Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2002:AE4459

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
18-06-2002
Datum publicatie
21-06-2002
Zaaknummer
01/854 WWCON
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr: 01/854 WWCON

Inzake het geding tussen

de Stichting Christelijke Hogeschool Noord-Nederland (CHN), gevestigd te Leeuwarden, eiseres,

gemachtigde: mr. P.H. Redeker, advocaat te Leeuwarden,

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, verweerder,

gemachtigde: mr. C. van den Berg, werkzaam bij USZO te Groningen.

Procesverloop

Bij beslissing van 3 maart 1998 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 16 december 1997 om [naam] (hierna: [naam]), voormalig werknemer van eiseres, een werkloosheidsuitkering toe te kennen, niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze beslissing heeft eiseres beroep ingesteld.

De rechtbank 's-Gravenhage heeft dit beroep bij uitspraak van 16 augustus 1999 ongegrond verklaard, waartegen eiseres hoger beroep heeft ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bij besluit van 11 juni 2001 heeft verweerder zijn beslissing op bezwaar van 3 maart 1998, naar de rechtbank begrijpt, ingetrokken en toegezegd de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit van 16 december 1997 alsnog inhoudelijk te behandelen. Hierop heeft eiseres het hoger beroep ingetrokken.

Verweerder heeft vervolgens voormelde bezwaren bij besluit van 16 augustus 2001 ongegrond verklaard, waartegen eiseres bij brief van 26 september 2001, ontvangen op 27 september 2001, beroep heeft ingesteld.

De zaak is, gevoegd met de zaak van eiseres geregistreerd onder nummer 00/12 WET, behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 3 april 2002. Eiseres en verweerder zijn verschenen bij de gemachtigden voornoemd.

Motivering

De kantonrechter te Utrecht heeft bij beschikking van 29 september 1997 de arbeidsovereenkomst tussen [naam] en eiseres per 15 oktober 1997 ontbonden wegens een onherstelbare verstoring van de arbeidsverhouding, zijnde een verandering van omstandigheden die de ontbinding rechtvaardigt.

Verweerder heeft op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel (BWOO) bij besluit van 16 december 1997 aan eiser een loongerelateerde uitkering over de periode van 15 oktober 1997 tot 15 april 2000 en een aanvullende uitkering tot 15 oktober 2003 toegekend. Bij datzelfde besluit heeft verweerder het uitkeringspercentage in de periode van 15 oktober 1997 tot 15 april 1998 verminderd tot 35% (van het bruto dagloon), op de grond dat de ernstig verstoorde arbeidsrelatie mede aan eiseres te wijten is.

Tegen dit besluit is door zowel eiseres als [naam] bezwaar gemaakt bij brieven van respectievelijk 20 januari 1998 en 23 januari 1998.

Het bezwaar van [naam] heeft verweerder bij besluit van 25 mei 1998 ongegrond verklaard, tegen welke beslissing [naam] beroep heeft ingesteld. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres bij beslissing van 3 maart 1998 niet-ontvankelijk verklaard, waartegen eiseres beroep heeft aangetekend.

Bij uitspraak van 16 augustus 1999 heeft de rechtbank 's-Gravenhage het beroep van [naam] ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft [naam] geen hoger beroep ingesteld. Bij afzonderlijke uitspraak van dezelfde datum heeft de rechtbank 's-Gravenhage het beroep van eiseres eveneens ongegrond verklaard, waartegen eiseres hoger beroep heeft ingesteld.

Bij besluit van 11 juni 2001 heeft verweerder zijn beslissing op de bezwaren van eiseres van 3 maart 1998 vervolgens ingetrokken en toegezegd de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit van 16 december 1997 alsnog inhoudelijk te behandelen. Hierop heeft eiseres het hoger beroep ingetrokken.

De hiervoor vermelde bezwaren heeft verweerder bij het thans bestreden besluit van 16 augustus 2001 ongegrond verklaard.

Verweerder stelt dat de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 augustus 1999, waarbij het beroep van [naam] ongegrond is verklaard, in rechte onaantastbaar is geworden. Had eiseres het besluit om [naam] een werkloosheidsuitkering toe te kennen in rechte willen aanvechten dan had zij, naast het beroep tegen het oordeel van verweerder dat zij niet-ontvankelijk was, beroep in moeten stellen tegen de beslissing op bezwaar van [naam] en daarop volgend hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank naar aanleiding van deze beslissing op bezwaar.

De rechtbank kan verweerder in deze stelling niet volgen. Tegen een niet-ontvankelijkverklaring kan (hoger) beroep worden ingesteld. Uit de systematiek van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vloeit voort dat indien het (hoger) beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring gegrond wordt geacht, het bestreden besluit dan wel de uitspraak van de rechtbank kan worden vernietigd, waarna het bestreden besluit, op grondslag van de aangevoerde grieven, alsnog door het bestuursorgaan, de rechtbank of het hoger beroepsorgaan inhoudelijk dient te worden beoordeeld, ervan uitgaande dat er geen andere beletselen zijn om de reclamant in zijn bezwaar of (hoger) beroep te ontvangen. Gelet hierop behoefde eiseres, wilde zij nog een inhoudelijk oordeel hebben over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, geen beroep in te stellen tegen de beslissing op bezwaar van [naam] en/of hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, waarbij het beroep van [naam] ongegrond is verklaard. De rechtbank vermag niet anders te oordelen in het onderhavige geval waarin het besluit om verweerder niet ontvankelijk te verklaren en het hoger beroep zijn ingetrokken.

Vervolgens dient te vraag te worden beantwoord of de rechtbank toekomt aan de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit, nu de rechtbank 's-Gravenhage daarover al een uitspraak heeft gedaan. De rechtbank stelt voorop dat een uitspraak van de bestuursrechter slechts de (rechts)personen bindt die als partij of derde-belanghebbende aan het geding hebben deelgenomen alsmede de (rechts)personen die verzuimd hebben tijdig op te komen tegen het bestreden besluit. Hieruit volgt dat eiseres, die in een afzonderlijke bestuursrechtelijke procedure hetzelfde besluit aanvecht, niet is gebonden aan de uitspraak van de rechtbank in een andere procedure.

Verweerder, die in beide procedures als partij aan het geding deelneemt, is daarentegen wel gebonden aan de in kracht van gewijsde gegane uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage. Hij heeft evenwel de bevoegdheid om op grond van nadien gebleken feiten en omstandigheden, zoals een andersluidende uitspraak van een andere rechtbank, zijn beslissing op bezwaar te herzien. De vraag in hoeverre [naam] erop mocht vertrouwen dat deze beslissing op bezwaar niet meer zou worden herzien, kan in deze procedure niet aan de orde komen.

Vorenstaande brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat zij de rechtmatigheid van het thans bestreden besluit, nu haar geen beletselen zijn gebleken om eiseres in haar beroep te ontvangen, kan toetsen.

Art. 10 lid 1 onderdeel a BWOO bepaalt dat de betrokkene voorkomt dat hij werkloos wordt. Op grond van het tweede lid van dit artikel is de betrokkene onder meer verwijtbaar werkloos geworden indien hij zich zodanig verwijtbaar heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag zijn ontslag tot gevolg zou hebben.

Indien de betrokkene een verplichting, hem op grond van de artikelen 10, 11 en 12 opgelegd, niet nakomt is ingevolge art. 13 lid 1 BWOO, zoals dat luidde ten tijde in geding, het uitvoeringsorgaan bevoegd de uitkering blijvend geheel te weigeren, tijdelijk of blijvend gedeeltelijk te weigeren of de uitkeringsduur te beperken.

Op grond van art. 2 lid 1 van de Regeling maatregelen sector O en W (de Regeling), zoals dat luidde ten tijde in geding, legt het uitvoeringsorgaan een maatregel op met inachtneming van de Regeling. De verplichtingen, waarop een maatregel van toepassing is, zijn ingedeeld in categorieën en opgenomen in de bijlage bij de Regeling. De verplichting als bedoeld in art. 10 lid 1 onderdeel a BWOO valt volgens voormelde bijlage van de Regeling in de vijfde categorie ten 7º.

Ingevolge art. 7 lid 1 aanhef en onderdeel e van de Regeling bedragen de hoogte en de duur van de maatregel bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting opgenomen in de vijfde categorie, ten 7º van de bijlage: blijvende gehele weigering van de uitkering, tenzij het niet nakomen van de verplichting de betrokkene niet in overwegende mate kan worden verweten, wordt een verlaging van het uitkeringspercentage tot 35% gedurende 26 weken toegepast.

Verweerder voert aan dat eiseres eveneens een, zij het veel geringere, bijdrage heeft geleverd aan de conflictueuze situatie die heeft geleid tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Daarvoor is volgens verweerder voldoende grond te vinden in de beschikking van de kantonrechter. Verweerder verwijst daarbij naar de passage waarin de kantonrechter overweegt dat het aan [naam] te maken verwijt aanzienlijk groter is dan het verwijt dat CHN moet worden gemaakt.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst [naam] in overwegende mate kan worden verweten. Zij baseert zich daarbij op het oordeel van de kantonrechter dat het functioneren van [naam] reeds gedurende een groot aantal jaren beneden een in redelijkheid door CHN gestelde maat is gebleven. Dat heeft in sterke mate een verlagende invloed gehad op de hoogte van de vergoeding. Het feit dat de kantonrechter het [naam] te maken verwijt aanzienlijk groter acht dan het verwijt dat CHN moet worden gemaakt, duidt eveneens, in tegenstelling tot hetgeen verweerder betoogt, op een over-wegende mate van verwijtbaarheid.

De stelling van verweerder dat uit de overweging van de kantonrechter, dat het aan [naam] te maken verwijt aanzienlijk groter is dan het verwijt dat eiseres kan worden gemaakt, geconcludeerd moet worden dat het [naam] niet in overwegende kan worden verweten dat hij werkloos is geworden, acht de rechtbank, gelet op de nagenoeg gelijkluidende strekking van de woorden 'aanzienlijk' en 'overwegende', onbegrijpelijk. De rechtbank is daarom van oordeel dat de door verweerder gegeven motivering het bestreden besluit niet kan dragen. De rechtbank zal derhalve het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit zal, wegens strijd met art. 7:12 lid 1 Awb, worden vernietigd en verweerder zal, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

De rechtbank zal bepalen dat het door eiseres gestorte griffierecht van € 204,20 door de Staat der Nederlanden wordt vergoed.

De rechtbank zal verweerder veroordelen in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eiseres terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 644,00 (beroepschrift: 1 punt; verschijnen ter zitting: 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt: € 322,00). De rechtbank wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden het gestorte griffierecht van € 204,20 aan eiseres vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,00, aan eiseres te vergoeden door de Staat der Nederlanden.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2002, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Bouma als griffier.

w.g. G.J. Bouma w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto art. 6:24 Awb. Indien u daarvan gebruik wilt maken, moet u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een beroepschrift alsmede een afschrift van deze uitspraak zenden aan:

Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u dan waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 18 juni 2002