Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2002:AF2927

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
19-12-2002
Datum publicatie
15-01-2003
Zaaknummer
00/1305 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2002/359
Module Ruimtelijke ordening 2002/617
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 00/1305 WET

Inzake het geding tussen

[eiser 1] en 11 anderen, allen wonende te Harlingen, eisers,

gemachtigde: mr. T.H. Pasma, advocaat te Harlingen,

de raad van de gemeente Harlingen, verweerder,

gemachtigden: mr. E. Visser en H. Woltjer, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 9 november 2000, verzonden op 10 november 2000, zijn eisers in kennis gesteld van een besluit op bezwaar van 8 november 2000 met betrekking tot de toepassing van art. 49 van de Wet op de Ruimtelijke ordening (WRO).

Tegen dit besluit is namens eisers bij brief van 19 december 2000 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, meervoudige kamer, gehouden op 22 oktober 2002. Namens eisers zijn [eiser 1] en [eiser 2] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigden voornoemd.

Motivering

De rechtbank gaat bij haar oordeelsvorming uit van onderstaande feiten en omstandigheden.

Bij afzonderlijke brieven van 5 november 1998 hebben eisers verweerder verzocht om vergoeding van de schade geleden ten gevolge van de met toepassing van art. 19 WRO verleende bouwvergunning voor het verbouwen en gebruiken van een voormalige politieschool aan de Koningin Wilhelminastraat 41 te Harlingen (hierna te noemen: het perceel) tot asielzoekerscentrum.

Verweerder heeft advies ingewonnen bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken te Rotterdam (SAOZ), die in haar rapporten van december 1999 advies heeft uitgebracht met als conclusie de verzoeken om vergoeding van schade af te wijzen, omdat eisers door het vrijstellingsbesluit van 15 mei 1998 niet in een planologisch zodanig nadeliger positie zijn komen te verkeren dat zij hierdoor schade hebben geleden welke redelijkerwijze niet of niet geheel te hunner laste behoort te blijven. Gesteld is -samengevat- dat de vrijstelling ex. art 19 WRO geen verandering heeft gebracht in de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan "Zuid I en II" ter plekke bood en nog steeds biedt. Voor wat betreft de gebruiksmogelijkheden heeft SAOZ opgemerkt dat het bestemmingsplan "Zuid I en II" ter plaatse reeds bewoning toestaat, waarbij geen maximum aantal bewoners of gebruikers van het complex is bepaald. De capaciteit van de politieschool had op grond van het bestemmingsplan "Zuid I en II" derhalve zonder meer uitgebreid kunnen worden. Een dergelijke uitbreiding had tot een intensiever gebruik en een grotere druk op de directe omgeving kunnen leiden. Verder verzet het bestemmingsplan "Zuid I en II" zich niet tegen het constant op het complex verblijven van de studenten; een voortdurend verblijf is toegestaan. Het enkele feit dat het thans om huisvesting voor asielzoekers gaat in plaats van studenten, leidt niet tot de conclusie dat er voor eisers een planologisch nadeliger situatie is ontstaan. Ten overvloede heeft SAOZ opgemerkt dat de vrijstelling, gelet op de afstanden van de woonpercelen van eisers tot het bewoonde deel van het asielzoekerscentrum, de omstandigheid dat vanaf de woonpercelen van eisers het asielzoekerscentrum nagenoeg niet zichtbaar is, alsmede het feit dat deze woningen niet in de richting van dat deel van het centrum zijn georiënteerd, ook anderszins geen planologisch nadeel voor eisers woningen heeft opgeleverd.

In zijn vergadering van 9 maart 2000 heeft verweerder in navolging van de adviezen van SAOZ de verzoeken om planschade afgewezen. Bij brief van 28 maart 200 zijn eisers namens verweerder in kennis gesteld van het besluit van 9 maart 2000. Tegen dit besluit is namens eisers bij brief van 9 mei 2000 een bezwaarschrift ingediend. De gronden van het bezwaar zijn bij brief van 31 mei 2000 overgelegd. Bij brief van 11 juli 2000 heeft SAOZ verweerder meegedeeld dat het door eisers ingediende bezwaarschrift geen aanleiding geeft tot een ander standpunt.

Op 6 september 2000 hebben partijen hun standpunten ten overstaan van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften mondeling toegelicht. Bij een ongedateerd schrijven heeft deze commissie verweerder geadviseerd de bezwaren van eisers ongegrond te verklaren.

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. Gesteld is dat weliswaar sprake is van een planologische wijziging, maar dat daaruit geen voor eisers nadeliger planologische positie is voortgevloeid, die schade heeft veroorzaakt die op de voet van art. 49 WRO voor vergoeding in aanmerking zou moeten komen. Verder deelt verweerder niet de mening van eisers dat de burgemeester toegezegd zou hebben dat de door hen gestelde schade vergoed zou worden op basis van art. 49 WRO. Eisers hebben niet aangetoond dat een dergelijke toezegging is gedaan en ook overigens komt een dergelijke toezegging verweerder onaannemelijk voor.

In beroep bestrijden eisers de stelling van verweerder dat zij door vestiging van het asielzoekerscentrum geen schade lijden. Hierbij wijzen eisers er op dat asielzoekers, nu zij geen arbeid mogen verrichten, veelal op straat vertoeven en daardoor overlast bezorgen. Deze overlast wordt door eisers geconstateerd in de vorm van vernielingen, rumoer en bejegening van plaatselijke bewoners. Daarnaast wijzen eisers er op dat de voormalige politieschool bewoond werd door een beperkt aantal studenten, die bovendien in de vakanties en in de weekends niet op het complex aanwezig waren. Ter zitting is er verder op gewezen dat de burgemeester hen geadviseerd heeft het verzet tegen de komst van een asielzoekerscentrum te staken en een verzoek ex art. 49 WRO in te dienen.

In dit geding dient de rechtbank aan de hand van hetgeen door eisers is aangevoerd, te beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Art. 49 WRO bepaalt onder meer dat voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een besluit omtrent vrijstelling als bedoeld in art. 19 WRO schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, de gemeenteraad, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toekent.

Bij de beantwoording van de vraag of grond bestaat om toepassing te geven aan art. 49 van de WRO dient in de eerste plaats te worden bezien of eisers ten gevolge van de vrijstelling ex artikel 19 van de WRO in een planologisch nadeliger positie zijn komen te verkeren, waardoor zij schade lijden of zullen lijden. Hiertoe dient de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Hierbij is niet de feitelijke situatie bepalend, maar de bouw- en gebruiksmogelijkheden die de achtereenvolgende planologische regimes bieden. In de thans voorliggende kwestie betekent dit, dat een vergelijking moet worden gemaakt tussen de mogelijkheden die het bestemmingsplan "Zuid I en Zuid II" op het perceel bood en de afwijkingen van dit plan die het vrijstellingsbesluit van 15 mei 1998 op het perceel mogelijk heeft gemaakt. Ingevolge voormeld bestemmingsplan rustte op het perceel de bestemming "bijzondere doeleinden klasse III". Op grond van art. 9 van de planvoorschriften zijn gronden met een dergelijke bestemming bestemd voor een politieschool met de daarbij behorende niet voor bewoning bestemde bijgebouwen, terreinen en andere bouwwerken.

Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de rechtbank staat vast dat door het vrijstellingsbesluit het planologisch regime enkel gewijzigd is voor wat betreft de gebruiksmogelijkheden. Het geschil beperkt zich derhalve tot de vraag of eisers door de enkele vestiging van een asielzoekerscentrum in plaats van een politieschool, in een dusdanige nadelige planologische positie zijn komen te verkeren, dat zij schade hebben geleden welke redelijkerwijs niet of niet geheel voor hun rekening behoort te blijven. Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend.

Het is de rechtbank namelijk niet gebleken dat de vestiging van een asielzoekerscentrum in vergelijking tot een politieschool een dusdanige andere fysiek-ruimtelijke invloed heeft op de woonomgeving van eisers dat zij hierdoor schade hebben geleden welke verweerder op grond van art. 49 WRO dient te vergoeden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, gelet op de gelijke bebouwingsmogelijkheden in beide planologische regimes geen wezenlijke verandering opgetreden is in het aantal mensen dat in beide regimes op het perceel maximaal kan verblijven. Wel is de rechtbank met eisers van oordeel dat onder het nieuw planologische regime op het perceel in de weekends en in vakanties meer mensen zullen verblijven. voordien geldende planologische regime Uit de aard van de bestemming "politieschool" volgt immers dat in dergelijke periodes in het voordien geldende planologische regime op het perceel minder personen verblijven; in het algemeen vertoeven studenten in die periodes elders. Deze hogere bezetting veroorzaakt echter, gelet op de aard van het gebruik "wonen", de duur van de periodes en de aantalen bewoners, naar het oordeel van de rechtbank geen aanwijsbare schade. Met betrekking tot het betoog van eisers dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met van het asielzoekerscentrum ondervonden overlast, overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat het eventueel door bewoners van asielzoekerscentrum niet naleven van wettelijke voorschriften, wat daarvan overigens ook moge zijn, geen grond is voor toekenning van een schadevergoeding als bedoeld in art. 49 WRO. Die schade vloeit immers voort uit onrechtmatig gedrag van personen en niet uit wijziging van het planologische regime. Verweerder heeft dit aspect dan ook op goede gronden buiten beschouwing gelaten. Verder is de rechtbank van oordeel dat een asielzoekerscentrum naar zijn aard geen nadeliger invloed op de woonomgeving heeft. Een dergelijke invloed vloeit niet voort uit de omstandigheid dat asielzoekers mogelijk vaker in de nabijheid van het asielzoekerscentrum vertoeven omdat het hun niet is toegestaan om te werken. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken van omstandigheden, onlosmakelijk verbonden met asielzoekers, tengevolge waarvan gesteld moet worden dat eisers schade zullen leiden door de bewoning van het perceel door asielzoekers. Mocht er al tussen bewonerscategorieën in ruimtelijke zin substantiële verschillen in verblijfcultuur te onderscheiden zijn, dan acht de rechtbank deze niet van dien aard dat hierdoor de woonomgeving in fysiek-ruimelijke zin dusdanig kan verslechteren dat een vergoeding van schade gerechtvaardigd is. In dat verband merkt de rechtbank nog op dat vooringenomenheid van potentiële kopers voor de huizen van eisers jegens bijvoorbeeld asielzoekerscentra geen rol kan spelen bij de vaststelling of sprake is van een planologisch nadeliger situatie, doch dat in dat kader bepalend is een waardering van de fysieke ruimte en de (negatieve) invloed daarop van de planologische wijziging. Ten overvloede wijst de rechtbank er op dat ook de ligging van de woonpercelen van eisers ten opzichte het asielzoekerscentrum geen aanleiding geeft tot het oordeel dat eisers in een nadeligere planologische situatie zijn komen te verkeren. Eisers hebben vanuit het woonperceel namelijk geen direct zicht op het asielzoekerscentrum, behoudens één perceel bevindt zich tussen de woonpercelen en het asielzoekerscentrum andere bebouwing.

Gelet op het vorenoverwogene heeft verweerder terecht en op juiste gronden geoordeeld dat eisers op grond van art. 49 WRO geen recht hebben op de verzochte planschadevergoeding.

Mochten eisers bedoeld hebben te betogen dat in het onderhavige geval desondanks aanleiding is tot toekenning van een schadevergoeding omdat de burgemeester bij hen het vertrouwen heeft gewekt dat zij in aanmerking zouden komen voor een degelijke vergoeding, dan deelt de rechtbank dit betoog niet. In de eerste plaats acht de rechtbank uitlatingen van een burgemeester op zich niet voldoende om binding van de gemeenteraad aan te nemen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eisers geacht worden ervan op de hoogte te zijn, dat de besluitvorming ter zake van een vergoeding planschade een kwestie is van besluitvorming door de gemeenteraad. Daarnaast acht de rechtbank de inhoud van de door eisers gestelde uitlatingen, nog daargelaten of zij werkelijk door de burgemeester zijn gedaan, niet van dien aard dat eisers hieraan reeds het vertrouwen konden ontlenen dat een schadevergoeding zou worden toegekend. De mededeling dat "eisers worden geadviseerd een beroep te doen op art 49 WRO" geeft niet meer aan dan dat eisers een verzoek tot schadevergoeding aan de gemeenteraad kunnen richten.

In verband met het vorenstaande dient het beroep ongegrond verklaard te worden.

De rechtbank ziet geen aanleiding om gebruik te maken van haar bevoegdheid, neergelegd in art. 8:75 Awb, een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep van eisers ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, voorzitter, en mrs. E.M. Visser en mr. K. Post, rechters, en door voornoemde voorzitter in het openbaar uitgesproken op 19 december 2002, in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier.

w.g. B.M. van der Doef

w.g C.H. de Groot

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden het rechtsmid-del hoger beroep. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: