Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2002:AE4683

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
21-06-2002
Datum publicatie
27-06-2002
Zaaknummer
02/639 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 02/639 GEMWT

Inzake het geding tussen

[naam eiser], wonende te [woonplaats eiser], verzoeker,

gemachtigde: mr. D.S. Groenveld, advocaat te Hoorn (NH),

en

het college van burgemeester en wethouders van Terschelling, verweerder,

gemachtigde: mr. G. Martens, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 8 mei 2002 heeft verweerder verzoeker mededeling gedaan van een besluit met betrekking tot de oplegging van een last onder dwangsom.

Namens verzoeker is tegen dit besluit op 12 juni 2002 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoekers gemachtigde zich bij brief van 13 juni 2002 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om ingevolge het bepaalde in art. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 20 juni 2002. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoeker te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Op 10 februari 2000 heeft verzoeker een aanlegvergunning aangevraagd voor het aanleggen van een weg op het perceel, kadastraal bekend gemeente Terschelling, sectie K, nummer 786, ten behoeve van de bereikbaarheid van het perceel sectie K, nr. 672, achter de [adres]. Op laatstgenoemd perceel is café "[naam cafe]" met muziekstudio van verzoeker gevestigd.

Bij besluit van 22 februari 2000 heeft verweerder de gevraagde aanlegvergunning verleend, waarna verzoeker de weg heeft aangelegd.

Omwonenden hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit om een aanlegvergunning te verlenen. Verweerder heeft deze bezwaren bij besluit van 1 november 2000 gegrond verklaard en de aanlegvergunning herroepen wegens strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied Polder". De aanlegvergunning is alsnog geweigerd.

Het door verzoeker tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 1 oktober 2001 (registratienummer 00/1225 BSTPL) gegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, doch de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

Op 6 april 2002 heeft verzoeker een nieuwe aanvraag voor een aanlegvergunning bij verweerder ingediend. Bij besluit van 8 mei 2002 is deze aanvraag met toepassing van art. 4:6 van de Awb afgewezen, omdat niet gebleken is van nieuwe feiten en veranderde omstandigheden. Tegen de afwijzing is namens verzoeker bezwaar gemaakt.

Inmiddels had verweerder verzoeker bij brief van 11 maart 2002 in kennis gesteld van het voornemen over te gaan tot oplegging van een last onder dwangsom, indien verzoeker niet zou overgaan tot verwijdering van de weg.

Bij besluit van 8 mei 2002 heeft verweerder verzoeker aangeschreven de door hem aangelegde weg over het perceel K 786 en perceel K. 672 te Hoorn te verwijderen en de gronden in de oorspronkelijke staat terug te brengen vóór 15 juni 2002. Bij het niet voldoen aan de aanschrijving verbeurt verzoeker een dwangsom van € 250,= per dag tot een maximum van € 20.000,=.

Namens verzoeker is tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij verweerder en daarnaast is aan de voorzieningenrechter gevraagd het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Op grond van art. 125 Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang. De bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Art. 5:21 Awb bepaalt dat onder bestuursdwang wordt verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, kan op grond van art. 5:32 lid 1 Awb in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. Een last onder dwangsom strekt ertoe de overtreding ongedaan te maken dan wel herhaling van de overtreding te voorkomen, zodat de feitelijke situatie in overeenstemming wordt gebracht of in overeenstemming blijft met de rechtens behorende situatie.

Het nemen van een beslissing tot oplegging van een last onder dwangsom is een bevoegdheid, en geen verplichting voor een bestuursorgaan. Bij de uitoefening van de bevoegdheid dient verweerder de belangen die met de toepassing van deze handhavingsmaatregel zijn gediend af te wegen tegen die welke daardoor worden geschaad.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was verweerder bevoegd om het besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom te nemen nu blijkens de uitspraak van de rechtbank van 1 oktober 2001, welke uitspraak onherroepelijk is geworden, vast staat dat terecht aanlegvergunning is geweigerd.

Namens verzoeker is aangevoerd dat inmiddels op 6 april 2002 een nieuwe aanvraag voor een aanlegvergunning is ingediend. Deze aanvraag is door verweerder bij besluit van 8 mei 2002 afgewezen, met toepassing van het bepaalde in art. 4:6 Awb. Volgens verzoeker had verweerder de nieuwe aanvraag echter inhoudelijk moeten beoordelen en had verweerder moeten bezien of vrijstelling op grond van art. 19 van de wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), zoals dit artikel luidt sedert 3 april 2000, mogelijk is. Daarnaast is aangevoerd dat de aanvraag tevens aan het nieuwe bestemmingsplan "Hoorn" getoetst zal moeten worden.

De voorzieningenrechter overweegt dat van een bestuursorgaan kan worden verlangd dat het, alvorens tot het opleggen van een last onder dwangsom wordt overgegaan, onderzoekt of voor de illegale toestand alsnog een vergunning kan worden verleend. Indien, zoals in het onderhavige geval, reeds vergunning is geweigerd en deze weigering onherroepelijk is geworden komt de verplichting om de mogelijkheid van legalisatie te onderzoeken in beginsel niet meer aan de orde. Slechts indien moet worden aangenomen dat er legalisatiemogelijkheden zijn door verandering van de voorschriften, respectievelijk door een bestemmingsplanwijziging kunnen deze wijzigingen nog een rol spelen.

De voorzieningenrechter overweegt dat legalisatie in dit geval alleen bereikt zou kunnen worden door middel van de in art. 19 lid 1 WRO neergelegde zelfstandige projectprocedure, dan wel met toepassing van de lichte vrijstellingsprocedure ex art. 19 lid 2 WRO. Met betrekking tot het verlenen van vrijstelling heeft het bestuursorgaan beleidsvrijheid. Er moet dan ook een belangenafweging gemaakt worden, waarmee -zoals in dit geval- ook belangen van omwonenden meespelen.

Gebleken is dat er van de zijde van het gemeentebestuur respectievelijk verweerder niet de bereidheid bestaat gebruik te maken van de vrijstellingsbevoegdheid op grond van art. 19 lid 1 WRO dan wel art. 19 lid 2 WRO. Namens verweerder is ter zitting aangevoerd dat de nieuwe vrijstellingsregeling ex art. 19 lid 1 WRO verzoeker geen soelaas kan bieden, omdat de aanvraag niet of nauwelijks is onderbouwd op het punt van de uitstraling die het werk of de met de vrijstelling beoogde ruimtelijke ontwikkeling heeft op de kwaliteit van de leefomgeving, terwijl anderzijds inpasbaarheid in het relevante plan "Polder" en het onlangs vastgestelde plan "Hoorn" qua aangrenzende functies en bestemmingen geen ruimte bieden. Ook zou bij toepasselijkheid van de lichte vrijstellingsprocedure ex art. 19 lid 2 WRO geen toepassing gegeven worden aan de vrijstellingsbevoegdheid, omdat onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de aangrenzende functies en bestemmingen. Ter onderbouwing van verweerders standpunt is voorts gewezen op een rapportage van 2 februari 2002 van Bureau Vijn, waarin is aangegeven dat gezien de strijd met het bestemmingsplan en de grote mate van precedentwerking die deze kwestie met zich mee kan brengen, er alle aanleiding is om tot aanschrijving over te gaan.

Nu voldoende duidelijk is dat er aan de zijde van verweerder geen bereidheid bestaat mee te werken aan legalisering van de weg en er ook geen grond bestaat voor de verwachting dat alsnog vrijstelling zal worden verleend, komt verweerders besluit tot oplegging van een last onder dwangsom de voorzieningenrechter niet onredelijk voor.

De voorzieningenrechter overweegt voorts dat er geen grond is te oordelen dat verweerder de besluitvorming inzake de aanschrijving had moeten aanhouden, totdat op de -overigens eerst op 6 april 2002 ingediende- aanvraag van verzoeker om hem alsnog aanlegvergunning te verlenen onherroepelijk is beslist.

Nu ook overigens niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, die eraan in de weg staan dat aan het belang van handhaving van wettelijke voorschriften doorslaggevende betekenis wordt toegekend, komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat niet kan worden gezegd dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening moet gelet op het vorenstaande afgewezen worden.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2002, in tegenwoordigheid van mr. P.R.M. Poiesz als griffier.

w.g. P.R.M. Poiesz

w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: 26 juni 2002