Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2002:AE6372

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
02-08-2002
Datum publicatie
09-08-2002
Zaaknummer
01/935 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 01/935 WW

Inzake het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. J.H. Bloksma, werkzaam bij de Stichting Univé Rechtshulp te Assen,

en

het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), verweerder,

gemachtigde: drs. G.A. Tellinga, werkzaam bij UWV Gak te Leeuwarden.

Procesverloop

Bij brief van 13 september 2001 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Werkloosheidswet (WW).

Tegen dit besluit is namens eiser op 22 oktober 2001 beroep ingesteld.

De zaak is aan de orde gesteld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 24 juli 2002. Partijen zijn -met kennisgeving- niet verschenen.

Motivering

Met ingang van 1 januari 2002 is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) getreden in de rechten en plichten van het Lisv (art. 9, 11 en 17 Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, Stb. 2001, 625). Waar in deze uitspraak gesproken wordt van 'verweerder' moet tot die datum dan ook worden gelezen 'het Lisv'.

Bij haar oordeelsvorming is de rechtbank uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser, geboren op 11 januari 1945, is sinds 1 februari 1976 werkzaam geweest bij KPN Telecom B.V (hierna: KPN). Op 25 april 2001 is de arbeidsovereenkomst met ingang van 16 mei 2001 door de kantonrechter ontbonden onder toekenning van een substantiële vergoeding.

Eiser heeft vervolgens op 29 mei 2001 bij verweerder een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 26 juni 2001 is de toegewezen schadevergoeding gelijk gesteld met het loon over de opzegtermijn die normaal gesproken in acht zou zijn genomen. Deze termijn loopt volgens verweerder voor eiser van 26 april 2001 tot 1 oktober 2001. Gedurende deze periode wordt eiser geacht loon te ontvangen, zodat er geen recht op een uitkering bestaat.

Op 1 augustus 2001 is namens eiser bezwaar aangetekend tegen dit besluit. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard. Verweerder overweegt hierbij dat voor de vaststelling van de opzegtermijn dient te worden uitgegaan van hetgeen hierover in de CAO Koninklijke PTT Nederland BV (hierna: CAO) is bepaald, namelijk dat er een opzegtermijn van zes maanden geldt indien de arbeidsovereenkomst langer dan vijftien jaar heeft geduurd. Deze opzegtermijn moet vervolgens met een maand worden verkort omdat de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden. Tot slot wordt na de vaststelling van de juiste termijn de bepaling toegepast van de gebruikelijke dag van opzegging. Verweerder komt aldus tot een berekening van een opzegtermijn van vijf maanden. De opzegtermijn is dan de periode 26 april 2001 tot 1 oktober 2001.

In beroep is namens eiser gesteld - onder verwijzing naar de uitspraak van 28 maart 2001 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)- dat bij de bepaling van de fictieve opzegtermijn uitgegaan moet worden van de opzegtermijn die voor eiser van toepassing zou zijn geweest in geval van een regelmatig ontslag. Op grond van art. 16 lid 3 van de WW juncto art. 7:672 lid 2 van het BW zou de opzegtermijn voor eiser 4 maanden hebben bedragen. Na aftrek van één maand ingevolge art. 7:672 lid 4 en opzegging tegen het eind van de maand wordt de eerste dag waarop eiser recht heeft op een WW-uitkering 1 september 2001.

In dit geding dient de rechtbank te beoordelen of het bestreden besluit terecht en op goede gronden is genomen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Met ingang van 1 januari 1999 is de Flexwet in werking getreden. Sedert de invoering van deze wet is in art. 16 lid 3 WW -voor zover van belang- bepaald dat met het recht op onverminderde doorbetaling van loon -zoals bedoeld in art. 16 lid 1 WW- gelijk worden gesteld de inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, tot aan het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van de rechtens geldende termijn zou zijn geëindigd. Onder inkomsten als bedoeld in de eerste zin wordt niet verstaan een door de rechter toegewezen vergoeding van proceskosten. Onder de rechtens geldende termijn, bedoeld in de eerste zin, wordt verstaan de termijn die de werkgever of de werknemer op grond van artikel 672 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 94 tot en met 97 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of een overeenkomstige bepaling van een soortgelijke regeling ieder voor zich bij opzegging in acht behoort te nemen. In geval de dienstbetrekking is geëindigd met wederzijds goedvinden wordt onder de rechtens geldende termijn, bedoeld in de eerste zin, verstaan de termijn die de werkgever op grond van artikel 672 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 94 tot en met 97 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of een overeenkomstige bepaling van een soortgelijke regeling bij opzegging in acht behoort te nemen. Het in de eerste zin bedoelde bedrag wordt:

a. (….)

b. indien de dienstbetrekking is geëindigd door ontbinding, toegerekend aan de periode onmiddellijk volgend op de datum van de beschikking tot ontbinding;

c. indien de dienstbetrekking is geëindigd met wederzijds goedvinden, toegerekend aan de periode onmiddellijk volgend op de datum waarop de beëindiging schriftelijk is overeengekomen, dan wel, bij gebrek aan een schriftelijke beëindigingsovereenkomst, aan de periode onmiddellijk volgend op het tijdstip waarop de dienstbetrekking is geëindigd.

Indien de dienstbetrekking is geëindigd door ontbinding op verzoek van de werkgever, is artikel

672 lid 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge art. XXI van de Flexwet blijft voor de werknemer die op het tijdstip van het in werking treden van deze wet 45 jaar of ouder was en voor wie op dat tijdstip een langere termijn voor opzegging gold dan volgens deze wet, de oude termijn gelden zo lang hij bij dezelfde werkgever in dienst blijft.

Art. 7:672 BW luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Opzegging geschiedt tegen het einde van de maand, tenzij bij schriftelijke overeenkomst of door het gebruik een andere dag daarvoor is aangewezen.

2. De door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging bedraagt bij een arbeidsovereenkomst die op de dag van opzegging:

a. korter dan vijf jaar heeft geduurd: één maand;

b. vijf jaar of langer, maar korter dan tien jaar heeft geduurd: twee maanden;

c. tien jaar of langer, maar korter dan vijftien jaar heeft geduurd: drie maanden;

d. vijftien jaar of langer heeft geduurd: vier maanden.

4. Indien de toestemming bedoeld in art. 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 is verleend, wordt de door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging verkort met één maand, met dien verstande dat de resterende termijn van opzegging ten minste één maand bedraagt.

5. De termijn, bedoeld in lid 2, kan slechts worden verkort bij collectieve arbeidsovereenkomst (...). De termijn kan schriftelijk worden verlengd.

In art. 26 van de CAO is onder "Opzegging arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd" het volgende bepaald:

De werkgever en de werknemer nemen bij het bepalen van de opzegtermijn het volgende in acht:

a. de opzegtermijn bedraagt voor de werkgever bij een dienstbetrekking die op de dag van de opzegging

- korter dan 5 jaar heeft geduurd: 1 maand

- 5 jaar of langer, maar korter dan 15 jaar heeft geduurd: 3 maanden

- 15 jaar of langer heeft geduurd: 6 maanden

b. (….)

De opzegging dient schriftelijk te geschieden tegen het eind van de kalendermaand.

De arbeidsovereenkomst van eiser is op verzoek van KPN bij beschikking van de kantonrechter op 16 mei 2001 ontbonden. Derhalve dient op grond van art. 16 lid 3 aanhef en sub b van de WW 17 mei 2001 als aanvangsdatum voor de in het geval van eiser rechtens in acht te nemen opzegtermijn te worden vastgesteld.

De duur van de opzegtermijn is vastgelegd in art. 7:672 lid 2 van het BW. Eiser is sinds 1 februari 1976 bij KPN werkzaam geweest, dit zijn op het moment van ontbinding 24 volle dienstjaren. De arbeidsovereenkomst heeft langer dan 15 jaar geduurd, zodat de opzegtermijn op grond van dit artikel 4 maanden zou zijn. Ingevolge het vijfde lid van laatstgenoemd artikel kan de opzegtermijn echter schriftelijk verlengd worden. Van laatstbedoelde situatie is in het geval van eiser sprake. Ingevolge art. 26 van de CAO bedraagt de opzegtermijn van eiser 6 maanden.

In beroep is namens eiser aangevoerd dat, de fictieve opzegtermijn uitsluitend wordt bepaald door art. 7:672 BW en kennelijk dus niet mede, zo begrijpt de rechtbank diens standpunt, door de in de CAO geregelde opzegtermijn.

In het verlengde van de uitspraak van de CRvB van 28 maart 2001 is de rechtbank van oordeel dat dit standpunt van eiser niet kan worden gevolgd. Gemachtigde van eiser heeft de CRvB terecht geciteerd dat waar het hier gaat om de vaststelling van een in de WW gedefinieerde fictieve termijn dit niet noodzakelijkerwijs met zich brengt dat deze termijn gelijk moet zijn aan de volgens het arbeidsrecht tussen werkgever en werknemer geldende opzegtermijn, maar hiermee miskent gemachtigde van eiser naar het oordeel van de rechtbank dat art. 7:672 BW in zijn volle omvang van toepassing is. In art. 16 derde lid WW wordt immers terzake van de in acht te nemen fictieve opzegtermijn verwezen naar het hele art. 7:672 BW met inbegrip van het vijfde lid waarin een schriftelijke verlenging van de termijn wordt toegelaten.

Bij de uiteindelijke bepaling van de rechtens in acht te nemen opzegtermijn dient vervolgens op basis van de laatste volzin van art. 16 lid 3 van de WW en het bepaalde in art. 7:672 lid 4 van het BW de termijn van opzegging te worden verkort met één maand.

Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de rechtens in acht te nemen termijn van opzegging door verweerder op juiste wijze is vastgesteld.

Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om met toepassing van art. 8:75 lid 1 Awb een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2002, in tegenwoordigheid van mr. F. Aissa als griffier.

w.g. F. Aissa w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht.

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 2 augustus 2002