Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2002:AF1506

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
04-12-2002
Datum publicatie
06-12-2002
Zaaknummer
50367 HA ZA 02-18
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector civiel recht

afdeling handelsrecht

Uitspraak: 4 december 2002

Zaak-/Rolnummer: 50367 / HA ZA 02-18

VONNIS

van de enkelvoudige handelskamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats eiser],

eiser,

procureur: mr. B. Delhaye,

advocaat: mr. D. Boon te Zuidhorn,

tegen

de publieke rechtspersoon

DE GEMEENTE BOARNSTERHIM,

zetelend te Grou,

gedaagde,

procureur: mr. J.V. van Ophem.

PROCESGANG

De zaak is bij dagvaarding van 27 december 2001 aanhangig gemaakt. Partijen zijn verschenen. Bij vonnis van 10 juli 2002 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie -waarvan proces-verbaal is opgemaakt- heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2002.

In de procedure zijn de volgende processtukken gewisseld:

* conclusie van eis, tevens akte overlegging producties, van de zijde van eiser (in het vervolg: [eiser]);

* conclusie van antwoord van de zijde van gedaagde (verder: de gemeente);

* akte van de zijde van [eiser].

Partijen hebben producties overgelegd.

Ten slotte is door partijen vonnis gevraagd. De rechtbank wijst vonnis op het griffiedossier, waarvan de inhoud als hier herhaald moet gelden.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. De vordering

1.1 De vordering van [eiser] strekt er toe dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de gemeente veroordeelt tot (de rechtbank leest: vergoeding van) alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2001, de schade ex artikel 6:96 BW daaronder begrepen, zulks tegen finale kwijting, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van de gemeente in de kosten van het geding.

1.2 De gemeente heeft tegen de vordering verweer gevoerd met conclusie tot afwijzing van de vordering en tot veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

2. Vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en niet of onvoldoende betwist, alsmede op grond van de niet-betwiste inhoud van de overgelegde producties onder meer het volgende vast:

2.1 [eiser] is sinds 1995 huurder van hotel-restaurant [naam hotel-restaurant] in [vestigingsplaats]. Het terras van [naam hotel-restaurant] is gelegen aan de Zandsloot, dat verbonden is met het Snekermeer, en biedt gelegenheid aan watersporters om af te meren. De beide oevers van de Zandsloot worden verbonden door een brug, die in het verlengde ligt van de Buorren, de doorgaande weg tussen Akkrum en Joure. [naam hotel-restaurant] is voor het behalen van winst afhankelijk van de recreatiemaanden tussen mei en oktober.

2.2 In de laatste helft van 1999 heeft de gemeente aangekondigd dat een reconstructie zou plaatsvinden van de Buorren en van de brug over de Zandsloot. De gemeente heeft daarbij aangegeven dat de werkzaamheden zouden duren van half januari 2000 tot 24 april 2000.

2.3 Begin 2000 is deze planning bijgesteld in verband met de slechte weersomstandigheden en is aangegeven dat de werkzaamheden zouden duren van 6 maart 2000 tot 1 juni 2000.

2.4 Gedurende de reconstructiewerkzaamheden heeft de gemeente een noodbrug geplaatst, die begaanbaar was voor bussen, personenauto's, fietsers en voetgangers. Voorts zijn in de omgeving van [vestigingsplaats] borden geplaatst, waarmee het wegverkeer attent werd gemaakt op de reconstructie van de brug en eventuele daarmee gepaard gaande verkeershinder.

2.5 Door de uitbater van [naam horecagelegenheid], een naburige horecagelegenheid, is aan de andere zijde van de oude brug een provisorische voetgangersbrug aangelegd.

2.6 Bij de afbraak van de oude brug bleek dat het landhoofd onvoldoende draagkracht had en is er een nieuw landhoofd aangelegd. Als gevolg hiervan is de brug uiteindelijk tot 27 juli 2000 onbegaanbaar geweest.

2.7 Bij brieven van 4 oktober 2000 en 26 september 2001 heeft [eiser] de gemeente aansprakelijk gesteld voor de hem geleden en nog te lijden schade. De gemeente heeft deze aansprakelijkheid bij brief van 8 oktober 2001 van de hand gewezen.

3. Het standpunt van [eiser]

3.1 [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de gemeente onzorgvuldig en derhalve onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, nu de reconstructie van de brug veel langer heeft geduurd dan de gemeente had toegezegd, zonder dat de gemeente de vertraging en de gevolgen daarvan met hem heeft besproken. Als gevolg van de uitgelopen reconstructiewerkzaamheden is [naam hotel-restaurant] lange tijd, waaronder een deel van het zomerseizoen, niet of nauwelijks over de weg of over het water bereikbaar is geweest, waardoor het aantal bezoekers sterk is teruggelopen. De schade die [eiser] hierdoor heeft geleden dient naar zijn mening dan ook door de gemeente te worden vergoed. [eiser] heeft in dit verband nog gewezen op een uitspraak van deze rechtbank van 3 november 1999 (98/0025), waarin in een vergelijkbare zaak de gevorderde schadevergoeding eveneens is toegewezen.

4. Het standpunt van de gemeente

4.1 De gemeente heeft zich op het standpunt gesteld dat zij met de vereiste zorgvuldigheid is opgetreden en dat zij derhalve niet onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. De gemeente heeft daartoe aangevoerd dat zij zowel vooraf als gedurende de werkzaamheden contact heeft onderhouden met de dorpsvernieuwingscommissie, waarin ook de ondernemersvereniging is vertegenwoordigd, en de nodige mededelingen heeft geplaatst in de plaatselijke nieuwskrant. De gemeente heeft voorts de reconstructie met opzet gepland voor de aanvang van het toeristenseizoen, teneinde zo min mogelijk overlast te veroorzaken. Als gevolg van onvoorziene omstandigheden - slecht weer en een landhoofd dat, in weerwil van eerder onderzoek, eerst bij de afbraak van de brug ondeugdelijk bleek - moest de oorspronkelijke planning echter worden bijgesteld. Teneinde de overlast te beperken heeft de gemeente een noodbrug aangelegd, waardoor het centrum van [vestigingsplaats] voor het meeste wegverkeer bereikbaar bleef. Dat [naam hotel-restaurant] in deze periode niet per boot bereikbaar was, is het gevolg van de voetgangersbrug die door de uitbater van [naam horecagelegenheid] is aangelegd en eventuele schade die daarvan het gevolg is geweest kan dan ook niet voor rekening van de gemeente komen. De aangebrachte omleidingsborden zijn zo spoedig mogelijk nadat de brug gereed was verwijderd.

4.2 De gemeente heeft voorts aangevoerd dat de door [eiser] gestelde schade onvoldoende onderbouwd en bovendien niet aannemelijk is, nu geen van de andere ondernemers in [vestigingsplaats] de gemeente op de gevolgen van de uitgelopen werkzaamheden heeft aangesproken.

4.3 De gemeente heeft ten slotte de gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten bestreden.

5. Beoordeling van het geschil

5.1 Vooropgesteld moet worden dat reconstructiewerkzaamheden zoals de onderhavige tot het normale bedrijfsrisico van een ondernemer behoren, zodat eventuele schade die als gevolg daarvan wordt geleden, in beginsel voor diens rekening dient te blijven. De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen, nu zij van oordeel is dat de gemeente met de vereiste zorgvuldigheid jegens hem heeft gehandeld.

5.2 De rechtbank overweegt daartoe in de eerste plaats dat de opgetreden vertraging het gevolg is geweest van omstandigheden waarop de gemeente geen invloed kon uitoefenen, zoals het weer, of die voor haar redelijkerwijs van tevoren niet waren te voorzien, zoals de gebleken ondeugdelijkheid van het landhoofd van de brug. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de gemeente vooraf zoveel mogelijk heeft getracht om onzekerheden uit te sluiten, onder meer door een onderzoek te laten uitvoeren naar de gesteldheid van het betreffende landhoofd. De gemeente kan dus niet verweten worden dat zij niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen bij het plannen van de werkzaamheden. Daar komt bij dat de mogelijkheid dat onvoorziene omstandigheden zich voordoen, inherent is aan het uitvoeren van een complex bouwproject zoals de reconstructie van een brug. De aanvankelijk door de gemeente gegeven einddatum kan om die reden dan ook niet als een harde toezegging worden beschouwd, waarvan de overschrijding reeds onrechtmatig handelen zou opleveren. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat gesteld noch gebleken is dat aan de extra werkzaamheden, die als gevolg van de slechte staat van het landhoofd noodzakelijk bleken, meer tijd is besteed dan strikt genomen benodigd was.

5.3 De rechtbank stelt voorts vast dat de gemeente de nodige maatregelen heeft getroffen om eventuele nadelige gevolgen van haar handelen tot een minimum te beperken. Zo heeft de gemeente een noodbrug laten aanleggen, zodat het centrum van [vestigingsplaats], [naam hotel-restaurant] daaronder begrepen, gedurende de werkzaamheden bereikbaar zou blijven voor het grootste deel van het wegverkeer en zijn de werkzaamheden gepland in het - voor de omzet van de ondernemers in [vestigingsplaats] minder belangrijke - winterseizoen. De gemeente heeft bovendien gesteld dat zij de nodige informatie over de oorzaken, duur en gevolgen van de vertraging in de reconstructiewerkzaamheden heeft verstrekt, onder meer door overleg met de dorpsvernieuwingscommissie en door publicatie van mededelingen in de lokale nieuwskrant, hetgeen door [eiser] niet dan wel onvoldoende is betwist. Dat de gemeente wellicht geen persoonlijk contact heeft onderhouden met [eiser], doet er derhalve niet aan af dat de vertraging in de afronding van de werkzaamheden voor hem voldoende kenbaar kon zijn. Overigens is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat door de gemeente geen goede voorlichting zou zijn verstrekt - met welke stelling de rechtbank het dus niet eens is - in dit geval op zichzelf nog niet noopt tot de conclusie dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld.

5.4 Daarnaast overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat de gemeente getalmd heeft met het verwijderen van de in verband met de werkzaamheden geplaatste verkeersborden, nog daargelaten dat niet is komen vast te staan dat deze borden enig effect hebben gehad op de toestroom van bezoekers naar [naam hotel-restaurant]. Bij de comparitie is van de zijde van de gemeente naar voren gebracht dat de borden zo spoedig als mogelijk zijn verwijderd nadat de brug op 29 juli 2000 weer voor verkeer kon worden opengesteld en dat slechts - in verband met het ontbreken van voldoende mankracht bij de betrokken aannemer - noodgedwongen is gewacht totdat het afbreken van de noodbrug, waaraan prioriteit was gegeven, gereed was.

5.5 De door [eiser] aangehaalde uitspraak van deze rechtbank van 3 november 1999 doet aan het voorgaande niet af, nu de feiten in die zaak op essentiële onderdelen van de onderhavige zaak verschillen. In het bijzonder is van belang dat in de zaak die tot de uitspraak van 3 november 1999 heeft geleid, de betreffende gemeente de door haar aanvankelijk aangekondigde datum waarop de werkzaamheden zouden beginnen plotseling vervroegde en dit eerst op zeer korte termijn voor de nieuwe aanvangsdatum aan de betrokken ondernemer meedeelde, die als gevolg daarvan geen mogelijkheden meer had om de eerder door hem geplande schadebeperkende maatregelen daadwerkelijk uit te voeren. Van een dergelijke vorm van onzorgvuldig optreden door de gemeente is, zoals de rechtbank hierboven reeds heeft overwogen, in de onderhavige zaak geen sprake.

6 Uit het voorgaande volgt dat de gemeente bij het uitvoeren van de werkzaamheden niet onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, zodat de vordering moet worden afgewezen.

7 [eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten van de gemeente te worden verwezen, zoals hieronder nader zal worden aangegeven.

BESLISSING

De rechtbank

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente begroot op 193,- euro aan verschotten en 780,- euro aan salaris procureur;

verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, voor zover het de proceskostenveroordeling betreft.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. C.M. Telman en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 4 december 2002.

fn 371