Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2002:AE7020

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
27-08-2002
Datum publicatie
28-08-2002
Zaaknummer
02/622 GEMWT & 02/623 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 02/622 GEMWT & 02/623 GEMWT

Inzake het geding tussen

[naam verzoekster], wonende te [woonplaats verzoekster], verzoekster,

gemachtigde: mr. B.N. Kloostra, advocaat te Leeuwarden.

en

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden, verweerder,

gemachtigde: H. Helbig, werkzaam voor verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 14 mei 2002, verzonden 22 mei 2002, heeft verweerder verzoekster in kennis gesteld van zijn besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom.

Tegen dit besluit heeft verzoekster op 5 juni 2002 een beroepschrift ingediend.

Tevens heeft verzoekster zich bij brief van 5 juni 2002 tot de voorzieningenrechter van de rechtbank gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het bestreden besluit van 22 mei 2002 wordt geschorst.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 13 augustus 2002. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde.

Motivering

Op grond van artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Indien, zoals in het onderhavige geval, het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:86 lid 1 Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit het geval. De voorzieningenrechter zal daarom onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Verzoekster woont aan de [adres verzoekster] te [woonplaats verzoekster].

Op 29 mei 2000 is door het team bouwtoezicht van verweerders gemeente geconstateerd dat verzoekster zonder de daarvoor benodigde bouwvergunning was begonnen met het wijzigen van de voorgevel van haar woning en met het schilderen van de gevel in een blauwe kleur.

Daarop heeft verzoekster op 7 juni 2000 een bouwvergunning aangevraagd.

Bij brief van 24 juni 2000 hebben vijftien bewoners van de [straatnaam] (hierna: de buurtbewoners) aangegeven bedenkingen te hebben tegen het bouwplan. Tevens hebben zij verweerder gevraagd handhavend op te treden tegen de reeds aangevangen bouwwerkzaamheden.

Op 6 juli 2000 heeft de commissie voor welstandsadvisering en monumentenzorg "Hûs en Hiem" te Leeuwarden, een commissie van onafhankelijke welstandsdeskundigen, ten aanzien van het bouwplan een negatief welstandsadvies uitgebracht. Met betrekking tot het blauwe schilderwerk van de voorgevel heeft "Hûs en Hiem" opgemerkt dat dit schilderwerk een zeer ernstige verstoring van de eenheid van dit seriematige, in bruine baksteen opgetrokken woningbouwcomplex oplevert. Ook het blauw van de kozijnen en de houtkleur van ramen en deuren vormen een verstoring van de eenheid.

Verweerder heeft bij brief van 5 september 2000, verzonden 6 september 2000, de bouwvergunning aan verzoekster geweigerd.

Hierop heeft verzoekster op 3 oktober 2000 een nieuwe bouwaanvraag ingediend voor het wijzigen van de gevel van haar woning. Naar aanleiding van de publicatie van deze bouwvergunningaanvraag hebben de buurtbewoners verweerder bij brief van 17 oktober 2000 bericht ook tegen dit bouwplan bedenkingen te hebben.

Op 1 november 2000 heeft "Hûs en Hiem" ten aanzien van het bouwplan een advies uitgebracht waarin staat dat het bouwplan niet geheel voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Verweerder heeft verzoekster vervolgens in de gelegenheid gesteld om op het welstandsadvies te reageren. Hierop heeft verzoekster op 23 november 2000 gewijzigde bouwtekeningen ingediend. Op 30 november 2000 heeft "Hûs en Hiem" ten aanzien van het gewijzigde bouwplan een positief welstandsadvies afgegeven.

Bij brief van 20 december 2000 heeft verweerder verzoekster op de hoogte gesteld van zijn besluit een bouwvergunning te verlenen.

Bij brief van 30 januari 2001 hebben de buurtbewoners verweerder verzocht verzoekster een termijn te stellen waarbinnen zij de gevel moet hebben teruggebracht in de oorspronkelijke, bruine kleur, bij voorkeur door de aangebrachte blauwe verflaag te verwijderen. Bij brief van 14 februari 2001 hebben de buurtbewoners verweerder bericht dat verzoekster de verbouwingswerkzaamheden heeft hervat.

Het team bouwtoezicht heeft geconstateerd dat verzoekster in afwijking van de verleende bouwvergunning en conform de geweigerde bouwvergunning bouwde. Verweerder heeft verzoekster bij brief van 27 februari 2001, medegedeeld dat is geconstateerd dat zij niet bouwt volgens de verleende vergunning. Voorts heeft verweerder vastgesteld dat de gevel in een blauwe kleur is geschilderd. Met "Hûs en Hiem" is verweerder van oordeel dat dit blauwe schilderwerk een zeer ernstige verstoring oplevert van de eenheid van het seriematige in bruine baksteen opgetrokken woningbouwcomplex waar verzoekster haar woning heeft. Hierdoor is een situatie ontstaan die in ernstige mate strijdig is met de redelijke eisen van welstand in de zin van artikel 12 Woningwet. Alvorens verzoekster formeel en onder oplegging van bestuursdwang aan te schrijven tot ongedaanmaking van de overtreding, is zij in de gelegenheid gesteld om haar zienswijzen naar aanleiding van de gedane constatering in te brengen. Verzoekster heeft hierop bij brief van 15 maart 2001 gereageerd. Verzoekster heeft hierbij ontkend in strijd met de bouwvergunning te bouwen of te hebben gebouwd.

Verweerder heeft verzoekster bij brief van 2 juli 2001, verzonden 10 juli 2001, aangeschreven om vóór 22 augustus 2001 a) de met de wet strijdige situatie te beëindigen door het gebouwde terug in de oorspronkelijke staat danwel in overeenstemming met de verleende bouwvergunning van 20 december 2000 te brengen en b) de voorgevel terug te brengen in de oorspronkelijke bruine kleur. Hierbij heeft verweerder een dwangsom opgelegd van ƒ 250,00 voor iedere dag waarop niet aan de aanschrijving zal zijn voldaan, met een maximum van

ƒ 50.000,00.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 13 juli 2001 een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoekster zich bij brief van 13 juli 2001 tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst.

In haar bezwaar- en verzoekschrift heeft verzoekster tegen deze lastgeving onder dwangsom met betrekking tot de kleur van de gevel ingebracht dat zij in de nieuwe bouwvergunningaanvraag de kleur van de bakstenen gevel heeft opgegeven als 'bestaand'. Op het moment van indiening van de aanvraag was de gevel al blauwgrijs geverfd. Mede voor deze kleurwijziging is een bouwvergunning aangevraagd. Uit de jurisprudentie blijkt dat indien de kleurstelling van een pand wordt gewijzigd en dit gebeurt in combinatie met bouwvergunningsplichtige wijzigingen, de bouwvergunning mede wordt verleend voor de kleurwijziging.

Op 23 juli 2001 heeft "Hûs en Hiem" een nadere motivering gegeven van het positieve welstandsadvies. In deze nadere motivering gedateerd 23 juli 2001 betreurt "Hûs en Hiem" het dat de gevel is gesausd, maar het terugbrengen van de gevel in de oorspronkelijke, bruine kleur waarborgt toch een redelijke welstand.

De president van de rechtbank heeft op 15 augustus 2001 uitspraak gedaan en onder meer het volgende overwogen. Het bestreden besluit is voor wat betreft de blauwe kleurstelling voldoende gemotiveerd en zal in heroverweging stand kunnen houden. Het bestreden besluit ten aanzien van de entreepartij van de woning kan naar het oordeel van de president geen stand houden. De president heeft geen ruimte gezien voor een gedeeltelijke schorsing van het besluit, omdat in het besluit voor beide overtredingen één dwangsom is opgelegd. Het verzoek om een voorlopige voorziening is toegewezen. Het bestreden besluit is geschorst tot twee weken nadat de beslissing op het bezwaarschrift op de voorgeschreven wijze zal zijn bekendgemaakt.

Bij besluit van 14 mei 2002, verzonden 22 mei 2002, heeft verweerder het bezwaarschrift van verzoekster gegrond verklaard voor zover dat betrekking heeft op de aanschrijving inzake de entree van haar woning. Het besluit van 2 juli 2001 is in zoverre herroepen. Voor zover het bezwaarschrift betrekking heeft op de aanschrijving inzake de blauwe kleurstelling, is het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Het besluit van 2 juli 2001 is in die zin gewijzigd dat een maand na datum van verzending van het besluit van 14 mei 2002, voor iedere dag dat nagelaten wordt de desbetreffende voorgevel in de oorspronkelijke bruine kleur te schilderen c.q. te sausen, aan verweerders gemeente een dwangsom wordt verbeurd van € 57,00 per dag, met een maximum van € 11.364,00.

Verzoekster heeft gesteld dat zij van mening blijft dat zij een bouwvergunning heeft verkregen voor het schilderen van de gevel in de kleur blauwgrijs. De bouwvergunning is deels herroepen voorzover de bouwvergunning betrekking had op de entreepartij van haar woning. Het deel van de bouwvergunning dat ziet op de kleurstelling van de gevel is niet herroepen zodat de kleur van de gevel nog steeds legaal is. Aan verzoekster kan daarom geen dwangsom worden opgelegd.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de wijziging van de entreepartij en het verven van de baksteengevel los van elkaar staande activiteiten zijn, die geheel afzonderlijk kunnen worden uitgevoerd. Het verven van een gevel is een vergunningvrije activiteit. De aanschrijving is gebaseerd op artikel 19 Woningwet, omdat het verven van de gevel in ernstige mate in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Nu er sprake is van een activiteit in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichting is verweerder bevoegd om op grond van de Gemeentewet en de Awb een last onder dwangsom op te leggen.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Artikel 5:21 Awb bepaalt dat onder bestuursdwang wordt verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, kan op grond van artikel 5:32 lid 1 Awb in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. Een last onder dwangsom strekt ertoe de overtreding ongedaan te maken dan wel herhaling van de overtreding te voorkomen, zodat de feitelijke situatie in overeenstemming wordt gebracht of in overeenstemming blijft met de rechtens behorende situatie.

De voorzieningenrechter overweegt dat naar vaste jurisprudentie het verven van een baksteengevel op zich geen bouwvergunningplichtige activiteit is. Verzoekster heeft aangevoerd dat, nu in de bouwvergunningaanvraag is aangegeven dat de kleurstelling 'bestaand' zal zijn en niet-bouwvergunningplichtige activiteiten met bouwvergunning-plichtige activiteiten worden meevergund, mede een bouwvergunning is verleend voor het blauw verven van de gevel.

Ter onderbouwing van de stelling van verzoekster is een beroep gedaan op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) van 19 juni 2002. Namens verzoekster is gesteld dat de AbRvS heeft bepaald dat, hoewel het aanbrengen van een witte stuclaag op de buitengevels van een woonboerderij, niet kan worden aangemerkt als constructieve voorziening, voor deze ingreep toch een bouwvergunning vereist was.

De rechtbank overweegt dat de AbRvS in deze uitspraak heeft bepaald dat het aanbrengen van een stuclaag aan te merken is als bouwen. Beslissend daarvoor is dat er sprake is van een constructieve voorziening. Door het opbrengen van het bouwmateriaal op de gevels wijzigt immers niet alleen het aangezicht, maar ook de bouwkundige staat ervan.

In het geval van verzoekster is de rechtbank van oordeel dat het verven van een gevel niet gelijk te stellen is met het aanbrengen van een stuclaag. Er is geen sprake van een constructieve voorziening. De bouwkundige staat van de gevel wijzigt niet door deze te verven. De voorzieningenrechter kan zich derhalve niet in het standpunt van verzoekster vinden. In zijn algemeenheid is de niet-vergunningplichtige kleurstelling van een bouwvergunningplichtigbouwwerk onderdeel van de bouwvergunning voor een dergelijk bouwwerk, maar in het onderhavige geval zijn de wijziging van de entree- en ramenpartij en het verven van de baksteengevel los van elkaar staande activiteiten, die geheel afzonderlijk kunnen worden uitgevoerd.

Verweerder heeft verzoekster op grond van artikel 19 Woningwet aangeschreven tot het terugbrengen van de gevel in de oorspronkelijke kleur wegens strijd met ernstige eisen van welstand. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op de door "Hûs en Hiem" uitgebrachte welstandsadviezen. Naar vaste jurisprudentie van de AbRvS (onder meer AbRvS 13 mei 1996; BR 1996,654) moet bij de welstandstoetsing aan het advies van de welstandscommissie als regel groot gewicht worden toegekend. Hoewel verweerder niet aan het advies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor de welstandstoetsing bij verweerder berust, mag hij aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of derde-belanghebbende een tegenadvies van een andere deskundig te achten persoon of instantie overlegt. Dit is anders indien het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder het niet -of niet zonder meer- aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag had mogen leggen.

Verzoekster heeft gesteld dat zij de brief van haar architect de heer K. Nap van 26 september 2000 als tegenadvies heeft overgelegd. De rechtbank overweegt dat de brief van Nap niet als tegenadvies kan worden beschouwd. Ten eerste is de brief van Nap bedoeld als toelichting op de ingediende bouwaanvraag van verzoekster. Deze toelichting voldoet naar de inhoud niet aan de eisen die aan een tegenadvies mogen worden gesteld. Ten tweede is Nap niet te beschouwen als een onafhankelijk adviserend persoon in deze zaak, omdat hij in opdracht van verzoekster werkzaamheden als architect heeft verricht.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of de uitgebrachte welstandsadviezen naar inhoud en wijze van totstandkoming deugdelijk zijn. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat dit het geval is. Hij overweegt dat verzoekster in dezen niets heeft aangevoerd en dat hem ook overigens uit de gedingstukken en het ter zitting verhandelde niets bekend is geworden wat dit oordeel anders zou moeten maken.

Uit de overwegingen die in de overgelegde welstandsadviezen van "Hûs en Hiem" zijn gewijd aan de blauwe kleurstelling van de gevel, volgt dat de blauwe kleurstelling in ernstige mate strijdt met redelijke eisen van welstand. De voorzieningenrechter komt dan ook tot het oordeel dat verweerder bevoegd was tot het opleggen van een last onder dwangsom. Nu voorts niet is gebleken dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van die bevoegdheid, komt het beroep voor ongegrondverklaring in aanmerking.

Er is, gelet hierop, geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden afgewezen.

De rechtbank ziet geen aanleiding tot het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Het vorenstaande dient te leiden tot de navolgende uitspraak.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep in de hoofdzaak (met reg.nr. 02/623 GEMWT) ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening (met reg.nr. 02/622 GEMWT) af.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2002, in tegenwoordigheid van mr. I. de Bruin als griffier.

w.g. I. de Bruin

w.g. C.H. de Groot

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening (met reg.nr. 02/622 GEMWT) kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak (reg.nr. 02/623 GEMWT) staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 Awb. Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2055 EA Den Haag.

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: 27 augustus 2002