Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2002:AE0652

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
14-03-2002
Datum publicatie
27-03-2002
Zaaknummer
02/135 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 02/135 WET

Inzake het geding tussen

de Stichting Christelijke Hogeschool Noord-Nederland (CHN), gevestigd te Leeuwarden, verzoekster,

gemachtigde: mr. A.M.C. Marius-van Eeghen, advocaat te Den Haag,

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, verweerder,

gemachtigde: mr. F.J. IJspeerd, werkzaam bij verweerders ministerie.

Procesverloop

Bij brief van 31 mei 2001 heeft verweerder verzoekster mededeling gedaan van een besluit met betrekking tot de toepassing van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW).

Verzoekster heeft tegen dit besluit op 11 juli 2001, aangevuld op 27 september 2001, bij verweerder een bezwaarschrift ingediend. Tevens is namens verzoekster bij brief van 11 februari 2002 gevraagd om ingevolge het bepaalde in art. 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 8 maart 2002. Verzoekster is verschenen bij gemachtigde, vergezeld van drs. A. Vroon, voorzitter van het College van Bestuur van de CHN. Namens verweerder is bovengenoemde gemachtigde verschenen, vergezeld van mr. B.A. Broerse, eveneens werkzaam bij verweerders ministerie. Namens de derde-belanghebbende Hotelschool Den Haag (HDH) zijn verschenen mr. B.J.M. Veldhoven, advocaat te Amsterdam en R. Reuland, lid van het College van Bestuur van de HDH.

Motivering

Op grond van art. 8:81 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekster te kunnen ontvangen.

In het onderhavige geval is verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat wordt bepaald dat het besluit van verweerder van 31 mei 2001, waarbij verweerder met toepassing van art. 7.17 lid 2 WHW ten aanzien van de HDH goedkeuring heeft verleend om een nevenvestiging te starten voor een opleiding hoger hotelonderwijs in Amsterdam, wordt geschorst.

Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter dat ter zitting namens de HDH naar voren is gebracht dat de CHN, ondanks de komst van de nevenvestiging van de HDH in Amsterdam, voor het komende studiejaar zeker het gewenste en maximaal overeengekomen aantal studenten van 300 voor het hoger hotelonderwijs zal kunnen plaatsen, aangezien het aantal aanmeldingen, conform een jarenlange praktijk, aanzienlijk groter zal zijn dan het aantal plaatsen dat beschikbaar is. Het bestreden besluit zal daarom geen invloed hebben op de studenteninstroom bij de CHN voor het komende jaar. Namens de CHN is dit ter zitting bevestigd, waarbij is aangegeven dat het verzoek om een voorlopige voorziening meer is ingegeven door de vrees dat de rechter in de hoofdzaak zal worden beïnvloed door het feit dat de Amsterdamse vestiging al is gerealiseerd. Onder deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter een onvoldoende spoedeisend belang aanwezig om tot schorsing van het bestreden besluit over te gaan. Weliswaar kan niet worden uitgesloten dat de vestiging van een dependance van de HDH in Amsterdam op termijn nadelige consequenties zou kunnen hebben voor het studentenaanbod voor het hoger hotelonderwijs van de CHN, maar die gevolgen zullen zich voor het komende studiejaar in elk geval niet manifesteren. De realisatie van de vestiging te Amsterdam geschiedt voor eigen risico en rekening van de HDH zolang geen onherroepelijke rechterlijke uitspraak daarover is verkregen. De beoordeling van de hoofdzaak staat daarom los van het al of niet gerealiseerd zijn van deze vestiging.

Uit het voorgaande volgt dat het voorliggende verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om een partij te veroordelen in de proceskosten.

Al het vorenstaande heeft geleid tot de volgende beslissing.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. D.J. Keur, voorzieningenrechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2002, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Molenaar als griffier.

w.g. M.R. Molenaar w.g. D.J. Keur

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: 25 maart 2002