Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2002:AE7056

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
27-08-2002
Datum publicatie
30-08-2002
Zaaknummer
01/496 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 01/496 WW

Inzake het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. P.H. Redeker, advocaat te Leeuwarden,

en

het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), verweerder,

gemachtigde: mr. G. Koopman, werkzaam bij UWV Cadans te Zeist.

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2001 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser tegen de brief van verweerder van 2 januari 2001, waarbij hem ingang van 1 december 2000 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) is toegekend, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, op 7 augustus 2002. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. G.I.T. Spaan, kantoorgenote van mr. Redeker. Verweerder heeft zich -daartoe door de rechtbank opgeroepen- door zijn gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Motivering

Met ingang van 1 januari 2002 is de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Staatsblad 2001, 625) in werking getreden. Ingevolge deze wet treedt het UWV in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan het Lisv.

Eiser is op 1 november 1996 voor onbepaalde tijd bij de Stichting Milieubehoud en Welzijn te Utrecht (hierna: de Stichting) in dienst getreden als algemeen assistent. Er was sprake van een gesubsidieerde In- en Doorstroombaan (ID-baan). Deze indiensttreding vond plaats in het kader van een samenwerkingsovereenkomst tussen de Stichting en de Stichting Lets-Leeuwarden. Medio januari 2000 heeft de Stichting Lets-Leeuwarden de samenwerkingsovereenkomst opgezegd, waardoor voor eiser geen werk meer voorhanden was. Ook andere werkzaamheden waren niet beschikbaar. Nadat de Stichting een daartoe strekkend verzoekschrift bij de kantonrechter te Leeuwarden heeft ingediend, heeft laatstgenoemde bij beschikking van 1 november 2000 de tussen eiser en de Stichting bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 november 2000 ontbonden. Vervolgens heeft eiser bij verweerder een werkloosheidsuitkering aangevraagd.

Bij brief van 1 januari 2001 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat eiser met ingang van 1 december 2000 in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de WW. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift tegen het besluit van 1 januari 2001 ongegrond verklaard.

Verweerder heeft overwogen dat onder toepassing van art. 16 lid 3 WW de eerste WW-dag van eiser op 1 december 2000 is vastgesteld. Verweerder overweegt vervolgens echter dat eiser in beginsel een maatregel opgelegd had moeten worden, aangezien hij de WW-fondsen heeft benadeeld. Omdat eiser de kantonrechter niet heeft verzocht om aan hem een schadevergoeding toe te kennen of rekening te houden met de opzeggingstermijn, is sprake van een benadelingshandeling en had een maatregel moeten worden toegepast, inhoudende tijdelijk gehele weigering van uitkering over de periode van 1 november 2000 tot 1 december 2000. Aangezien dit zou leiden tot een ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet toegestaan nadelig gevolg van het indienen van een bezwaarschrift, ziet verweerder af van het opleggen van een maatregel, maar handhaaft hij de primaire beslissing.

In het beroepschrift is -samengevat- gesteld dat eiser al per 1 november 2000 een WW-uitkering had moeten ontvangen. Eiser heeft na genoemde datum geen loonaanspraak meer gehad. Eiser heeft -voor zover hier van belang- gesteld dat hij geen benadelingshandeling heeft gepleegd, omdat pas 9 maanden na het vervallen van zijn werkzaamheden zijn dienstverband is verbroken. Ten aanzien van de aard van zijn gesubsidieerde dienstverband heeft eiser nog naar voren gebracht dat het niet geëigend is bij ontbinding van een dergelijk dienstverband een vergoeding ten laste van de werkgever toe te kennen.

In dit geding dient de rechtbank te beoordelen of het bestreden besluit terecht en op goede gronden genomen is. Zij overweegt daartoe als volgt.

Zoals ter zitting nader is komen vast te staan heeft verweerder in het bestreden besluit het standpunt verlaten dat art. 16 lid 3 WW van toepassing is; verweerder is van mening dat eiser in plaats daarvan een maatregel had moeten worden opgelegd omdat hij de WW-fondsen heeft benadeeld, door eerder een beroep te doen op WW-uitkering. Op grond daarvan kan zijn uitkering (eveneens) eerst per 1 december 2000 ingaan. Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit dan ook genomen in strijd met art. 16 lid 3 WW en met art. 7:12 lid 1 Awb. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal wegens strijd met bovengenoemde artikelen worden vernietigd.

Evenwel zal de rechtbank onderzoeken of er aanleiding is om -ter voorkoming van nodeloze vervolgprocedures- onder gebruikmaking van de haar in art. 8:72 lid 3 Awb gegeven bevoegdheid de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Zij overweegt daartoe als volgt.

In art. 24 lid 6 van de WW is (voor zover hier van belang) bepaald dat de werknemer verplicht is zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds of het wachtgeldfonds niet benadeelt of zou kunnen benadelen.

In art. 27 lid 3 WW is voorts (voor zover hier van belang) bepaald, dat indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24 zesde lid opgelegd, niet of niet behoorlijk is nagekomen, het Landelijk instituut sociale verzekeringen de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk weigert.

In art. 27 lid 4 WW is bepaald dat een maatregel als bedoeld in het derde lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

In art. 685 lid 7 en 8 van het Burgerlijk Wetboek is terzake van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de rechter bepaald (voor zover hier van belang) dat indien de rechter het verzoek inwilligt, hij bepaalt op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt en dat indien de rechter het verzoek inwilligt wegens veranderingen in de omstandigheden hij, zo hem dat met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt, aan een van de partijen ten laste van de wederpartij een vergoeding kan toekennen.

In de jurisprudentie heeft de rechtbank geen aanknopingspunten kunnen vinden voor eisers stelling dat het niet in de rede ligt om bij een gesubsidieerde baan, zoals een ID-baan of een WIW-dienstbetrekking de Kantonrechter te verzoeken om rekening te houden met een opzegtermijn en om een vergoeding toe te kennen. De rechtbank vermag niet in te zien waarom een ID-baan in dit opzicht zodanig principieel verschilt van een "gewone" dienstbetrekking, dat het uitgesloten is dat de Kantonrechter zo'n verzoek inwilligt. In het namens eiser ingebrachte vonnis van de Kantonrechter te Arnhem van 15 december 1998 heeft de rechtbank evenmin die aanknopingspunten kunnen vinden. In rechtsoverweging 5.4 van dat vonnis is namelijk slechts de zeer algemene overweging te vinden dat er "gelet op de aard van de arbeidsverhouding van partijen, die immers is gebaseerd op de WIW" geen termen aanwezig zijn om in dat geval een vergoeding toe te kennen, zonder dat gemotiveerd wordt waaróm dan die aard aan een vergoeding in de weg staat.

In eisers geval staat vast dat eiser de kantonrechter niet heeft verzocht bij de vaststelling van de datum van ontbinding rekening te houden met de voor de werkgever geldende opzegtermijn, dan wel om een schadevergoeding toe te kennen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser echter daardoor geen benadelingshandeling in de zin van de WW gepleegd. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep moet bij de beoordeling of bepaald gedrag benadeling oplevert overigens wel de kans van slagen van een loonvordering of van een tegen het ontslag of beëindiging aangespannen procedure worden betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze jurisprudentie ook in eisers geval als maatstaf dienen. In de ontbindingsprocedure heeft de Stichting aangevoerd dat zij het alleszins redelijk acht dat bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst eiser niet nog apart een vergoeding wordt toegekend, aangezien hij na 15 januari 2000 geen werkzaamheden meer voor haar heeft verricht. De rechtbank acht het aannemelijk dat de Kantonrechter in het betoog van de Stichting aanleiding heeft gevonden om bij de ontbinding geen rekening te houden met een opzegtermijn als bovenbedoeld en geen schadevergoeding toe te kennen. Immers, de Stichting had eiser ten tijde van het ontbindingsverzoek al langdurig doorbetaald terwijl daar geen werkzaamheden tegenover stonden en heeft op die omstandigheden in de ontbindingsprocedure een nadrukkelijk beroep gedaan. De rechtbank kan dan ook niet op voorhand als vaststaand aannemen, dat als eiser wél had verzocht om een opzegtermijn en een schadevergoeding, de Kantonrechter ten gunste van hem zou hebben beslist. Niet in redelijkheid kan worden volgehouden, zoals verweerder dat kennelijk doet, dat eiser, ongeacht het resultaat, uit oogpunt van de toepassing van de WW toch zo'n verzoek had moeten doen.

Het opleggen van een maatregel als verweerder thans voorstaat moet dan ook in strijd worden geacht met art. 24 lid 3 en 4 WW. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand laten. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:74 Awb dient het UWV het door eiser gestorte griffierecht ad € 27,23 te vergoe-den.

Op grond van art. 8:75 Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht belopen de proceskosten van eiser € 644,= (beroepschrift 1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt, waarde per punt € 322,=, gewicht van de zaak: gemiddeld), terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank wijst het UWV aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder het door eiser gestorte griffierecht ad € 27,23 aan hem terugbetaalt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,=, aan eiser te betalen door het UWV.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op

27 augustus 2002, in tegenwoordigheid van mr. E. Nolles als griffier.

w.g. E. Nolles w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 van de Awb. Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

De Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 27 augustus 2002