Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2003:AF3740

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
30-01-2003
Datum publicatie
31-01-2003
Zaaknummer
03/6 WRO & 03/7 WRO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 03/6 WRO & 03/7 WRO

Inzake het geding tussen

[naam eiser], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden, verweerder,

gemachtigde: R. Sieben, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2002, verzonden op 18 december 2002, heeft verweerder beslist op het bezwaarschrift van verzoeker tegen het besluit van 19 september 2002, waarbij verweerder aan [naam vergunninghouder] vergunning heeft verleend voor het veranderen van een gebouw op het perceel Groningerstraatweg 10 te Leeuwarden, onder vrijstelling van het bestemmingsplan op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Tegen de beslissing op bezwaar van 10 december 2002 heeft verzoeker bij geschrift van 6 januari 2003 beroep ingesteld bij de rechtbank (registratienummer 03/7 WRO). Daarnaast heeft verzoeker bij afzonderlijk geschrift van eveneens 6 januari 2003 (registratienummer 03/6 WRO) de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is ter zitting behandeld op 28 januari 2003. Verzoeker is in persoon verschenen. Verweerder is bij gemachtigde verschenen. [naam vergunninghouder] is niet verschenen.

Motivering

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter oordeelt dat niet is gebleken van beletselen om het verzoek te kunnen ontvangen en dat verzoeker voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, indien het verzoek wordt gedaan hangende beroep bij de rechtbank en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter oordeelt dat laatstbedoelde situatie zich hier voordoet en hij zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Bij de beoordeling van het geschil gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 3 december 2001 heeft [naam vergunninghouder], wonende te [woonplaats], bij verweerder een aanvraag voor een bouwvergunning ingediend voor het veranderen van het pand Groningerstraatweg 10 te Leeuwarden van een snookercentrum met kantine in een (chinees) restaurant.

Ter plaatse is van kracht het bestemmingsplan "Cambuursterpad", vastgesteld bij raadsbesluit van 9 september 1985. Op het betrokken perceel rust de bestemming "bedrijven in één bouwlaag en eengezinshuizen in één bouwlaag met bijbehorende erven (B1 + E1)". Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b, van de bestemmingsplanvoorschriften zijn de op de kaart met "B1 + E1" aangegeven gronden bestemd voor bedrijven in één bouwlaag op de begane grond en eengezinshuizen in één bouwlaag op de verdieping, met de daarbij behorende achterbouwen, andere bouwwerken en erven, met dien verstande dat als hoofdgebouwen uitsluitend bedrijven in één bouwlaag op de begane grond en eengezinshuizen in één bouwlaag op de verdieping mogen worden gebouwd.

Bij besluit van 19 september 2002, verzonden op 24 september 2002, heeft verweerder aan [naam vergunninghouder] de gevraagde bouwvergunning verleend, onder gelijktijdige vrijstelling van artikel 17 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Cambuursterpad". Hiertoe heeft verweerder onder meer overwogen dat de bouwaanvraag in strijd is met artikel 17 van de planvoorschriften, maar dat op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend voor het bouwplan.

Tegen het besluit van 19 september 2002 heeft verzoeker, die eigenaar is van de panden aan de Groningerstraatweg 22-24, waarin een chinees restaurant wordt geëxploiteerd, een bezwaarschrift ingediend.

De commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften heeft verweerder geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren, het besluit van 19 september 2002 te herroepen en de bouwvergunning alsnog te weigeren wegens strijd met het bestemmingsplan en artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening. Bij het nu bestreden besluit heeft verweerder, met overneming van een (contrair) ambtelijk advies, het bezwaar ongegrond verklaard, de verleende vrijstelling en bouwvergunning gehandhaafd en vrijstelling verleend van artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Artikel 44 van de Woningwet bepaalt dat de bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd, indien sprake is van strijd met het Bouwbesluit, de Bouwverordening, het bestemmingsplan of redelijke eisen van welstand, dan wel indien een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.

De grond waarop het onderhavige bouwplan betrekking heeft is bestemd voor bedrijven in één bouwlaag. In het bestemmingsplan is geen definitie opgenomen van "bedrijven". Evenmin is in de planvoorschriften een beperking gegeven aan dit begrip. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat op gronden met de bestemming "bedrijven" in beginsel elke vorm van bedrijf is toegestaan, derhalve ook een restaurantbedrijf dan wel een horecabedrijf. Hoewel artikel 1 van de planvoorschriften een definitie bevat van "horeacabedrijf", komt een zodanige bestemming niet op de plankaart voor. Uit de toelichting bij het bestemmingsplan blijkt dat de planwetgever onder bedrijven mede een restaurant- of horecabedrijf heeft begrepen. Zie onder andere hoofdstuk III (Resultaten van het onderzoek), paragraaf 3.4 (Kantoren en bedrijven), waar is gesteld: Onder de bedrijven bevinden zich twee horecavestigingen, beide aan de Groningerstraatweg. Het betreft een snackbar en een afhaalrestaurant. Voorts kan worden verwezen naar hoofdstuk V (Planbeschrijving), paragraaf 5.2 (Wonen), waar is gesteld: Vrijwel het gehele Cambuursterpadgebied kan worden aangemerkt als zuiver woongebied. Dat betekent in grote lijnen, dat er zich geen ontwikkelingen voor mogen doen, die in strijd zijn met die woonfunctie. In de zones met beperkte vestigings- en ontwikkelingsmogelijkheden langs de Groningerstraatweg (…) is wonen in panden met het uiterlijk van een woonpand hoofdbestemming. (…) Op de begane grond van panden met het uiterlijk van een woonpand zijn min of meer overeenkomstig de huidige situatie verzorgende bedrijven, kantoren, winkels, bijzondere functies en horecabedrijven toegestaan, die onderling verwisselbaar zijn.

Aangezien niet is gebleken dat het bouwplan overigens in strijd is met de planvoorschriften, stelt de voorzieningenrechter vast dat het ingevolge het bestemmingsplan is toegestaan. Dit betekent dat een vrijstelling van dat plan als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO niet is vereist. Verweerder heeft die dan ook ten onrechte verleend.

Ten aanzien van de door verweerder verleende vrijstelling van artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening 1993 moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het parkeren of stallen van motorvoertuigen op meer dan twee wielen, in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het daarbij behorende, onbebouwd blijvende terrein. Burgemeester en wethouders kunnen volgens het vierde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid voor zover op andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt voorzien.

Ter motivering van het besluit om vrijstelling te verlenen zoals hiervoor bedoeld, heeft verweerder gesteld dat voor een restaurant als het onderhavige een parkeernorm van 12 tot 14 auto's wordt gehanteerd, dat het restaurant op het eigen terrein over 5 tot 6 parkeerplaatsen beschikt, dat aan de Groningerstraatweg geparkeerd kan worden en dat op loopafstand van het restaurant een parkeergarage aanwezig is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker zijn bewering dat verweerder ten onrechte heeft gesteld, dat in de directe omgeving van het restaurant voldoende parkeerruimte beschikbaar is voor 12 tot 14 auto's, niet aannemelijk kunnen maken. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid vrijstelling kunnen verlenen van de Bouwverordening. Aangezien ook overigens niet is gebleken dat zich een weigeringsgrond voordoet, heeft verweerder terecht de gevraagde bouwvergunning verleend.

Gelet op het vorenstaande concludeert de voorzieningenrechter dat het beroep gegrond is. Het besluit van 10 december 2002 komt voor vernietiging in aanmerking voor zover het betreft de vrijstelling van het bestemmingsplan op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zal de voorzieningenrechter in zoverre zelf in de zaak voorzien en de bij besluit van 19 september 2002 verleende vrijstelling herroepen. De in geding zijnde bouwvergunning, alsmede de vrijstelling van artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening, zijn terecht verleend en kunnen derhalve in stand blijven. Hieruit volgt dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen moet worden afgewezen.

Ingevolge artikel 8:74, eerste lid, van de Awb zal de voorzieningenrechter bepalen dat de gemeente Leeuwarden aan verzoeker het door hem ter zake van het beroep betaalde griffierecht vergoedt. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 10 december 2002 voor zover het betreft de vrijstelling van het bestemmingsplan;

- herroept het besluit van 19 september 2002 voor zover het betreft de vrijstelling van het bestemmingsplan en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 10 december 2002;

- bepaalt dat de gemeente Leeuwarden aan verzoeker het ter zake van het beroep betaalde griffierecht van € 109,- vergoedt;

- wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, voorzieningenrechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2003 in tegenwoordigheid van mr. M.R. Molenaar als griffier.

w.g. M.R. Molenaar

w.g. E. de Witt

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening (registratienummer 03/6 WRO) kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak (registratienummer 03/7 WRO) staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 van de Awb. Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 30 januari 2003