Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2002:AF1996

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
08-08-2002
Datum publicatie
16-12-2002
Zaaknummer
02/781 ABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 02/781 ABW

Inzake het geding tussen

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. H. de Jong, advocaat te Burgum,

en

het college van burgemeester en wethouders van Tytjerksteradiel, verweerder,

gemachtigden: mr. L. Kap en J. Zuidema, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 14 mei 2002 heeft verweerder verzoeker mededeling gedaan van een besluit met betrekking tot de toepassing van Algemene bijstandswet (Abw).

Verzoeker heeft tegen dit besluit op 23 mei 2002 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoeker bij brief van 10 juli 2002 verzocht om ingevolge art. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 6 augustus 2002. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn bovengenoemde gemachtigden verschenen.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoeker te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Verzoeker ontvangt van verweerder sedert 31 januari 2001 een uitkering krachtens de Abw voor de noodzakelijke kosten van het bestaan. Bij brief van 15 september 2001 heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld dat een maatregel zal worden opgelegd gedurende één maand van 10%, aangezien verzoeker niet dan wel in onvoldoende mate heeft meegewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid, dan wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding.

Bij brief van 16 januari 2002 heeft verweerder verzoeker op 22 januari 2002 uitgenodigd in verband met een gesprek over onder meer de volgens de Abw verplichte medewerking aan onderzoeken naar de mogelijkheden om te werken of het volgen van een opleiding of scholing. Bij brief van 22 januari 2002 is in verband met de ziekmelding van verzoeker voor het gesprek op 22 januari 2002 een nieuwe gespreksdatum voorgesteld, namelijk 29 januari 2002.

Bij brief van 28 januari 2002 heeft verweerder aan verzoeker het telefonisch gesprek met verzoeker, waarin verzoeker heeft aangegeven niet op het gesprek van 29 januari 2002 te zullen verschijnen, bevestigd. Tevens is aangegeven dat aan verzoeker een nieuwe consulent is toegewezen. In verband daarmee wordt verzoeker uitgenodigd voor een gesprek op 1 februari 2002.

Tijdens het gesprek op 1 februari 2002, alwaar verzoeker is verschenen, is door de consulent werk aangeboden via de Startbaan. Aangezien verzoeker heeft aangegeven dat hij waarschijnlijk in maart 2002 aan het werk kan bij Schoonewille te Leeuwarden is afgesproken dat hij tot die tijd de tijd krijgt om bij dit bedrijf aan het werk te gaan. Indien blijkt dat verzoeker in maart 2002 niet bij Schoonewille aan het werk is, zal hij in deze maand opnieuw worden opgeroepen in verband met aanmelding bij de Stichting Banenplan.

Op 1 mei 2002 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen verzoeker, de bijstandsconsulent van verweerders gemeente en de Stichting Banenplan. Tijdens dit gesprek is verzoeker een volledige baan aangeboden als kraanmachinist, hetgeen overeenkomt met het bemiddelingsberoep van verzoeker. De eerste twee maanden kunnen via een dienstverband op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden (WIW) worden aangeboden. Vervolgens zal bij gebleken geschiktheid een vast dienstverband volgen. Verzoeker wordt verzocht om voor 8 mei 2002 te reageren.

Bij brief van 5 mei 2002 heeft verzoeker zich ziekgemeld bij verweerder.

Tijdens een huisbezoek op 13 mei 2002 heeft verzoeker te kennen gegeven geen belangstelling te hebben voor de aangeboden baan als kraanmachinist, aangezien hij geen vertrouwen heeft in de betreffende werkgever.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoeker een maatregel opgelegd van 100% van de uitkering voor de periode van drie maanden, ingaande 1 juni 2002 en eindigende 31 augustus 2002. Verweerder heeft hierbij overwogen dat verzoeker inschakeling in de voor hem passende betrekking als kraanmachinist op een midi/minikraan in strijd met art. 113 lid 1 onder f Abw heeft geweigerd. Daarnaast heeft verzoeker in strijd met art. 113 lid 1 sub c Abw gehandeld door passende arbeid te weigeren. Verweerder heeft voorts rekening gehouden met de ernst van de gedraging, de mate waarin verzoeker deze gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin verzoeker verkeert. Voorts heeft verweerder acht geslagen op het feit dat verzoeker recentelijk al een maatregel is opgelegd.

Ingevolge art. 14 lid 1 Abw - voor zover hier van belang - weigeren burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, dan wel in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of nadien onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen of behouden van arbeid in dienstbetrekking.

Art. 14 lid 2 Abw bepaalt dat een maatregel bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

In art. 113 lid 1 sub c Abw is bepaald dat de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking vanaf de dag van melding als bedoeld in art. 68a lid 2 Awb verplicht is passende arbeid te aanvaarden.

Art. 113 lid 1 sub f Abw bepaalt dat de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking vanaf de dag van melding als bedoeld in art. 68a lid 2 Abw verplicht is beschikbaar te zijn voor de voorzieningen van de Wet inschakeling werkzoekenden, mee te werken aan het verkrijgen van die voorzieningen, daarvan gebruik te maken en daartoe op een aangegeven tijd en plaats te verschijnen.

Ingevolge art. 3 lid 3 onder b van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: het Maatregelenbesluit) valt het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een voor de inschakeling in de arbeid noodzakelijk geachte scholing of opleiding, dan wel aan andere aangewezen activiteiten die de zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen aangemerkt als een gedraging van de derde categorie. In lid 4 onder a van dit artikel is aangegeven dat het niet aanvaarden van passende arbeid onder de vierde categorie valt.

In art. 5 lid 1 sub c en d Maatregelenbesluit wordt voorts bepaald dat de weigering bedoeld in art. 14 lid 1 Abw wordt vastgesteld op twintig procent van de bijstand gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie respectievelijk honderd procent van de bijstand gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie.

Ingevolge art. 5 lid 2 Maatregelenbesluit wordt de periode van weigering van de bijstand genoemd in het eerste lid verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie.

Verzoeker ontkent niet dat hij een hem aangeboden baan heeft afgewezen. Tevens staat niet ter discussie dat die arbeid als passend aangemerkt dient te worden. Derhalve treft verzoeker het verwijt passende arbeid niet te hebben aanvaard. Dat verzoeker om voor hem moverende redenen niet bij de desbetreffende werkgever aan de slag wil, doet daaraan niet af. Door inschakeling in de betreffende passende arbeid te weigeren heeft verzoeker eveneens in strijd gehandeld met art. 113 lid 1 onder f Abw.

De voorzieningenrechter kan zich, gelet op de jurisprudentie, ermee verenigen dat voor de bepaling van de hoogte en de duur van de te treffen maatregel wordt uitgegaan van die gedraging waarop de zwaarste maatregel is gesteld. In het onderhavige geval is dat de weigering van verzoeker om passende arbeid te aanvaarden.

Ingevolge het Maatregelenbesluit wordt op het weigeren van passende arbeid gereageerd met een tijdelijke weigering van de bijstand van 100% gedurende een maand. Aangezien het in het onderhavige geval een tweede verwijtbare gedraging (van een hogere categorie) betreft binnen twaalf maanden, dient bovendien de periode van weigering van de bijstand op grond van art. 5 lid 2 Maatregelenbesluit te worden verdubbeld. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er blijkens de Nota van Toelichting bij het Maatregelenbesluit (Stb 1996, 360, pag. 8) in zo'n geval in beginsel ruimte om met toepassing van art. 14 lid 2 Abw een nog zwaardere sanctie op te leggen, indien gebleken zou zijn dat individuele omstandigheden daartoe aanleiding zouden geven. Dergelijke omstandigheden kunnen zich blijkens deze Nota bijvoorbeeld voordoen indien een belanghebbende na een intensief traject van scholing en begeleiding een daarop aansluitend aanbod van passend werk weigert.

De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat het standpunt van verweerder dat de omstandigheden in verzoekers geval de volledige weigering van de bijstand gedurende drie maanden kunnen dragen niet kan worden gevolgd. Weliswaar betreffen deze sanctieverhogende omstandigheden feiten en gedragingen die er op wijzen dat verzoeker op geen enkele manier wil meewerken aan inschakeling in passende arbeid c.q. trajecten die daar naartoe kunnen leiden. Evenwel overweegt de voorzieningen-rechter dat het Maatregelenbesluit zelf al een kader in het leven heeft geroepen om bij recidive als in het geval van verzoeker een zwaardere maatregel op te leggen. Uit bovengenoemde Nota van Toelichting kan worden afgeleid dat als ten nadele van de betrokkene wordt afgeweken van deze standaardmaatregelen, daarvoor wel uitzonderlijke omstandigheden aanwezig moeten zijn. Van zulke uitzonderlijke omstandigheden is de voorzieningenrechter in verzoekers geval niet gebleken en deze blijken ook niet voldoende uit de namens verweerder gegeven motivering. Daarbij overweegt de voorzie-ningenrechter nog dat de thans volgens het Maatregelenbesluit op te leggen maatregel op zich reeds aanmerkelijk zwaarder is dan de eerder aan verzoeker opgelegde maatregel: eerst 10% gedurende één maand en nu 100% gedurende twee maanden. Ook een maatregel van 100% gedurende twee maanden zal naar verwachting van de voorzieningenrechter verzoeker volstrekt duidelijk maken dat het verweerder thans "menens" is en laat de mogelijkheid onverlet dat, als verzoeker zijn houding handhaaft, opnieuw een -nog zwaardere- maatregel zou kunnen worden opgelegd.

Het vorengaande brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat een weigering van de bijstand gedurende drie maanden thans niet evenredig is met de ernst van de gedraging. Op grond hiervan is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit in bezwaar geen stand zal kunnen houden.

Het voorgaande brengt mee dat het verzoek om een voorlopige voorziening voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit dan ook schorsen, voor zover de duur van de opgelegde maatregel de twee maanden overtreft, tot twee weken nadat de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, met dien verstande dat wanneer door verzoeker binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt gedaan, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:82 lid 4 Awb dient verweerders gemeente het door verzoeker gestorte griffierecht van € 29,= te vergoeden.

Op grond van het bepaalde in art. 8:84 lid 4 juncto art. 8:75 lid 1 Awb veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het besluit proceskosten bestuursrecht bedrag de proceskosten van verzoeker € 644,=, ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (verzoekschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,=). De voorzieningenrechter wijst verweerder gemeente aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit, voor zover de duur van de opgelegde maatregel de twee maanden overtreft, tot twee weken nadat de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, met dien verstande dat wanneer door verzoeker binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt gedaan, de schorsing doorloopt totdat opdat verzoek is beslist;

- bepaalt dat verweerders gemeente het betaalde griffierecht van € 29,= aan verzoeker vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 644,=, aan verzoeker te vergoeden door verweerders gemeente.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2002, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Molenaar als griffier.

w.g. M.R. Molenaar w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: 22 augustus 2002