Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2002:AD9345

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
13-02-2002
Datum publicatie
18-02-2002
Zaaknummer
32315 HAZA 98-1132
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Leeuwarden

Sector handelsrecht

Uitspraak: 13 februari 2002

Zaak-/Rolnummer: 32315 HAZA 98/1132

VONNIS

van de meervoudige handelskamer in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats eiser],

eiser,

procureur: mr. V.M.J. Both,

tegen

de besloten vennootschap

BOUWBEDRIJF SIEMENSMA B.V.,

gevestigd te Surhuisterveen,

gedaagde,

procureur: mr. W. Voorthuijsen.

PROCESGANG

Bij tussenvonnis van 14 februari 2001 - hierna: het tussenvonnis - is een comparitie van partijen bevolen. Deze heeft plaatsgevonden op 20 april 2001, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. [eiser] heeft vervolgens een akte na comparitie houdende wijziging van eis genomen, gevolgd door een antwoordakte van de zijde van Siemensma.

Ten slotte is door partijen vonnis gevraagd. De rechtbank wijst heden vonnis op het griffiedossier, waarvan de inhoud als hier herhaald moet gelden.

RECHTSOVERWEGINGEN

Het geschil en de beoordeling daarvan

1. De rechtbank heeft opnieuw kennis genomen van de processtukken waaronder ook het vonnis van deze rechtbank van 14 februari 2001, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd.

De rechtbank neemt over hetgeen in voormeld vonnis is overwogen en beslist.

2. In het tussenvonnis zijn Siemensma en [T.] - destijds gedaagde sub 1 - hoofdelijk veroordeeld om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 3.525,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 maart 1994. Tevens zijn Siemsensma en [T.] veroordeeld in de tot die uitspraak begrote proceskosten.

3. Bij akte na comparitie houdende wijziging van eis heeft [eiser] zijn eis zodanig gewijzigd, dat hij thans - naast hetgeen reeds in het tussenvonnis is toegewezen - vordert dat Siemensma wordt veroordeeld, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, om aan [eiser] ten titel van winstafdracht te betalen een bedrag van ƒ 11.896,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding.

Omdat Siemensma bij antwoordakte geen bezwaar heeft gemaakt tegen deze wijziging van eis, zal de rechtbank recht doen op de gewijzigde eis.

4. Zoals in het tussenvonnis is overwogen, dient thans een oordeel te worden gegeven over de vraag of de door Siemensma genoten winst het reeds toegewezen bedrag ad ƒ 3.525,00 te boven gaat. Slechts indien en voorzover de door Siemensma genoten winst deze schadevergoeding te boven gaat, dient Siemensma deze winst aan [eiser] af te dragen.

5. Siemensma heeft aangevoerd dat zijn brutowinst ƒ 11.896,00 bedraagt, hetgeen door [eiser] is erkend. De rechtbank zal dus uitgaan van de juistheid van dit bedrag.

6.1. Siemensma heeft onder meer aangevoerd, dat op de brutowinst van ƒ 11.896,00 haar bedrijfskosten in mindering dienen te worden gebracht. Deze bedrijfskosten zijn door Siemensma vastgesteld op 6% van de totale bouwsom van ƒ 212.025,00, derhalve een bedrag van ƒ 12.721,00.

6.2. [eiser] heeft - kort samengevat - betwist dat de algemene bedrijfskosten in mindering dienen te worden gebracht op de brutowinst. De variabele kostprijsberekeningsmethode is de geschiktste methode om tot een reële winstbegroting te komen, aldus [eiser]. Op grond van deze variabele kostprijsberekeningsmethode dient volgens [eiser] uitgegaan te worden van een winst van ƒ 11.896,00.

6.3. Met Siemensma is de rechtbank van oordeel dat op de brutowinst van ƒ 11.896,00 de bedrijfskosten van Siemensma in mindering dienen te worden gebracht. Omtrent de berekening van de genoten winst houdt de Auteurswet geen bepalingen in. Om tot een reële winstberekening te komen, acht de rechtbank het echter redelijk om een aftrek toe te passen ter grootte van het in de desbetreffende branche gebruikelijke percentage van de bouwsom ter bestrijding van bedrijfskosten. Deze kosten worden immers toegerekend aan de verschillende projecten van een aannemer. Niet valt in te zien dat die toerekening in een geval als dit achterwege zou behoren te blijven. [eiser] heeft niet betwist dat in de onderhavige branche een percentage van 6% van de bouwsom gebruikelijk is, zodat daarvan zal worden uitgegaan. Na aftrek van deze bedrijfskosten ad ƒ 12.721,00 - afgezien van de eveneens door Siemensma opgevoerde loonkosten - resteert dus een negatief bedrag. Omdat door Siemensma geen winst is genoten, kan afdracht daarvan niet aan de orde zijn. Naast het in het tussenvonnis reeds toegewezen bedrag van ƒ 3.525,00, zal de vordering van [eiser] dus worden afgewezen.

Gelet op het voorgaande behoeven de overige verweren van Siemensma geen behandeling meer.

8. Zoals reeds in het tussenvonnis is overwogen, dient Siemensma als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij te worden veroordeeld in de kosten van het geding. Omdat Siemensma in het tussenvonnis reeds is veroordeeld in de proceskosten die tot dat moment - 14 februari 2001 - waren gemaakt, zal thans volstaan worden met een veroordeling in de proceskosten die nadien zijn gemaakt.

BESLISSING

De rechtbank:

1. veroordeelt Siemensma in de kosten van het geding, vanaf het moment van het wijzen van het tussenvonnis tot deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op 496,89 euro voor salaris procureur;

2. verklaart de veroordeling sub 1 uitvoerbaar bij voorraad;

3. wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de rechters mr. U. van Houten, voorzitter, mr. A.T. Vos en mr. C.M. Telman en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 13 februari 2002.