Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2002:AD9572

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
29-01-2002
Datum publicatie
26-02-2002
Zaaknummer
93769 /CV EXPL 01-3252
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector Kanton

Locatie Leeuwarden

Uitspraak: 29 januari 2002

Zaak-/rolnummer: 93769 /CV EXPL 01-3252

VONNIS

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SIBER HEGNER LENERSAN POORTMAN B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Dordrecht,

2. de naamloze vennootschap WINTERTHUR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ROTTERDAM CLAIMS PREVENTION & RECOVERY BUREAU B.V.,

gevestigd te Rotterdam, kantoorhoudende te Spijkenisse,

eiseressen,

procesgemachtigde: R.J. Rovers, werkzaam bij eiseres sub 3,

rolgemachtigde: Oordijk & Partners, gerechtsdeurwaarders,

tegen

1. de vennootschap onder firma TRANSPORTBEDRIJF [naam],

gevestigd en kantoorhoudende te [woonplaats],

en haar vennoten:

2. [gedaagde sub 2],

3. [gedaagde sub 3],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden,

gemachtigde: mr. G.P. Wempe, advocaat te Drachten.

OVERWEGINGEN

Het procesverloop

1.1. Op de bij dagvaarding vermelde gronden heeft eisende partij, hierna te noemen SHLP c.s., gevorderd om gedaagde partij, hierna te noemen [naam ] c.s., hoofdelijk te veroordelen tot betaling van ƒ 10.000,- met rente en kosten.

1.2. [naam ] c.s. hebben bij antwoord de vordering betwist.

1.3. Na repliek (met 8 producties), dupliek (met 3 producties), en een akte zijdens SHLP c.s. (met 2 producties), is vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

De feiten

2.1. Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast.

2.2. [naam ] c.s. hebben op of omstreeks 6 april 1999 te Dordrecht in goede staat in ontvangst genomen een zending van 996 colli, 24.900 kilogram, vogelvoer om deze zending te vervoeren naar Wallrode (Duitsland) en aldaar aan de rechthebbenden uit te leveren. De vervoersopdracht is aan [naam ] c.s. verstrekt door Noordermeer Transport te Brummen. Op het transport waren de CMR-condities van toepassing. De gezonde waarde van de lading bedroeg DM 17.141,07 / ƒ 19.198,00.

2.3. Ten gevolge van een ongeval bij Melsungen (Duitsland) op 7 april 1999 is de vervoerde lading totaal verloren gegaan en kon zij derhalve niet meer worden uitgeleverd.

2.4. De partij vogelvoer behoorde in eigendom toe aan SHLP, welke het met de onderhavige schade gepaard gaande verlies gedekt wist onder een goederen transport verzekering en het verlies vergoed heeft gekregen van Winterthur. Winterthur is gesubrogeerd in de rechten van SHLP.

2.5. [naam ] c.s. zijn bij brief van 27 juli 1999, welke overigens naar Noordermeer Transport is verstuurd, aansprakelijk gesteld voor het geleden verlies en hebben voormeld bedrag van ƒ 19.198,00 geclaimd bij hun CMR- aansprakelijkheidsverzekeraar Aegon. Aegon heeft het geclaimde bedrag aan [naam ] c.s. uitbetaald. [naam ] c.s. hebben hierna op of omstreeks 17 juli 2000 een bedrag van ƒ 7681,02 aan Rotterdam Claims Prevention & Recovery Bureau betaald. Het resterende bedrag van ƒ 11.516,98 is door [naam ] c.s. niet voldaan, daar [naam ] c.s. van mening zijn dat zij een bedrag van ƒ 11.579,98 aan bergingskosten met betrekking tot de verloren gegane lading van SHLP c.s. tegoed hebben.

2.6. SHLP en Winterthur hebben Rotterdam Claims Prevention & Recovery Bureau gemachtigd om namens hen en op eigen naam de vordering aanhangig te maken.

Het geschil en de beoordeling daarvan

De aansprakelijkheid van [naam ] c.s.

3.1. SHLP c.s. hebben [naam ] c.s. op basis van het CMR-verdrag aangesproken tot betaling van de onderhavige, tot ƒ 10.000,- beperkte, vordering. Het eerste punt van geschil is of [naam ] c.s. op grond van het CMR-verdrag kunnen worden aangesproken voor het resterende schadebedrag. [naam ] c.s. stellen namelijk dat er geen overeenkomst tussen hen en SHLP tot stand is gekomen, zodat het CMR-verdrag niet van toepassing is. Noordermeer Transport als opdrachtgeefster is volgens [naam ] c.s. de contractspartij van SHLP. Voorts betwisten [naam ] c.s. dat er sprake is geweest van een onrechtmatige daad.

3.2. SHLP c.s. stellen daarentegen dat nu de zending vogelvoer tijdens het transport verloren is gegaan [naam ] c.s. als feitelijke vervoerder voor de daardoor ontstane schade aansprakelijk zijn, hetzij op grond van een overeenkomst tussen SHLP en [naam ] c.s, hetzij via de onrechtmatige daad.

3.3. De kantonrechter oordeelt omtrent dit geschilpunt als volgt. Het CMR-verdrag geeft in artikel 28 de mogelijkheid dat de feitelijke vervoerder buitencontractueel aansprakelijk kan worden gesteld, los van een eventueel bestaande contractuele band. Ook als er dus geen sprake zou zijn van een contract tussen SHLP en [naam ] c.s., kan SHLP de feitelijke vervoerder aansprakelijk stellen voor tijdens het vervoer ontstane schade, bijvoorbeeld middels een vordering uit onrechtmatige daad. Op grond van de stukken staat als zijnde onweersproken vast dat [naam ] c.s. de aan SHLP in eigendom toebehorende zending vogelvoer op 6 april 1999 in goede staat hebben ontvangen, waarna deze zending vogelvoer op 7 april 1999 tijdens het vervoer door [naam ] c.s. bij een ongeval beschadigd is geraakt. Nu deze schade is veroorzaakt tijdens het vervoer van de zending vogelvoer door [naam ] c.s. en [naam ] c.s. geen toestemming van SHLP hadden om deze schade te veroorzaken, hebben zij inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van SHLP, hetgeen betekent dat zij een onrechtmatige daad jegens SHLP hebben begaan en gehouden zijn de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden.

3.4. In het onderhavige geval staat als onbetwist vast dat de gezonde waarde van de lading een bedrag van DM 17.141,07 / ƒ 19.198,00 beliep en dat de gehele lading na het ongeval als verloren moest worden beschouwd. Nu deze schade het gevolg is van de onrechtmatige daad van [naam ] c.s., zijn laatstgenoemden in beginsel gehouden om voormeld bedrag geheel aan SHLP c.s. te vergoeden.

Is de vordering van SHLP c.s. verjaard?

4.1. [naam ] c.s. hebben, met een beroep op artikel 32 van het CMR-verdrag, gesteld dat de vordering van SHLP c.s. verjaard is. In de eerste plaats stellen zij daartoe dat de brief zijdens SHLP van 27 juli 1999 het adres van Noordermeer Transport vermeldt, de brief is ook naar het adres van Noordermeer Transport verstuurd en is nadien niet doorgestuurd naar [naam ] c.s. De verjaring is dan ook niet geschorst. Voor zover voormelde brief toch een schorsing van de verjaringstermijn als gevolg zou hebben gehad, liep deze schorsing volgens [naam ] c.s. slechts tot 27 oktober 1999, aangezien toen de aansprakelijkheid voor het gevorderde bedrag is betwist. Nadien is er niet binnen een jaar gedagvaard.

4.2. SHLP c.s. hebben betwist dat er sprake is van een verjaarde vordering. Door de brief van 27 juli 1999 is volgens SHLP c.s. de verjaring geschorst. Deze brief moet [naam ] c.s. wel bereikt hebben, nu zij hun aansprakelijkheidsverzekeraar hebben ingeschakeld bij de afhandeling van de schade. De brief van [naam ] c.s. van 27 oktober 1999 kan naar de mening van SHLP c.s. niet als afwijzing van de vordering van SHLP c.s. worden beschouwd. In feite wordt in deze brief de vordering van SHLP c.s. erkend. De brief bevat alleen een tegenvordering van de zijde van [naam ] c.s. De verjaring is dan ook geschorst gebleven.

4.3. De kantonrechter oordeelt omtrent dit geschilpunt als volgt. Allereerst stelt hij vast dat op grond van artikel 28 van het CMR-verdrag bij een buitencontractuele vordering door de vervoerder een beroep mag worden gedaan op de bepalingen van artikel 32 van het CMR-verdrag, handelende over de verjaring van de rechtsvordering.

De vordering van SHLP c.s. is naar het oordeel van de kantonrechter niet verjaard. Hiertoe wordt het volgende overwogen. In de brief van SHLP c.s. van 27 juli 1999 ligt duidelijk een schriftelijke vordering zijdens SHLP c.s. besloten, waarbij aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van schade. Deze brief mag dan aanvankelijk naar het adres van Noordermeer Transport te Brummen zijn verstuurd, maar vermeldt wel de naam van [naam ] c.s. ("to the carriers of a parcel of birdfeed [naam ] Transport BV, Harkema"), terwijl de kantonrechter zich niet kan voorstellen dat de brief van SHLP c.s. [naam ] c.s. nadien niet bereikt zou hebben. Hoe valt anders te verklaren dat [naam ] c.s. zich tot hun eigen aansprakelijkheidsverzekeraar Aegon hebben gewend, welke het schadebedrag ad ƒ 19.198,00 aan [naam ] c.s. heeft uitbetaald en waarvan door [naam ] c.s. een gedeelte aan SHLP c.s. is doorbetaald? Hiervoor geven [naam ] c.s. geen verklaring. Het verweer van [naam ] c.s. dat zij geen kennis hebben kunnen nemen van de brief van SHLP c.s. van 27 juli 1999 zal daarom als onvoldoende aannemelijk worden gepasseerd.

De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat door de brief van 27 juli 1999 de verjaring is geschorst.

4.4. De schorsing van de verjaring van de rechtsvordering van SHLP c.s. is naar het oordeel van de kantonrechter blijven duren tot het moment waarop tot dagvaarding is overgegaan, zijnde 15 juni 2001, nu de brief van [naam ] c.s. van 27 oktober 1999 niet als schriftelijke afwijzing van de vordering van SHLP c.s. kan worden beschouwd en niet gebleken is dat er nadien door [naam ] c.s. een schriftelijke afwijzing van de vordering van SHLP c.s. heeft plaatsgevonden. Zoals SHLP c.s. terecht hebben gesteld, kan in de brief van 27 oktober 1999 louter een beroep op een tegenvordering van [naam ] c.s., in verband met het volgens hen door SHLP c.s. te dragen aandeel in de bergingskosten, worden gelezen. Wegens deze tegenvordering doen [naam ] c.s. in de brief van 27 oktober 1999 een beroep op verrekening. De vordering van SHLP c.s. tot vergoeding van de door hen geleden schade wordt door [naam ] c.s. in deze brief echter niet betwist.

4.5. Gezien het voorgaande kan het door [naam ] c.s. gedane beroep op verjaring van de rechtsvordering niet slagen en is er tijdig door SHLP c.s. gedagvaard.

Verrekening mogelijk?

5.1. [naam ] c.s. hebben de resterende vordering van SHLP c.s. ad ƒ 11.516,98 verrekend met een beweerdelijke eigen vordering op SHLP c.s. ad ƒ 11.579,98 en zijn op grond daarvan van mening dat zij aan SHLP c.s. niets meer verschuldigd zijn.

[naam ] c.s. hebben aan de verrekening van de vorderingen ten grondslag gelegd dat zij recht hebben op een bijdrage in de bergingskosten van de lading, van de zijde van SHLP c.s. als ladingbelanghebbenden

5.2. SHLP c.s. hebben betwist dat zij enig bedrag aan [naam ] c.s. verschuldigd zijn. De door [naam ] c.s. gemaakte bergingskosten hadden volgens SHLP c.s. alleen betrekking op de vrachtauto en niet op de lading die vervoerd werd. SHLP c.s. hebben zelf namelijk al bergingskosten voor de lading voldaan. De door [naam ] c.s. gestelde bergingskosten kunnen dan ook niet aan de ladingbelanghebbenden in rekening worden gebracht.

5.3. De kantonrechter beoordeelt dit geschilpunt als volgt. Nu partijen aanzienlijk van mening verschillen omtrent de vraag of SHLP c.s. jegens [naam ] c.s. gehouden zijn om een aandeel in de door [naam ] c.s. gemaakte bergingskosten te betalen, kan de gegrondheid van het verrekeningsverweer van [naam ] c.s. niet op eenvoudige wijze worden vastgesteld. Nu bovendien de vordering van SHLP c.s. gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen op zich toewijsbaar is, brengt dit alles met zich mee dat de kantonrechter op de voet van artikel 6:136 BW het beroep op verrekening van [naam ] c.s. zal passeren. [naam ] c.s. hebben voorts geen reconventionele vordering tegen SHLP c.s. ingesteld. In deze procedure kunnen zij dan ook niet jegens SHLP c.s. aanspraken ontlenen aan de door hen gemaakte bergingskosten.

Verdere overwegingen.

6.1. Gelet op de voorgaande overwegingen kan de tot ƒ 10.000,- beperkte vordering van SHLP c.s. geheel worden toegewezen.

6.2. [naam ] c.s. zullen als de in het ongelijk te stellen partij hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

6.3. In verband met de invoering van de euro als wettig betaalmiddel met ingang van 1 januari 2002 zal bij de hiernavolgende beslissing worden uitgegaan van bedragen vermeld in euro's.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [naam ] c.s. hoofdelijk, met dien verstande dat indien de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan SHLP c.s. van een bedrag groot €euro 4537,80 (zegge: vierduizend vijfhonderd zevenendertig euro en tachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over euro€ 4537,80 vanaf 15 juni 2001, zijnde de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [naam ] c.s., eveneens hoofdelijk, in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van SHLP c.s. begroot op €euro 540,- wegens salaris en op euro€ 190,86 wegens verschotten;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Aldus gewezen door mr. T.K. Hoogslag, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.