Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2002:AE7494

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
09-09-2002
Datum publicatie
11-09-2002
Zaaknummer
02/44 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 02/44 ZW

Inzake het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: R.G. Riemersma, werkzaam bij FNV Ledenservice te Groningen,

en

het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), verweerder,

gemachtigde: P.J. Langius, werkzaam bij UWV Gak te Leeuwarden.

Procesverloop

Bij brief van 3 december 2001 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van een besluit op bezwaar met betrekking tot de toepassing van de Ziektewet (ZW).

Tegen dit besluit is namens eiseres beroep ingesteld.

In het kader van het vooronderzoek heeft de rechtbank E.H. de Maar, revalidatie-arts te Groningen, als deskundi-ge benoemd. Ter voldoening aan de hem gegeven opdracht heeft deze deskundige op 28 juni 2002 verslag uitge-bracht.

De zaak is aan de orde gesteld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, op 5 september 2002. Partijen zijn -zoals tevoren schriftelijk bericht- niet verschenen.

Motivering

Met ingang van 1 januari 2002 is het UWV getreden in de rechten en plichten van het Lisv (art. 9, 11 en 17 Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, Stb. 2001, 625). Waar in deze uitspraak gesproken wordt van 'verweerder' moet tot die datum dan ook worden gelezen 'het Lisv'.

Eiseres, geboren op 26 april 1946, is laatstelijk voor 32,4 uur per week als medewerker interne dienst werkzaam geweest in dienst van Geerts Metaalwaren BV te Heerhugowaard. Vanaf 30 november 1995 ontvangt eiseres een arbeidsongeschiktheidsuitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %. Bij besluit van 30 september 1999 heeft verweerder deze uitkering ingaande 30 november 1999 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35 %. Verweerder is er van uitgegaan dat eiseres per laatstgenoemde datum ongeschikt is voor het verrichten van haar eigen werk als medewerker interne dienst, maar geschikt voor ander werk.

Het namens eiseres tegen dit besluit ingestelde bezwaar is bij besluit van 10 januari 2000 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 maart 2002 (reg. nr. 00/156 WAO) heeft de rechtbank het tegen het besluit van 10 januari 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Op 22 december 1999 had eiseres zich inmiddels opnieuw bij verweerder ziekgemeld met een toename van rug- en heupklachten. Met ingang van 22 december 1999 heeft verweerder de WAO-uitkering van eiseres herzien naar 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 31 maart 2000 deze uitkering ingaande 1 juni 2000 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35 %. Verweerder is er van uitgegaan dat eiseres per 1 juni 2000 ongeschikt is voor het verrichten van haar eigen werk als medewerker interne dienst, maar geschikt voor ander werk.

Het namens eiseres tegen dit besluit ingestelde bezwaar is bij besluit van 16 oktober 2000 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 maart 2002 (reg. nr. 00/1222 WAO) heeft de rechtbank het tegen het besluit van 10 januari 2000 ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 16 oktober 2000 vernietigd. Eén van de geduide functies moest volgens deze uitspraak vervallen. Daarmee blijven er slechts twee fb-codes over en is niet voldaan aan de eis, dat aan een betrokkene ten minste drie verschillende fb-codes moeten worden voorgehouden. Het bestreden besluit berust volgens deze uitspraak derhalve niet op een deugdelijke arbeidskundige grondslag. Tegen deze uitspraak heeft verweerder hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB), welk beroep nog aanhangig is.

Op 9 januari 2001 heeft eiseres zich bij verweerder ziekgemeld wegens linkerknie- en rechterhandklachten en last van heupen en liezen. Bij besluit van 2 november 2001 heeft verweerder eiseres geen ziekengeld meer toegekend, omdat zij met ingang van 7 november 2001 niet meer ongeschikt voor haar arbeid is in de zin van de ZW.

In beroep is namens eiseres aangevoerd dat zij wegens haar klachten niet kan werken. Voorts is erop gewezen dat zij in het kader van de ZW geschikt is geacht voor functies, waarvan de rechtbank in haar uitspraak van 11 maart 2002 heeft geoordeeld dat deze een onvoldoende basis vormen voor een WAO-schatting.

Namens verweerder is er onder meer op gewezen dat uit jurisprudentie van de CRvB kan worden afgeleid dat in een geval als van eiseres het minimumvereiste van tenminste drie functies in het kader van de WAO niet van toepassing is op ZW-aanspraken.

In dit geding moet de rechtbank beoordelen of het bestreden besluit terecht en op goede gronden genomen is. Zij overweegt daartoe als volgt.

In art. 19 lid 1 ZW is bepaald dat de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld heeft overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB wordt voor de toepassing van art. 19 ZW onder "zijn arbeid" verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Volgens deze jurisprudentie lijdt deze regel in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximum-termijn ziekengeld te hebben ontvangen blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt "passende, in billijkheid op te dragen arbeid", zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een AAW/WAO-uitkering.

Gelet op de beschikbare medische gegevens, waaronder het verslag van de deskundige De Maar, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiseres ingaande 7 november 2001 niet ongeschikt was voor haar arbeid als bedoeld in art. 19 lid 1 ZW. De Maar acht eiseres expliciet geschikt voor de in het kader van de WAO destijds aan eiseres geduide functies.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder een juiste arbeidsmaatstaf heeft aangelegd door uit te gaan van de destijds aan eiseres geduide functies. Dat één van die functies in de procedure 00/1222 WAO volgens de rechtbank moest vervallen, zodat de WAO-schatting niet was gebaseerd op een deugdelijke arbeidskundige grondslag, is in deze ZW-procedure niet relevant. Immers, de ZW-procedure kent niet een arbeidskundige component, zoals die bij een WAO-schatting wel bestaat. Daarom hoeft in het kader van de ZW de vraag of er wel een mimimumaantal van drie afzonderlijke functies is geselecteerd met tezamen tenminste 30 arbeidsplaatsen niet te worden beantwoord. Van belang is slechts, of de betrokkene medisch in staat is om de desbetreffende functies te verrichten en De Maar heeft duidelijk aangegeven dat dit het geval is.

Het beroep van eiseres zal ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 9 september 2002, in tegenwoordigheid van Y. Tigchelaar als griffier.

Y. Tigchelaar P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht.

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 9 september 2002