Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2002:AE3779

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
05-06-2002
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
00/999 ALGEM
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 00/999 ALGEM

Inzake het geding tussen

[naam] Revalidatietechniek BV, gevestigd te Leeuwarden, eiseres,

gemachtigde: mr. E. Nannen, werkzaam bij HLB Nannen Accountants en Consultants in Groningen,

en

het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), verweerder,

gemachtigde: mr. E. de Vries, werkzaam bij UWV Gak te Amsterdam.

Procesverloop

Bij brief van 23 augustus 2000 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van een besluit op bezwaar waarbij [naam interim-manager], interim-manager van eiseres (hierna: [naam interim-manager]), ingaande 1 april 2000 verplicht verzekerd is geacht in het kader van de Werkloosheidswet (WW), de Ziektewet (ZW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en eventueel de Ziekenfondswet (ZFW).

Tegen dit besluit is namens eiseres beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, op 1 mei 2002. De rechtbank heeft partijen opgeroepen. Deze hebben zich laten vertegenwoordigen door bovengenoemde gemachtigden. De rechtbank heeft [naam interim-manager] als getuige opgeroepen. Deze heeft ter zitting onder verband van de belofte vragen van de rechtbank beantwoord.

Motivering

Met ingang van 1 januari 2002 is het Uwv getreden in de rechten en plichten van het Lisv (art. 9, 11 en 17 Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, Stb. 2001, 625). Waar in deze uitspraak gesproken wordt van 'verweerder' moet tot die datum dan ook worden gelezen 'het Lisv'.

Tijdens een gesprek op 9 februari 1999 tussen een buitendienstmedewerker van verweerder en de houdstermaatschappij van eiseres kwam naar voren dat [naam interim-manager] destijds van eiseres een opdracht als interim-manager heeft gekregen voor 2 jaar. Het betreft een contract voor de periode van 1 april 1998 tot 1 april 2000. Bij besluit van 4 maart 1999 heeft verweerder eiseres bericht dat [naam interim-manager] niet verzekeringsplichtig is in zijn arbeidsverhouding met eiseres. Die beslissing blijft volgens dit besluit geldig zolang er géén wijziging plaatsvindt in de arbeidsverhouding.

Bij brief van 10 december 1999 is verweerder namens eiseres bericht dat [naam interim-manager] zijn werkzaamheden als interim-manager voor eiseres voor een termijn van 2,5 jaar zal continueren. Eiseres heeft verweerder in deze brief gevraagd te bevestigen dat er tussen haar en [naam interim-manager] geen dienstbetrekking bestaat. Uit een brief van 23 februari 2000 van eiseres aan [naam interim-manager] blijkt vervolgens, dat het contract tussen eiseres en [naam interim-manager] alsnog met één jaar, tot 1 april 2001, is verlengd. Uit een nieuw buitendienstonderzoek is onder meer de conclusie naar voren gekomen dat, nu Koop al langer dan 2 jaar voor eiseres werkt, geen sprake meer is van economische onafhankelijkheid en dat [naam interim-manager] ingaande 1 april 2000 verzekeringsplichtig is. Bij besluit van 23 maart 2000 heeft verweerder eiseres dit laatste medegedeeld. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 23 maart 2000 ongegrond verklaard.

Verweerder stelt zich -onder meer en samengevat- op het standpunt dat onvoldoende aannemelijk is dat er ingaande 1 april 2000 een gezagsverhouding tussen eiseres en [naam interim-manager] bestaat, maar dat er ingaande die datum wel een arbeidsverhouding bestaat als bedoeld in art. 5 aanhef en onder d van de ZW, WW en WAO, in samenhang met art. 5 van het KB van 24 december 1986, Stb. 1986, 655 (hierna: het KB). Volgens art. 5 lid 4 van het Besluit vaststelling zelfstandigheid interim-managers (Lisv-besluit van 30 september 1998, Stcrt. 1998, 193, hierna: het Besluit) is er, als een opdracht langer dan anderhalf jaar duurt, geen sprake meer van zelfstandigheid voor die opdracht.

Namens eiseres is aangevoerd -onder meer en samengevat- dat [naam interim-manager] al jaren op professionele en zelfstandige wijze interim-management werkzaamheden verricht. Ten tijde in geding werd voor meerdere opdrachtgevers gewerkt. Bij een andere klant maakt [naam interim-manager] een aanzienlijk hogere omzet dan bij eiseres en als de opdracht van eiseres zou wegvallen, wordt er in 2000 nog steeds f 160.000,= omgezet. Voorts heeft art. 5 lid 4 van het Besluit de wonderlijke consequentie dat een manager die 5 of meer dagen per week uiterlijk twee jaar voor dezelfde opdrachtgever werkzaam kan zijn, zonder dat er een fictieve dienstbetrekking ontstaat, terwijl wél verzekeringsplicht ontstaat als een manager gedurende 25 maanden op twee halve dagen per week voor dezelfde opdrachtgever werkt. Ten slotte beroept eiseres zich op het door verweerder in diens besluit van 4 maart 1999 gewekte vertrouwen: inhoudelijk zijn er geen wijzigingen opgetreden in de werkzaamheden van [naam interim-manager].

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit terecht en op goede gronden is genomen. Zij overweegt als volgt.

In art. 5 aanhef en onder d van de WW, de ZW en de WAO is geregeld dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelen kunnen worden gesteld, ingevolge welke eveneens als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van degene, die tegen beloning persoonlijk arbeid verricht en wiens arbeidsverhouding niet reeds ingevolge de voorgaande bepalingen als dienstbetrekking wordt beschouwd, doch hiermede maatschappelijk gelijk kan worden gesteld.

In art. 5 van het KB (getroffen op grond van de art. 5 WW, ZW en WAO) is (kort gezegd) bepaald dat als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van de persoon die (onder meer) persoonlijk arbeid verricht op doorgaans ten minste twee dagen per week; de arbeidsverhouding wordt verder slechts als dienstbetrekking beschouwd als zij is aangegaan voor een aaneengesloten periode van tenminste dertig dagen en het bruto-inkomen uit deze arbeidsverhouding per week doorgaans ten minste 40% van het minimumloon zal bedragen. In art. 8 van het KB is bepaald dat voor de voor de toepassing van dit besluit niet als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van de persoon die (kort gezegd) arbeid verricht als zelfstandige.

In het Besluit vaststelling zelfstandigheid interimmanagers (besluit van het Lisv van 30 september 1998, Stcrt. 1998,193, zoals dit luidde ten tijde in geding, hierna: het Besluit) heeft verweerder het begrip zelfstandigheid voor de branche van interimmanagers uitgelegd. In art. 1 wordt als "interimmanager" aangeduid degene, die er zijn of haar beroep van maakt tegen vergoeding opdrachten van tijdelijke aard uit te voeren, die betrekking hebben op het oplossen van management en organisatievraagstukken in de ruimste zin des woords en het voeren van de dagelijkse leiding in organisaties, met de daarbij behorende verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Voorts is in art. 5 lid 4 en 5 van het Besluit bepaald dat, indien een opdracht langer dan anderhalf jaar duurt, er geen sprake meer is van zelfstandigheid voor die opdracht. Indien echter door onvoorziene omstandigheden een opdracht langer dan anderhalf jaar duurt, wordt, mits schriftelijk overeengekomen tussen opdrachtgever en opdrachtnemer, de termijn van lid 4 op maximaal twee jaar gesteld.

Voor de toepassing van art. 5 lid 4 en 5 van het Besluit acht verweerder blijkens het bestreden besluit de tijdelijke aard van een opdracht van belang bij de beoordeling van de zelfstandigheid van de interim-manager voor die opdracht. Naarmate een opdracht namelijk in tijdsduur toeneemt, komt de zelfstandigheid van de persoon die de opdracht uitvoert, ten aanzien van de opdracht meer in het geding, omdat zijn economische afhankelijkheid van de opdrachtgever toeneemt. De tijdelijkheid van een inkomen uit de opdracht wordt volgens verweerder dan verruild voor een vast inkomen. De rechtbank acht het beleid van verweerder, zoals neergelegd in art. 5 lid 4 en 5 van het Besluit, niet onaanvaardbaar.

Niet in geding is dat [naam interim-manager] langer dan 2 jaar als interim-manager bij eiseres heeft gewerkt. Uit zijn verklaring ter zitting komt verder naar voren dat hij doorgaans 2,5 dag per week werkzaam was. Voor zover op grond van deze verklaring moet worden aangenomen dat [naam interim-manager] vanaf september 2000 nog maar op één dag voor eiseres werkzaam was, is dat een nieuw gebleken feit, dat naar voren is gekomen na de datum van het bestreden besluit. Uit de tussen [naam interim-manager] en eiseres gemaakte afspraken, die zijn neergelegd in de brief van [naam interim-manager] aan eiseres van 27 maart 1998, blijkt dat zijn inkomen doorgaans ten minste 40% van het minimumloon bedroeg.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of [naam interim-manager] bij zijn werkzaamheden als interim-manager bij eiseres als zelfstandige moet worden beschouwd, in welk geval geen verzekeringsplicht op grond van het bepaalde in en krachtens de art. 5 ZW, WW en WAO kan worden aangenomen. Daarbij is volgens vaste jurisprudentie de feitelijke situatie doorslaggevend en niet hetgeen partijen hebben afgesproken.

Uit de stukken en de verklaring van [naam interim-manager] ter zitting blijkt, dat hij in de periode in geding, naast de opdracht bij eiseres, ook twee andere opdrachten had. Evenwel blijkt uit de namens eiseres verstrekte gegevens ook dat [naam interim-manager] in 2000 een substantieel deel van zijn omzet, namelijk f 100.000,=, genereerde uit de opdracht van eiseres. Ook al had hij volgens deze gegevens bij zijn twee andere opdrachtgevers in 2000 in totaal een omzet van f 163.000,=, toch moet worden geconcludeerd dat de omzet dat hij bij eiseres behaalde geruime tijd een zodanig groot aandeel in zijn totale omzet had, dat hij geacht moet worden ten aanzien van de opdracht van eiseres zijn zelfstandigheid te hebben verloren.

Niet doorslaggevend bij deze beoordeling is het feit dat [naam interim-manager] zich in zijn relatie tot eiseres wel presenteerde als zelfstandige, omdat, zoals boven al aangegeven, de feitelijke situatie de doorslag geeft. Evenmin is van doorslaggevend belang de vraag of [naam interim-manager] nu volle dagen of slechts op een tweetal dagen per week voor eiseres werkzaam was, te meer daar het bij interim-managers, voor welke beroepsgroep het Besluit in het leven is geroepen, niet zelden zal voorkomen dat zij slechts een deel van de week werkzaam zijn. De namens eiseres gemaakte vergelijking met notarissen, accountants en belastingadviseurs, die ook jarenlang voor dezelfde opdrachtgevers mogen werken zonder verzekeringsplichtig te worden geacht, gaat voorts niet zonder meer op, voor zover deze personen in het algemeen gesproken zoveel verschillende opdrachtgevers dan wel klanten hebben, dat aan hun zelfstandigheid niet hoeft te worden getwijfeld. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder, door in zijn besluit van 4 maart 1999 te vermelden, dat de beslissing om [naam interim-manager] op dat moment niet verzekeringsplichtig te achten, geldig blijft zolang er géén wijziging komt in de arbeidsverhouding, geen rechtens te honoreren verwachtingen bij eiseres heeft gewekt. De aangehaalde passage kan slechts geacht worden betrekking te hebben op een mogelijke inhoudelijke wijziging van de arbeidsverhouding en niet op de duur van de arbeidsverhouding; daarbij merkt de rechtbank nog op dat ten tijde van het nemen van het besluit van 4 maart 1999 het Besluit, met de daarbij behorende bepalingen over de duur van een interim-opdracht, bij eiseres en [naam interim-manager] bekend had kunnen en moeten zijn.

Terecht en op goede gronden heeft verweerder [naam interim-manager] met ingang van 1 april 2000 in zijn arbeidsverhouding tot eiseres op grond van de art. 5 ZW, WW en WAO als verzekeringsplichtig aangemerkt. De rechtbank zal het beroep dan ook ongegrond verklaren. De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op

5 juni 2002, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Bouma als griffier.

w.g. G.J. Bouma w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroep-schrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Cen-trale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht.

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 5 juni 2002