Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2002:AE6669

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
14-08-2002
Datum publicatie
21-08-2002
Zaaknummer
01/1014 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2002/1980
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 01/1014 GEMWT

Inzake het geding tussen

[eiser] wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. V.C. van Velden, advocaat te Almere,

en

het college van burgemeester en wethouders van Weststellingwerf, zetelend te Wolvega, verweerder,

gemachtigde: R. Steur, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 10 oktober 2001 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van een besluit op bezwaar met betrekking tot het opleggen van een last onder dwangsom.

Tegen dit besluit is namens eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, op 7 augustus 2002. Partijen zijn bij gemachtigde verschenen.

Motivering

Voor de feiten en omstandigheden verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar de uitspraak van 21 september 2001 (nr. 01/727 GEMWT) van de president van de rechtbank. Hieraan voegt de rechtbank het volgende toe. In bovengenoemde uitspraak heeft de president het dwangsombesluit van de burgemeester geschorst en het verzoek om een voorlopige voorziening, voor zover dat betrekking had op de oplegging van een last onder dwangsom door verweerder, afgewezen. Bij het thans bestreden besluit is het bezwaarschrift van eiser gegrond verklaard voor zover de burgemeester van verweerders gemeente een last onder dwangsom had opgelegd; de burgemeester heeft het desbetreffende primaire besluit ingetrokken. Voorts heeft verweerder bij het thans bestreden besluit eisers bezwaar ongegrond verklaard tegen het opleggen van een last onder dwangsom door verweerder zelf.

Verweerder stelt zich -onder meer en samengevat- op het standpunt dat op grond van de aangetroffen omstandigheden in eisers woning aan [adres] te [woonplaats] genoegzaam is komen vast te staan dat er sprake is van een (seks)inrichting. Dat is een inrichting waarin op bedrijfsmatige wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin dergelijke diensten in een zodanige omvang en met een zodanige frequentie worden aangeboden, dat deze als bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt. Deze inrichting veroorzaakt overlast. Het gaat verder niet om gezelligheidsavonden, gelet op de controle op 24 augustus 2001 en de informatie die op het internet over eisers Club Cupido te vinden is. Eisers activiteiten zijn strijdig met de bestemming van het perceel, zijnde "woondoeleinden". Bij het bestreden besluit heeft verweerder dus zijn standpunt gehandhaafd, dat eisers activiteiten in strijd zijn met art. 9 van de bestemmingsplanbepalingen en dat eiser deze vanaf 15 april 2001 moet staken, op verbeurte van een dwangsom van f 2.500,= per week of een gedeelte daarvan, tot een maximum van f 65.000,=.

In beroep is namens eiser -onder meer en samengevat- aangevoerd dat geen sprake is geweest van een bedrijfsmatige exploitatie van een seksinrichting in zijn woning. De parenavonden vonden plaats in huiselijke sfeer. Namens eiser wordt zijn recht om thuis bezoek te ontvangen benadrukt en wordt gewezen op jurisprudentie waaruit blijkt dat een woning die als zodanig in gebruik is, naar haar aard tot de persoonlijke levenssfeer van haar bewoner(s) behoort, ook indien die woning daarnaast nog een andere functie vervult. Voorts is eiser van mening dat verweerder in strijd handelt met het verbod op détournement de pouvoir en dat hij door verweerders standpunt in zijn vrijheid wordt aangetast.

In dit geding moet de rechtbank beoordelen of verweerder bij het nemen van het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met enig wettelijk voorschrift, enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op grond van art. 125 Gemeentewet juncto art. 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn burgemeester en wethouders bevoegd om met toepassing van bestuursdwang op te treden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten. In art. 5:32 Awb is geregeld dat een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen.

Het nemen van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom is een bevoegdheid, en geen verplichting voor een bestuursorgaan. Volgens vaste jurisprudentie is het behoudens bijzondere omstandigheden onjuist noch onredelijk te achten dat een bestuursorgaan in een geval waarin is gehandeld in strijd met een wettelijk voorschrift en deze handeling niet kan worden gelegaliseerd, in het belang van de handhaving van wettelijke voorschriften en het voorkomen van precedentwerking van deze bevoegdheid gebruik maakt.

Blijkens art. 9 lid 1 van de bestemmingsplanbepalingen zijn de op de kaart aangewezen gronden bestemd voor woningen met daarbij behorende gebouwen. Art. 29 lid 1 van de bestemmingsplanbepalingen bepaalt verder dat het verboden is bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met het in dit plan bepaalde. Onder een woning moet volgens art. 1 sub 23 van de bestemmingsplanbepalingen ten slotte worden verstaan een complex van ruimten, blijkens zijn indeling geschikt en bestemd voor de huisvesting van één persoon, een gezin of een hiermee gelijk te stellen groep van personen.

De rechtbank is, gelet op voornoemde bestemmingsplanbepalingen, van oordeel dat de woning van eiser slechts gebruikt mag worden voor woondoeleinden. De vraag die derhalve dient te worden beantwoord is of de in het geding zijnde activiteiten van eiser op het moment dat het bestreden besluit werd genomen vallen onder het begrip "woondoeleinden".

De rechtbank is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is namelijk voldoende komen vast te staan dat eiser één of meerdere avonden per week zogeheten parenavonden in zijn woning organiseerde. Door middel van advertenties in kranten en op het internet nodigde eiser belangstellenden uit deze parenavonden te bezoeken. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel stond eiser als eenmanszaak in het handelsregister ingeschreven onder de naam "Sauna Cupido". Het handelsregister omschrijft het bedrijf van eiser als "Sauna annex parenclub". Eiser stelde zijn gehele woning beschikbaar voor de bezoekers van de parenavonden; daartoe bevonden zich in de woning meerdere bedden, een bar en een sauna. Daarnaast verstrekte hij hun ook (alcoholhoudende) dranken. Voor zijn verleende diensten en door hem ter beschikking gestelde faciliteiten vroeg eiser een vergoeding. Voorts blijkt uit de stukken dat de door eiser georganiseerde avonden werden bezocht door een aanzienlijk aantal personen. Dat Club Cupido inmiddels niet meer bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven acht de rechtbank, gezien alle bovengenoemde feiten en omstandigheden, niet doorslaggevend.

Naar het oordeel van de rechtbank vallen de hiervoor omschreven activiteiten van eiser, gelet op de frequentie waarin zij plaatsvonden, de grootschaligheid van deze activiteiten het feit dat eiser voor deze activiteiten al dan niet uit winstbejag een vergoeding vroeg en zijn gehele woning hiervoor beschikbaar stelde, niet onder het begrip "woondoeleinden". Op grond van deze grootschalige en bedrijfsmatige activiteiten van eiser stelt de rechtbank vast dat hij in strijd handelde met de bestemming van zijn perceel en daarmee de verbodsbepaling van art. 29 lid 1 van de bestemmingsplanbepalingen overtrad. De rechtbank voegt hier nog aan toe dat haar uit de bevindingen van de controles op 6 juli 2001 en op 24 augustus 2001 genoegzaam is gebleken dat het inderdaad om bedrijfsmatige activiteiten ging en dat deze activiteiten door eiser ook na 15 april 2001 zijn voortgezet. Dat blijkt ook uit de informatie over Club Cupido die op 27 augustus 2001 nog op de site www.priveparty.nl te vinden was.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat legalisering in dit geval niet mogelijk is. Na de opheffing van het bordeelverbod ingaande 1 oktober 2000 heeft verweerder in zijn Algemene Plaatselijke Verordening (APV) een vergunningenstelsel opgenomen, dat verbiedt een seksinrichting te exploiteren zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan. Nu dit stelsel is ontwikkeld, ligt het des te meer voor de hand dat verweerder een bedrijfsmatige seksinrichting in een woning niet wil legaliseren.

Eiser kan zich voorts niet beroepen op art. 10 van de Grondwet. Immers, door het grootschalige en bedrijfsmatige karakter van eisers activiteiten en door het feit dat de parenavonden voor iedereen toegankelijk waren, kan niet gezegd worden dat deze activiteiten in de privésfeer van eisers woning plaatsvonden. Eisers beroep op de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 28 augustus 1995 (AB 1996, 204) gaat niet op. In die zaak werd een gehele woning gesloten, hetgeen de ABRS in strijd acht met de persoonlijke levenssfeer. In het onderhavige geval echter kan eiser zijn woning voor woondoeleinden blijven gebruiken. Ook de verwijzing naar de uitspraak van de ABRS van 6 juni 2000 (AB 2000, 327) treft geen doel, aangezien in die zaak het de bewoonster verboden werd bezoek te ontvangen. Dat acht de ABRS in strijd met art. 10 Grondwet. Eiser mag echter in zijn woning bezoek blijven ontvangen, zolang hij en de bezoekers maar handelen naar de bestemming van eisers perceel.

Nu de rechtbank van oordeel is dat de door eiser verrichte activiteiten bedrijfsmatig van karakter zijn en derhalve als het exploiteren van een inrichting moeten worden beschouwd, is een beroep op art. 8 van de Grondwet, dat de vrijheid van vereniging beschermt, evenmin aan de orde (ABRS, 8 januari 1988, AB 1988, 417). Van een inperking van het recht de eigen levensovertuiging te belijden is ook geen sprake, nu de activiteiten van eiser naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen worden aangemerkt als het uitoefenen dan wel uitdragen van een samenhangende levensbeschouwing waarnaar iemand zijn leven inricht.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder niet heeft gehandeld in strijd met het verbod van détournement de pouvoir. Verweerder heeft zijn bevoegdheid tot handhaving onmiskenbaar gebruikt om eiser te dwingen zijn woning conform de bestemming daarvan te gebruiken en niet, zoals eiser betoogt, om seksinrichtingen in het algemeen, en die van eiser in het bijzonder, in de gemeente Weststellingwerf te weren. In dit verband wijst de rechtbank nogmaals op het door verweerder ontwikkelde vergunningenstelsel in de APV.

Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, die eraan in de weg staan dat aan het belang van handhaving van wettelijke voorschriften doorslaggevende betekenis wordt toegekend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

Het bestreden besluit kan dus in rechte stand houden en het beroep zal ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op

14 augustus 2002, in tegenwoordigheid van mr. T. Hoekstra als griffier.

w.g. T. Hoekstra w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelij-ke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb. Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 14 augustus 2002