bepalingen van de Habitatrichtlijn, rechtstreeks aan art. 6 lid 3 en 4 Habitatrichtlijn moet worden getoetst, aangezien deze bepalingen zodanig concreet zijn geformuleerd dat particulieren daaraan rechten kunnen ontlenen waarop zij zich ten overstaan van de nationale rechter kunnen beroepen. Dit betekent dat, zelfs indien -zoals in het onderhavige geval- voor een plan of project een vergunning is verleend in overeenstemming met de relevante nationaalrechtelijke bepalingen, die vergunning niettemin als onrechtmatig moet worden beschouwd indien de toetsing aan art. 6 lid 3 en 4 Habitatrichtlijn daartoe aanleiding geeft.

Gelet op het gegeven dat het hier om een tamelijk kleinschalig project gaat, gelegen op een afstand van meer dan 1.500 meter van de SBZ "De Groote Wielen" en waarvan de bouw naar verwachting niet meer dan circa acht weken in beslag zal nemen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat redelijkerwijs niet valt in te zien dat de bouw van deze tijdelijke brug significante effecten -zoals bedoeld in art. 6 lid 3 Habitatrichtlijn- zal hebben op de SBZ "De Groote Wielen". Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de bouw van de onderhavige brug dan ook niet te beschouwen als een plan of project in een gebied dat niet binnen een SBZ is gelegen, maar dat wel van invloed kan zijn op de natuurlijke waarden van de desbetreffende SBZ, zodat de externe werking van de bepalingen van art. 6 lid 3 en 4 Habitatrichtlijn in dit geval niet in de weg staan aan de verlening (met vrijstelling ex art. 17 lid 1 WRO) van de onderhavige bouwvergunning.

Op grond van het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het bezwaarschrift van verzoekster naar alle waarschijnlijkheid ontvankelijk, maar ongegrond zal worden verklaard. Er is dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, noch voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. D.J. Keur, voorzieningenrechter, in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2003 in tegenwoordigheid van F.P. Dillingh als griffier.

w.g. F.P. Dillingh

w.g. D.J. Keur

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: 5 februari 2003