Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2002:AE6350

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
05-08-2002
Datum publicatie
08-08-2002
Zaaknummer
02/771 HOREC
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2002/1328
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 02/771 HOREC

Inzake het geding tussen

Heizel Beheer BV, handelend onder de naam 't Golden Fust, gevestigd te Leeuwarden, verzoekster,

gemachtigde: J.L. Heida, directeur,

en

de burgemeester van Leeuwarden, verweerder,

gemachtigden: P.J. Achterhof en J. Heida, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 24 juni 2002 heeft verweerder verzoekster mededeling gedaan van een besluit met betrekking tot de toepassing van de Algemene plaatselijke verordening Leeuwarden (APV).

Namens verzoekster is tegen dit besluit op 4 juli 2002 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoeksters gemachtigde bij brief van 10 juli 2002 verzocht om ingevolge art. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 1 augustus 2002. Namens verzoekster is niemand verschenen. Namens verweerder zijn bovengenoemde gemachtigden verschenen.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekster te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Verzoekster exploiteert een horecabedrijf, onder de naam 't Golden Fust, in het pand Bij De Put 6 te Leeuwarden. Aan verzoekster is voor de jaren 1998, 1999 en 2000 een exploitatievergunning verleend, waarbij de toegestane openingstijden waren bepaald op maandag tot en met zondag van 06:00 uur tot 23:00 uur, terwijl in de exploitatievergunning voor het jaar 2001 de toegestane openingstijden zijn gesteld op 06:00 uur tot 01:00 uur. Op 26 maart 2002 heeft verzoekster bij verweerder een aanvraag ter verkrijging van een exploitatievergunning op grond van art. 2.3.1.1a APV ingediend ten behoeve van het jaar 2002. Bij het bestreden besluit is de gevraagde vergunning aan verzoekster verleend, waarbij de toegestane openingstijden zijn bepaald op maandag tot en met zondag van 06:00 uur tot 23:00 uur.

Namens verzoekster is tegen het bestreden besluit een bezwaarschrift ingediend. Tevens is in verband met de beperkte openingstijden ten opzichte van het jaar 2001 aan de voorzieningenrechter gevraagd een zodanige voorlopige voorziening te treffen dat verzoekster hangende het bezwaar tegen het desbetreffende besluit haar exploitatie voort kan zetten met de openingstijden van 06:00 uur tot 01:00 uur.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Ingevolge art. 2.3.1.1.a lid 1 APV is het verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

Art. 2.3.1.2 lid 2 APV bepaalt - voor zover hier van belang - dat het de ondernemer van een horecabedrijf toegestaan is dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven van 06.00 uur tot 23.00 uur in de gebieden binnen de stadsgrachten die in de Horecanota met de bestemming deconcentratiegebied zijn aangewezen.

In art. 2.3.1.2 lid 7 APV is bepaald dat de burgemeester overeenkomstig het gestelde in art. 1.4 door middel van een vergunningsvoorschrift voor een afzonderlijk horecabedrijf of voor een daartoe behorend terras een ander sluitings- en/of toelatingsuur of andere sluitings- en/of toelatingsuren kan vaststellen.

Art. 1.4 lid 1 APV - voor zover van belang - bepaalt dat aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen verbonden kunnen worden.

Niet in geschil is het feit dat het onderhavige horecabedrijf, gelet op hetgeen hierover geregeld is in de Horecanota van de gemeente Leeuwarden van februari 1998, gelegen is in het zogenaamde deconcentratiegebied. Volgens het hierboven aangegeven art. 2.3.1.2 lid 2 APV geldt voor horecabedrijven die gelegen zijn in dit gebied een openingstijd van 06.00 uur tot 23.00 uur.

Een verruiming van deze openingstijd is, gelet op de redactie van de artikelen 2.3.1.2 lid 7 en 1.4 lid 1 APV, niet aan de orde, aangezien deze artikelen zien op voorschriften en beperkingen die verbonden kunnen worden aan de krachtens de verordening verleende vergunning of ontheffing.

De voorzieningenrechter is voorts niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in het onderhavige geval tot een ruimere sluitingstijd had moeten beslissen.

Voor wat betreft het feit dat verzoeker voor het jaar 2001 een vergunning van verweerder heeft gekregen waarbij de toegestane openingstijden zijn vastgesteld op 06.00 uur tot 01.00 uur, oordeelt de voorzieningenrechter dat verweerder, onder meer verwijzend naar de artikelen 2.3.1.2 lid 7 en 1.4 lid 1 APV, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze verruiming van de openingstijden voor het jaar 2001 een vergissing is geweest. Bovendien kunnen er in het algemeen geen rechten worden ontleend aan een eenmalig ten onrechte genomen besluit. Ter zitting is namens verweerder aangegeven dat nog nader zal worden onderzocht waarom voor het jaar 2001 per abuis een ruimere openingstijd is vastgesteld. In het besluit op bewaar zal hierop worden teruggekomen.

De voorzieningenrechter onderstreept daarnaast het standpunt van verweerder dat er bij verzoeker geen verwachtingen zijn gewekt omtrent eventuele verruiming van de openingstijden. Verzoeker heeft in de jaren voorafgaand aan het jaar 2001 exploitatievergunningen gekregen, waarbij de openingstijden zijn bepaald op 06.00 uur tot 23.00 uur. Voorts mag verzoeker verondersteld worden op de hoogte te zijn van het beleid met betrekking tot de sluitingstijden, gelet op de vergeefse inspanningen van verzoeker om bij de totstandkoming van het horecabeleid de sluitingstijden te verruimen. Op grond van het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel.

Voor wat betreft het beroep op het gelijkheidsbeginsel oordeelt de voorzieningenrechter dat in voldoende mate is komen vast te staan dat de door verzoeker naar voren gebrachte andere horeca-inrichtingen in het deconcentratiegebied, die wel een vergunning hebben gekregen waarbij de openingstijden zijn bepaald op 06.00 uur tot 01.00 uur, zich op het in art. 2.3.1.2.a APV neergelegde overgangsrecht kunnen beroepen.

Naar verwachting zal het bestreden besluit in stand kunnen blijven, hetgeen betekent dat het bezwaarschrift van verzoekster ongegrond zal worden verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening moet daarom worden afgewezen.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om een partij te veroordelen in de proceskosten.

Al het vorenstaande heeft geleid tot de volgende beslissing.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2002, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Molenaar als griffier.

w.g. M.R. Molenaar

w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: 6 augustus 2002