Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2002:AE7353

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
21-08-2002
Datum publicatie
09-09-2002
Zaaknummer
00/424 ALGEM
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 00/424 ALGEM

Inzake het geding tussen

[naam] BV, gevestigd te Oosterwolde, eiseres,

gemachtigde: [naam gemachtigde], werkzaam bij eiseres,

en

het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), verweerder,

gemachtigden: mr. P.T. van Arnhem en R. Tjon, beiden werkzaam bij UWV Gak te Amsterdam.

Procesverloop

Bij brief van 25 februari 2000 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van een besluit op bezwaar met betrekking tot de toepassing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, op 12 juni 2002. Eiseres is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is -daartoe door de rechtbank opgeroepen- bij gemachtigden verschenen.

Motivering

Met ingang van 1 januari 2002 is het UWV getreden in de rechten en plichten van het Lisv (art. 9, 11 en 17 Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, Stb. 2001, 625). Waar in deze uitspraak gesproken wordt van 'verweerder' moet tot die datum dan ook worden gelezen 'het Lisv'.

Bij primair besluit van 24 november 1999 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat voor haar de gedifferentieerde premie voor 2000 3,27% bedraagt. Deze vaststelling houdt verband met een aan een werknemer van eiseres (hierna: de werknemer) in 1998 uitbetaalde WAO-uitkering. Het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In beroep heeft eiseres -onder meer en samengevat- aangevoerd dat de werknemer bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid niet meer bij haar in dienst was. Voorts is eiseres van mening dat verweerder haar niet in kennis heeft gesteld van de toekenning van WAO-uitkering aan de werknemer, zodat eiseres zich tegen die toekenning niet heeft kunnen verweren.

In dit geding moet de rechtbank beoordelen of het bestreden besluit terecht en op goede gronden is genomen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

In het onderstaande wordt uitgegaan van de wettelijke bepalingen, zoals deze luidden ten tijde in geding.

In art. 87e WAO is (voor zover hier van belang) bepaald dat het bezwaar of beroep van een werkgever tegen de in artikel 78, derde of vierde lid, bedoelde opslag of korting niet kan zijn gegrond op de grief, dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

In art. 4 lid 5 onder c van het besluit premiedifferentiatie WAO (hierna: het Besluit) is verder bepaald dat de in het tweede en derde lid bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen betreffen de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn toegekend met toepassing van artikel 43a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet aan de werknemer, bedoeld in onderdeel a, die aan het einde van de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, maar geen recht had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was.

Namens verweerder is betoogd dat op grond van art. 4 lid 5 aanhef en onder c van het Besluit premiedifferentiatie WAO de WAO-uitkering van de werknemer aan eiseres moet worden toegerekend. De rechtbank kan zich met dit standpunt van verweerder verenigen. Immers, de werknemer is op 29 november 1993 arbeidsongeschikt geworden. Op die datum was hij onbetwist in dienstbetrekking bij eiseres. Verweerder heeft hem met ingang van 22 november 1994, na ommekomst van de wachttijd van 52 weken, geen arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend, omdat hij met ingang van die datum niet arbeidsongeschikt was in de zin van de WAO; voorts was de werknemer met ingang van 31 januari 1996 niet meer in dienst bij eiseres en heeft verweerder hem, nadat hij zich met ingang van 24 november 1996 ziek had gemeld vanuit de Werkloosheidswet, bij besluit van 11 augustus 1997 onder toepassing van art. 43a lid 1 aanhef en onder b WAO met ingang van 21 december 1996 een volledige WAO-uitkering toegekend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze WAO-uitkering op grond van art. 4 lid 5 aanhef en onder c van het Besluit moet worden toegerekend aan eiseres. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder hiermee een juiste uitvoering heeft gegeven aan deze bepaling.

Ten aanzien van de vraag of in het geval van eiseres art. 87e WAO eraan in de weg staat dat in de onderhavige kwestie de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de werknemer ter discussie kan worden gesteld, overweegt de rechtbank als volgt.

In zijn uitspraak van 20 juli 2001, gepubliceerd in USZ 2001/197, heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) vastgesteld dat premieheffing in het kader van de werknemersverzekerings-wetten dient te worden beschouwd als een "determination of civil obligation", hetgeen meebrengt, dat de rechtsgang met betrekking tot een besluit tot premieheffing moet voldoen aan de elementaire eisen die voortvloeien uit art. 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden (EVRM), waaronder toetsing aan de "merits of the matter". In dit kader heeft de CRvB voorts overwogen dat de aan (ex)werknemers toegekende WAO-uitkeringen bepalend zijn voor de door werkgevers verschuldigde gedifferentieerde premie, zodat zij behoren tot "merits of the matter".

Werkgevers hadden voor 1998 niet de mogelijkheid om de rechtmatigheid van een WAO-uitkering van een werknemer aan te vechten, nu vrijwel in de meeste gevallen een direct belang ontbrak. Sedert de invoering van de wet Pemba per 1 januari 1998 is hierin verandering gekomen en worden werkgevers aangemerkt als belanghebbende, zodat zij kunnen opkomen tegen beslissingen in het kader van de WAO. Deze mogelijkheid bestond derhalve niet ten aanzien van WAO-besluiten die voor 1 januari 1998 zijn genomen en die thans een rol spelen bij het vaststellen van de gedifferentieerde WAO-premie. Voorts heeft de wet Pemba geen voorziening getroffen voor werkgevers om alsnog in rechte op te komen tegen WAO-besluiten van voor 1 januari 1998 voor zover die besluiten bepalend zijn voor de verschuldigde gedifferentieerde premie voor de jaren 1998 tot en met 2004.

In verband hiermede heeft de CRvB in zijn hiervoor aangehaalde uitspraak bepaald dat onverkorte toepassing van art. 87e WAO in zo'n geval er toe leidt dat de "merits of the matter" niet kunnen worden getoetst, zodat strijd bestaat met art. 6 EVRM. Dit betekent dat art. 87e WAO, voor zover een werkgever in een door hem aanhangig gemaakt geschil ter zake van een premiebesluit de daaraan ten grondslag liggende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen waaromtrent laatstelijk vóór 1 januari 1998 een besluit is afgegeven heeft aangevochten, buiten toepassing dient te worden gelaten.

Verweerder heeft erop gewezen dat art. 87e WAO in het geval van eiseres niet buiten toepassing kan blijven, omdat verweerder de werknemer op 15 september 1998 een besluit heeft toegezonden waarbij zijn WAO-uitkering na een onderzoek op 15 juni 1998 ongewijzigd naar 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid wordt voortgezet. Naar de mening van verweerder had eiseres daartegen rechtsmiddelen kunnen aanwenden. Daaraan is toegevoegd dat, als eiseres tegen het voortzettingsbesluit van 15 september 1998 was opgekomen, zij het recht op WAO-uitkering van de werknemer over geheel 1998 had kunnen aanvechten, ook al heeft verweerder eerst naar aanleiding van een onderzoek op 15 juni 1998 tot deze voortzetting besloten.

De rechtbank kan verweerder ook in dit standpunt volgen. Voldoende aannemelijk is dat verweerder eiseres geen afschrift heeft toegestuurd van het toekenningsbesluit van 11 augustus 1997. Wat de betekenis daarvan ook zij, de rechtbank stelt vast dat er geen sprake is van een situatie waarin laatstelijk vóór 1998 een besluit is afgegeven, zoals in de jurisprudentie bedoeld. Verweerder heeft immers op 15 september 1998 nog een WAO-besluit genomen ter zake van de uitkering van de werknemer. Deze beslissing betrof de WAO-uitkering over 1998 die heeft meegeteld bij de vaststelling van het premiepercentage over het thans in geding zijnde jaar 2000. Eiseres had tegen dat besluit rechtsmiddelen kunnen aanwenden. Voor zover aangenomen moet worden dat verweerder dit besluit niet in afschrift aan eiseres heeft gezonden en deze dat besluit eerst bij de gedingstukken heeft aangetroffen, constateert de rechtbank dat eiseres alsnog zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen twee weken, bezwaar had kunnen maken tegen dat besluit. Zoals namens eiseres ter zitting is aangegeven, heeft zij echter om haar moverende redenen daarvan afgezien.

Ten aanzien van de hoogte van de gedifferentieerde premie heeft eiseres geen afzonderlijke grieven aangevoerd. De rechtbank constateert dat verweerder deze hoogte correct heeft berekend.

Het bestreden besluit is terecht en op goede gronden genomen. Het beroep van eiseres zal ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenver-oordeling uit te spreken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op

21 augustus 2002, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Bouma als griffier.

G.J. Bouma P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroep-schrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Cen-trale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht.

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 21 augustus 2002