Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2002:AF2564

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
27-12-2002
Zaaknummer
02/1207 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 02/1207 GEMWT

Inzake het geding tussen

[naam verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. S.F.M. Jaasma, advocaat te Amsterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van Bolsward, verweerder,

gemachtigde: mr. R.C.M. Kamsma, advocaat te Leeuwarden.

Procesverloop

Namens verzoeker is op 8 november 2002 een bezwaarschrift ingediend tegen een brief van verweerder van 7 november 2002. Tevens heeft verzoeker zich tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om ingevolge art. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 3 december 2002. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Jaasma. Namens verweerder zijn verschenen J. Brouwer, wethouder, gemachtigde mr. Kamsma en D. Veenstra, werkzaam als ambtenaar in dienst van de gemeente Bolsward.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoeker te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter verwijst voor de voorgeschiedenis kortheidshalve naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 13 maart 2002 (nr. 200200828/1/H3) en de uitspraken van de voorzieningenrechter van 12 april 2002 (reg.nrs. 02/111 PROWT en 02/112 PROWT), 23 juli 2002 (reg.nr. 02/582 GEMWT) en 15 oktober 2002 (02/910 GEMWT).

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

De brief van 7 november 2002 luidt als volgt:

"Geachte heer [naam verzoeker],

Uw advocaat heeft ons in zijn fax van 30 oktober jl. meegedeeld dat u niet gaat staan op de aangewezen plek aan de [adres] en dat wij geen verharding hoeven aan te leggen op de aangewezen plek.

Wij wijzen u erop dat u op grond van het onherroepelijk bestuursdwangbesluit d.d. 25 juli 2001 geen standplaats mag innemen aan de [adres]. Op grond van de uitspraak van de Voorzieningenrechter te Leeuwarden d.d. 15 oktober 2002 heeft u slechts het recht om tijdelijk standplaats in te nemen op de door ons aangewezen plek en niet op een andere plek in de gemeente Bolsward.

Met verwijzing naar ons bestuursdwangbesluit van 25 juli 2001 sommeren wij u dan ook om binnen één week na dagtekening van deze brief de door u geplaatste caravans aan de [adres] te verwijderen en verwijderd te houden. Als u de caravans niet zelf verwijdert en verwijderd houdt zullen wij de caravans op uw kosten laten verwijderen en opslaan.

Hoogachtend,

burgemeester en wethouders van Bolsward."

Dat verweerder in deze brief aan [naam verzoeker] nog één week de tijd geeft om zelf zijn caravans te verwijderen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan te merken als een herhaalde beslissing tot toepassing van bestuursdwang die op grond van de rechtspraak enkel appellabel is voor zover het de verlenging van de begunstigingstermijn betreft. De inhoud van de brief van 7 november 2002 geeft geen grond voor het oordeel dat het hier de (herhaalde) uitoefening van de bestuursdwangbevoegdheid betreft, noch wordt de begunstigingstermijn van de rechtens onaantastbare beslissing op bezwaar van 25 juli 2001 (de primaire beslissing van 9 februari 2001 is reeds op 16 mei 2001 geëffectueerd) door deze brief verlengd.

Gelet op inhoud en strekking van de brief van 7 november 2002 gaat het hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter om de aankondiging van de feitelijke toepassing van bestuursdwang. Dat, zoals namens verzoeker is bepleit, de omstandigheden inmiddels zijn gewijzigd, maakt dit niet anders.

De brief van 7 november 2002 bevat naar het oordeel van de voorzieningenrechter derhalve geen besluit in de zin van art. 1:3 lid 1 Awb, bezien in samenhang met art. 5:24 lid 1 Awb. De voorzieningenrechter verbindt hieraan de gevolgtrekking dat het bezwaarschrift van verzoeker naar verwachting niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Het verzoek dient derhalve te worden afgewezen en de overige argumenten kunnen buiten bespreking blijven.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in het openbaar uitgesproken op 24 december 2002 in tegenwoordigheid van F.P. Dillingh als griffier.

w.g. F.P. Dillingh

w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: 24 december 2002