Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2002:AD9574

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
25-02-2002
Datum publicatie
27-02-2002
Zaaknummer
01/626 WVG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 01/626 WVG

Inzake het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigden: [naam gemachtigde 1] en [naam gemachtigde 2],

en

het college van burgemeester en wethouders van Wûnseradiel, zetelend te Witmarsum, verweerder,

gemachtigde: mr. S. Lemstra, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 5 juni 2001 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van een besluit op bezwaar met betrekking tot de toepassing van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de Verordening 2000/2001 Wvg van verweerders gemeente (hierna: de Verordening).

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, op 20 februari 2002. De rechtbank heeft partijen opgeroepen. Eiser en zijn echtgenote zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Verweerder is bij gemachtigde verschenen.

Motivering

Ten behoeve van zijn twee gehandicapte kinderen [naam kind 1] en [naam kind 2], geboren op 4 augustus 1994 respectievelijk op 19 januari 1999, heeft eiser verweerder verzocht om hem op grond van de Wvg een aangepaste auto te verstrekken.

Bij besluit van 6 maart 2001 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij, gelet op de bepalingen van de Verordening, niet in aanmerking komt voor vergoeding van de aanschafkosten van een auto, omdat zijn inkomen boven 1,5 van het zogenaamde norminkomen ligt. Wel heeft verweerder hem -onder aftrek van een eigen bijdrage van f 2.905,05- de aanpassingskosten van de aan te schaffen auto vergoed tot een bedrag van f 10.498,32. Het tegen dit besluit gerichte bezwaarschrift is bij besluit van 8 mei 2001 deels gegrond verklaard, omdat verweerder zou onderzoeken of er toepassing gegeven moet worden aan de zogenaamde hardheidsclausule. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder geweigerd om de hardheidsclausule toe te passen. Hij stelt zich -samengevat en onder meer- op het standpunt dat eisers gezinsinkomen ongeveer f 1.200,= per maand te hoog is om de aanschafkosten van een auto te vergoeden. Toepassing van de hardheidsclausule zou volgens verweerder pas aan de orde kunnen komen als de bijzondere kosten die eiser in verband met de handicap van zijn kinderen moet maken, ongeveer f 1.200,= per maand zouden bedragen. Uit onderzoek is verweerder echter gebleken dat dit laatste niet het geval is, zodat er geen aanleiding is om de hardheidsclausule toe te passen.

Eiser stelt zich -onder meer en samengevat- op het standpunt dat hij in verband met hogere woonlasten, vervoerskosten, bewassings- en slijtagekosten en overige kosten ten behoeve van zijn kinderen zodanige bijzondere kosten per maand heeft, dat wel degelijk toepassing gegeven moet worden aan de hardheidsclausule.

Nu eiser geen beroep heeft ingesteld tegen verweerders besluit op bezwaar van 8 mei 2001, is thans alleen in geschil de vraag of verweerder, door bij het thans bestreden besluit te weigeren om de hardheidsclausule toe te passen, heeft gehandeld in strijd met enig wettelijk voorschrift, enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. De rechtbank overweegt als volgt.

In art. 7 lid 1 van de Verordening is (voor zover hier van belang) bepaald, dat het college van burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen ten gunste van de gehandicapte kan afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Het gaat in dit verband om de vraag of eiser in verband met de handicap van zijn kinderen ongeveer f 1.200,= per maand aan extra kosten moet maken, in welk geval onverkorte toepassing van de verordening tot onbillijkheden leidt als bedoeld in art. 7 lid 1 van de Verordening. Verweerder heeft eiser in de gelegenheid gesteld om gegevens over te leggen met betrekking tot deze buitengewone lasten. Deze handelwijze is in overeenstemming met de vaste jurisprudentie met betrekking tot de toepassing van de hardheidsclausule in het kader van de Wvg.

Eiser heeft aangegeven dat het bouwen van een nieuw huis heeft geleid tot een stijging van zijn hypotheeklasten. Deze lasten bedragen nu per maand f 1.454,25. Daarvóór bedroegen zij f 598,88. In totaal heeft de bouw van de woning hem f 324.000,= gekost. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding om eraan te twijfelen dat eiser uitsluitend in verband met de handicap van zijn kinderen een groter huis heeft laten bouwen. Voorts is onweersproken dat verweerder eiser daarvoor een subsidie heeft verleend van f 39.771,= (f 42.500,= verminderd met een eigen bijdrage van f 2.729,=). Deze subsidie bedraagt ongeveer 12% van de totale bouwkosten. De nieuwe hypotheeklast zou, rekening houdend met deze subsidie, moeten worden gesteld op f 1.279,74. De rechtbank acht het dan ook redelijk om de stijging van eisers hypotheeklasten in verband met de handicap van zijn kinderen te stellen op f 1.279,74 - f 598,88 = f 680,86 per maand.

Voorts is, mede gelet op hetgeen eiser en zijn echtgenote ter zitting desgevraagd hebben verklaard, onvoldoende komen vast te staan dat er in het gezin van eiser een tweede auto noodzakelijk is in verband met de handicap van zijn kinderen. Eiser en zijn echtgenote gebruiken deze tweede auto om naar het werk te gaan, dat voor elk van hen op ongeveer 10 kilometer van huis ligt. De rechtbank twijfelt er niet aan dat het hebben van een tweede auto een zeker gemak met zich meebrengt, maar dat die tweede auto is aangeschaft in verband met de handicap van eisers kinderen is de rechtbank niet gebleken. Niet aannemelijk is geworden dat eiser en zijn echtgenote hun werk niet op een andere wijze dan per auto kunnen bereiken.

Aannemelijk acht de rechtbank voorts, dat eiser voor zijn stationwagon in ieder geval per maand f 195,38 aan extra kosten in verband met de handicap van zijn kinderen moet maken, gebaseerd op zo'n 4.500 kilometer per jaar. Die kosten hebben te maken met bezoeken van de kinderen aan therapeuten, ziekenhuis en revalidatiecentrum. Daartegenover staat, zoals namens verweerder ter zitting onweersproken is gesteld, op grond van eisers ziektekostenverzekering een vergoeding van f 0,45 per kilometer. Dat komt neer op f 168,75 per maand. Daarnaast ontvangt eiser ten behoeve van het vervoer van zijn kinderen van verweerder een vervoersvergoeding van f 39,54 per maand. Deze vergoedingen van in totaal f 208,29 per maand dekken derhalve de door eiser opgevoerde extra kosten tot een bedrag van f 195,38 per maand geheel. In redelijkheid heeft verweerder dan ook bij de beoordeling of de hardheidsclausule moet worden toegepast, geen rekening gehouden met de extra vervoerskosten van eiser.

Ten aanzien van de extra kosten aan de kleding van zijn kinderen heeft eiser f 80,= per maand opgevoerd. Aangezien hij op grond van de zogenaamde TOG-regeling onweersproken een bedrag van f 135,43 per maand kan ontvangen, geldt ook hier dat verweerder in redelijkheid geen rekening heeft gehouden met deze kosten.

Van andere bijzondere, door eiser gespecificeerde kosten dan wel omstandigheden op grond waarvan de hardheidsclausule zou moeten worden toegepast, is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank hecht eraan te benadrukken dat zij in dit geding, waarin vooral "cijfertjes" een rol spelen, de praktische problemen bij het vervoer van eisers kinderen bepaald niet over het hoofd ziet en dat zij respect heeft voor de wijze waarop eiser en zijn echtgenote zich inspannen om deze problematiek het hoofd te bieden. De rechtbank kan er echter ook niet aan voorbijgaan dat verweerder bij de uitvoering van de Wvg een grote vrijheid heeft en dat de hardheidsclausule alleen kan worden toegepast in uitzonderlijke omstandigheden: in situaties waarin sprake is van onbillijkheden van overwegende aard. Gelet op de beschikbare gegevens kan de rechtbank toch niet anders concluderen dat van zulke onbillijkheden geen sprake is.

In redelijkheid heeft verweerder dus kunnen beslissen dat de bijzondere kosten van eiser in verband met de handicap van zijn kinderen niet ongeveer f 1.200,= per maand bedragen en dat geen sprake is van zodanige extra kosten in verband met de handicap van eisers kinderen, dat toepassing van de hardheidsclausule aan de orde is. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2001, in tegenwoordigheid van G. Timmermans als griffier.

w.g. G. Timmermans w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht.

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 25 februari 2002

Reg.nr.:

01/626 WVG

blad 4