Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2002:AE7410

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
06-09-2002
Datum publicatie
10-09-2002
Zaaknummer
02/840 WRO & 02/841 WRO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Strijd met art. 17 WRO van infrastructureel werk.

Tijdelijke vrijstelling (17 WRO) aan het COA voor de bouw van een asielzoekerscentrum (azc). Ten onrechte is de procedure van art. 17 WRO gevolgd. Aangenomen moet worden dat met de hoofdontsluitingsweg van het azc wordt vooruitgelopen op de realisering van de ontsluitingsweg van de sportvelden zodat het tijdelijk karakter onvoldoende aannemelijk is.

Vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met art. 17 WRO voor zover dit betrekking heeft op de gronden waarop de hoofdontsluitingsweg is geprojecteerd.

Het College van burgemeester en wethouders van Lemsterland, verweerder.

mr. C.H. de Groot

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nrs.: 02/840 WRO & 02/841 WRO

Inzake het geding tussen

[naam verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. E. Wiarda, jurist te Heerenveen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Lemsterland, verweerder,

gemachtigen: de heer Wesselius, wethouder, en de heren G. Kampen en R.E. Dommerholt, ambtenaren in dienst van verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 23 juli 2002 heeft verweerder verzoeker in kennis gesteld van een beslissing op bezwaar op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Tegen dit besluit is namens verzoeker beroep aangetekend. De beroepszaak is geregistreerd onder nummer 02/841 WRO. Tevens heeft verzoeker zich tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om ten aanzien van het bestreden besluit een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is bekend onder registratienummer 02/840 WRO.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 20 augustus 2002. Verzoeker en verweerder hebben zich doen vertegenwoordigen door bovengenoemde gemachtigden. Namens het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers te Rijswijk (COA), dat in haar hoedanigheid als vergunninghoudster als partij aan dit geding deelneemt, is verschenen mr. A. Tardjopawiro.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Indien, zoals in het onderhavige geval, het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter op grond van art. 8:86 lid 1 Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit het geval. Mede gelet op het feit dat alle partijen zich kunnen vinden in toepassing van art. 8:86 lid 1 Awb in het onderhavige geval, zal de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Bij besluit van 31 januari 2002 (verzonden op 13 februari 2002) heeft verweerder aan het COA tijdelijk (voor de duur van 5 jaar) vrijstelling verleend van de ter plaatse geldende bestemmingsplannen "Sportvelden De Rien" en "Buitengebied" op grond van art. 17 WRO ten behoeve van de bouw van een asielzoekerscentrum (azc) met een hoofdontsluiting vanaf de Straatweg.

De hoofdontsluitingsweg van het azc is geprojecteerd naast de woning van verzoeker. Namens verzoeker is gewezen op brieven waaruit zou blijken dat de gemeente voornemens is om deze weg na de instandhoudingstermijn van het azc, te doen fungeren als nieuwe ontsluitingsweg voor het sportcomplex "De Rien", mede in verband met een toekomstige uitbreiding van de sportvelden. Op grond hiervan is verzoeker van mening dat ten onrechte de procedure van art. 17 WRO is gevolgd.

Verzoeker heeft, hangende zijn tegen het besluit van 31 januari 2002 ingediende bezwaarschrift, een verzoek om een voorlopige voorziening aanhangig gemaakt. Bij uitspraak van 13 mei 2002 (verzonden per fax) heeft de voorzieningenrechter het besluit van 31 januari 2002 -bij wijze van ordemaatregel- geschorst tot het moment waarop uitspraak zou zijn gedaan op het verzoek.

Bij besluit van 15 mei 2002 (verzonden op 16 mei 2002) heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard en het besluit van 31 januari 2002 gehandhaafd. Verzoeker heeft hiertegen beroep aangetekend. Bij uitspraak van 3 juni 2002 heeft de voorzieningenrechter het beroep (reg.nr. 02/592 WRO) gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 15 mei 2002 gedeeltelijk vernietigd. Voorts heeft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (reg.nr. 02/489 WRO) getroffen, inhoudende dat het primaire besluit van 31 januari 2002, voor zover dit besluit betrekking heeft op de gronden waarop de hoofdontsluitingsweg is geprojecteerd, wordt geschorst tot twee weken na de dag waarop verweerder zijn hernieuwde beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze heeft bekendgemaakt, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat nieuwe verzoek heeft beslist.

Voor zijn in de uitspraak van 3 juni 2002 gegeven oordeel, heeft de voorzieningenrechter doorslaggevende betekenis toegekend aan de inhoud van een brief van burgemeester en wethouders van 7 februari 2002 (verzonden op 8 februari 2002), gericht aan [naam en woonplaats derde], waarin het volgende is vermeld:

"Bij brief van 4 september 1995, aan u verzonden op 6 september 1995, hebben wij u bericht dat wij er geen bezwaar tegen hadden dat u het perceel grond, gelegen ten zuiden van het door u gekochte perceel grond behorende bij de voormalige boerderij [adres], ging gebruiken, mits u zorg zou dragen voor het onderhoud van dit perceel. Dit gebruik kon duren tot aan het moment waarop de gemeente een mogelijke nieuwe ontsluiting zou realiseren naar het achter gelegen weiland ten behoeve van de uitbreiding van het sportcomplex "De Rien".

Zoals u weet is in de afgelopen periode een nieuwe oefenhoek aangelegd ten noorden van de voetbalvelden. Op de ruimte die is gereserveerd voor nog twee voetbalvelden zal binnenkort een tijdelijk asielzoekerscentrum worden gerealiseerd, waarvoor onlangs de bouwvergunning is verleend.

De hoofdontsluiting voor het azc zal in de toekomst (na 5 jaar) ook dienen als mede-ontsluiting ten behoeve van de nieuwe oefenhoek en van de twee voetbalvelden als uitbreiding van sportcomplex "De Rien" als bedoeld in de brief van 4 september 1995.

Naar verwachting zal in april 2002 worden begonnen met de aanleg van de hiervoor bedoelde hoofdontsluiting over het perceel grond dat eigendom is van deze gemeente en aan u in gebruik is gegeven. In verband daarmee zeggen wij u hierbij het gebruik op van het perceel grond, aangegeven in de brief van 4 september 1995 en op de daarbij behorende situatietekening, met ingang van 1 april 2002."

Gelet op de stelligheid waarmee in deze brief wordt aangegeven dat de hoofdontsluitingsweg van het azc na vijf jaar zal dienen als mede-ontsluiting voor sportcomplex "De Rien", is de voorzieningenrechter in voormelde uitspraak tot het oordeel gekomen dat het tijdelijk karakter van de hoofdontsluitingsweg onvoldoende aannemelijk is geworden, zodat niet werd voldaan aan de uit vaste rechtspraak voortvloeiende eisen dat voor een vrijstelling op grond van art. 17 WRO concrete, objectieve gegevens voorhanden te zijn op grond waarvan kan worden aangenomen dat het bouwwerk, de aanlegwerkzaamheden of het gebruik niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven dan wel voortduren.

Tegen de uitspraak van 3 juni 2002 is geen hoger beroep aangetekend. Ter voorbereiding van het thans bestreden besluit heeft verweerder op 13 juni 2002 aan [naam en woonplaats derde] een brief geschreven met de volgende inhoud:

"Bij brief van 7 februari 2002 hebben wij u het gebruik van een perceel grond opgezegd in verband met het realiseren van de hoofdontsluiting van het asielzoekerscentrum en het feit dat die hoofdontsluiting in de toekomst ook zou dienen als mede-ontsluiting ten behoeve van de uitbreiding van het sportcomplex "De Rien".

Het is ons gebleken dat met name het laatste aspect een eigen leven is gaan leiden, en inmiddels aanleiding is geweest tot het schorsen van de werkzaamheden aan die hoofdontsluiting.

In verband met de daaraan verbonden juridische gevolgen herroepen we bij deze de derde alinea uit onze brief van 7 februari 2002, aan u verzonden op 8 februari 2002, omdat nog lang niet zeker is of er voor de uitbreiding van de sportvelden "De Rien" wel een 2e toegangsweg bij moet komen, en als er al een toegangsweg bij moet komen waar die dan precies aangelegd zal gaan worden. Wat dit laatste betreft zijn er meerdere opties in beeld die in de komende jaren nog nader onderzocht zullen moeten worden en zeker afhankelijk zullen zijn van diverse variabelen. De uitkomsten van het onderzoek zullen alsdan worden opgenomen in een nieuw bestemmingsplan voor dit gebied.

Wij verklaren derhalve dat het reeds op dit moment aangebrachte zandbed voor de hoofdontsluitingsweg, en de eventueel daarop nog aan te brengen ontsluitingsweg voor het tijdelijke asielzoekerscentrum, geen enkele invloed zal hebben op de uitkomst van het hiervoor bedoelde onderzoek."

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het inleidende bezwaarschrift gedeeltelijk gegrond verklaard, en het primaire besluit van 31 januari 2002, voor zover dit betrekking heeft op de gronden waarop de hoofdontsluitingsweg is geprojecteerd, gehandhaafd.

Het standpunt van verweerder komt er kort samengevat op neer, dat thans elke onduidelijkheid over de tijdelijkheid van de hoofdontsluitingsweg is weggenomen.

Door verzoeker is aangevoerd dat de herroeping van de gewraakte alinea uit de brief van 8 februari 2002 niet wegneemt dat bij verweerder nog steeds de intentie bestaat om de hoofdontsluitingsweg in de toekomst te gaan gebruiken ten behoeve van de ontsluiting van de voetbalvelden, zoals die intentie ook reeds bestond ten tijde van de brief van 6 september 1995.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de brief van 6 september 1995 dat de gronden waarop thans de hoofdontsluitingsweg is geprojecteerd, aan [naam en woonplaats derde] in gebruik zijn gegeven, waarbij is aangegeven dat deze overeenkomst zou worden opgezegd op het moment waarop de gemeente een nieuwe ontsluiting zou realiseren ten behoeve van de uitbreiding van de sportvelden. De intrekking van de derde alinea uit de brief van 8 februari 2002 laat de opzegging van die gebruiksovereenkomst onverlet, hetgeen ten minste de suggestie wekt dat de omstandigheid die tot opzegging daarvan aanleiding zou geven, zich thans voordoet.

Verder overweegt de voorzieningenrechter dat ter zitting door de gemachtigde van verzoeker een kaart is getoond waarop de mogelijk toekomstige ontwikkeling van het gebied gelegen nabij de straatweg en de sportvelden tot bedrijventerrein, is aangegeven. Op dit voorlopig verkavelingsplan, waarvan door verweerder is aangegeven dat het slechts "een vingeroefening" betreft, is de ontsluiting op de locatie van de hoofdontsluitingsweg van het azc ingetekend. Door verweerder is het voorlopige karakter van deze tekening benadrukt. Volgens verweerder bestaan er ook andere opties en ligt er, ook ten aanzien van de gehele ontwikkeling van deze gronden, nog niets vast.

Namens verweerder is verder nog aangegeven dat de gronden waar het in deze procedure om gaat, bewust buiten de de verkoop van de boerderij aan de [adres] -waarvan ook melding is gemaakt in de brief van 6 september 1995- zijn gehouden, zodat de eigendom van deze gronden is blijven berusten bij de gemeente. Op de bij de brief van 6 september 1995 behorende situatieschets is op de betreffende gronden de tekst "nieuwe ontsluiting vanaf de Straatweg naar het achterliggende weiland" vermeld.

Uit de gedingstukken kan verder nog worden afgeleid, dat in de tussen de gemeente en het COA gesloten huurovereenkomst voor het azc-terrein de mogelijkheid is vastgelegd om de infrastructuur over te nemen indien de gemeente hiertoe een verzoek indient en met het COA overeenstemming kan worden bereikt. Bij brief van 19 juni 2002 heeft het COA, in reactie op de uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juni 2002, laten weten dat het gehuurde na afloop van de vrijstellingstermijn hetzij in de vorige toestand zal worden hersteld, hetzij met het bestemmingsplan in overeenstemming zal worden gebracht, doch dat in afwijking van de overeenkomst geen infrastructurele werken zullen kunnen worden overgenomen.

Alle feiten en omstandigheden in overweging nemend, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in dit geval sprake is van een situatie als bedoeld in art. 17 WRO, maar dat, in strijd met de criteria voor toepassing van die bepaling zoals die mede blijken uit art. 19 Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985 en de rechtspraak, moet worden aangenomen dat met de hoofdontsluitingsweg van het azc wordt vooruitgelopen op de realisering van de ontsluitingsweg van de sportvelden. Aan dit oordeel doet niet af dat door verweerder is verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 10 juli 2002 (www.rechtspraak.nl, LJN-nummer AE5036) waaruit volgens verweerder zou blijken dat het niet relevant is dat infrastructurele werken die in het kader van art. 17 WRO worden gerealiseerd, na afloop van de instandhoudingstermijn van vijf jaar misschien zullen worden benut voor een mogelijk toekomstige woonwijk. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de uitspraak van de AbRS van 10 juli 2002 niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak, aangezien in genoemde uitspraak klaarblijkelijk geen grond bestond voor het oordeel dat de tijdelijkheid van de infrastructurele werken niet vaststond. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband nog naar een uitspraak van de voorzitter van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 17 juli 1992 (AB 1992, 245).

Ten aanzien van het argument van verzoeker dat de clausule in de door de gemeente met het COA gesloten overeenkomst zich niet verdraagt met de vrijstellingstermijn ex art. 17 WRO onderscheidenlijk de instandhoudingstermijn ex art. 45 lid 2 Woningwet, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

In de overeenkomst, waarin tussen de gemeente en het COA is vastgelegd dat de gemeente bereid is mee te werken aan de opvang van asielzoekers, is opgenomen dat deze overeenkomst in werking treedt na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning en wordt aangegaan voor een periode van maximaal 5 jaar en 9 maanden, bestaande uit maximaal 6 maanden bouwtijd, maximaal 5 jaar exploitatie en maximaal 3 maanden ontmanteltijd. Indien echter de AbRS -naar de voorzieningenrechter begrijpt in een lopende procedure ten aanzien van een ander azc- zou oordelen dat de instandhoudingstermijn zich niet verhoudt met art. 17 WRO, geldt dat de totale periode maximaal 5 jaar zal bedragen vanaf de datum waarop het vrijstellingsbesluit onherroepelijk is geworden, hetgeen volgens de overeenkomst wil zeggen: na afloop van de bezwaartermijn van 6 weken.

In het primaire besluit is opgenomen, dat de vrijstelling wordt verleend voor een periode van 5 jaar, ingaande op de dag van de dagtekening van dit besluit, zijnde 31 januari 2002. Daarbij is nog vermeld, dat aan de vrijstelling het voorschrift wordt verbonden dat hiervan geen gebruik mag worden gemaakt gedurende een periode van 6 weken, welke periode aanvangt op de dag na de dag waarop het besluit in een plaatselijk weekblad is gepubliceerd. Deze publicatie heeft op 13 februari 2002 plaatsgevonden.

Naar vaste rechtspraak van de AbRS (AbRS 27 juni 1995, Gst. 1996, 7036, 6 en AbRS 24 juli 2002, www.rechtspraak.nl, LJN-nummer AE5770) vangt de termijn van 5 jaar, zoals bedoeld in art. 17 lid 1 WRO respectievelijk art. 45 lid 2 Woningwet, aan op de datum waarop de met het bestemmingsplan strijdige bouw of het daarmee strijdige gebruik een aanvang neemt. De bouwwerkzaamheden zijn -naar door verweerder onweersproken is gesteld- aangevangen op 22 april 2002.

Op grond van hetgeen ten aanzien van de termijn is bepaald in het besluit van 31 januari 2002, waarvan ook in deze procedure dient te worden uitgegaan, vangt de vrijstellingstermijn van 5 jaar aan op 1 februari 2002. Dit betekent dat de vrijstellingstermijn -en in het verlengde daarvan de instandhoudingstermijn- eindigen op 31 januari 2007. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt in strijd is met de wet. Hieraan doet niet af dat de overeenkomst tussen de gemeente en het COA voorziet in een termijn die de einddatum van 31 januari 2007, uitgaande van de daarin opgenomen subsidiaire variant, met zes weken overschrijdt. Voor de publiekrechtelijke rechtsverhouding tussen verweerder en het COA is immers bepalend hetgeen omtrent de termijn in het vrijstellingsbesluit en in de bouwvergunning is opgenomen. Dat aan het vrijstellingsbesluit het voorschrift is verbonden dat daarvan de eerste zes weken na publicatie nog geen gebruik mag worden gemaakt, en het feit dat het COA op 22 april 2002 met de bouwwerkzaamheden is gestart, kan evenmin tot het oordeel leiden dat de wet op dit punt niet goed is toegepast, aangezien op grond van genoemde omstandigheden de termijn gedurende welke het COA van de vrijstelling en de bouwvergunning gebruik kan maken, feitelijk is bekort.

Op grond van vorenstaande overwegingen is de voorzieningenrechter tot de slotsom gekomen dat het beroep gegrond dient te worden verklaard. Voor zover het bestreden besluit betrekking heeft op de gronden waarop de hoofdontsluitingsweg is geprojecteerd, komt dit besluit wegens strijd met art. 17 WRO voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal opnieuw -met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen- dienen te beslissen op het bezwaarschrift van verzoeker. Voorts ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor het treffen van de voorlopige voorziening zoals hierna in het dictum weergegeven.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in de art. 8:74 lid 1 Awb en 8:82 lid 4 Awb dient de gemeente Lemsterland het door verzoeker gestorte griffierecht van in totaal € 218,00 te vergoeden.

Op grond van art. 8:75 lid 1 Awb juncto art. 8:84 lid 4 Awb veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht belopen de proceskosten van verzoeker € 966,00 (beroepschrift 1 punt, verzoekschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt, gewicht van de zaak: gemiddeld), terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De voorzieningenrechter wijst de gemeente Lemsterland aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep (reg.nr. 02/841 WRO) gegrond;

- vernietigt de beslissing op bezwaar van 23 juli 2002 voor zover dat besluit betrekking heeft op de gronden waarop de hoofdontsluitingsweg is geprojecteerd;

- wijst het verzoek (reg.nr. 02/841 WRO) toe en treft een voorlopige voorziening, inhoudende dat het primaire besluit van 31 januari 2002, voor zover dit besluit betrekking heeft op de gronden waarop de hoofdontsluitingsweg is geprojecteerd, wordt geschorst tot twee weken na de dag waarop verweerder zijn hernieuwde beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze heeft bekendgemaakt, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat nieuwe verzoek heeft beslist;

- bepaalt dat de gemeente Lemsterland het griffierecht van in totaal € 218,00 aan verzoeker vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 966,00, aan verzoeker te betalen door de gemeente Lemsterland;

- wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2002 tegenwoordigheid van F.P. Dillingh als griffier.

w.g. F.P. Dillingh

w.g. C.H. de Groot

Tegen de uitspraak in het verzoek om een voorlopige voorziening met registratienummer 02/840 WRO kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak met registratienummer 02/841 WRO staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u dan waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: 9 september 2002