Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2001:AE9262

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
19-12-2001
Datum publicatie
23-10-2002
Zaaknummer
00/1063 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN

Sector Bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 00/1063 WAO

Inzake het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. M.J. Klinkert, advocaat te Woerden,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2000 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser tegen de brief van verweerder van 30 mei 2000, waarbij aan eiser is meegedeeld dat geen toestemming kan worden verleend om met behoud van arbeidsongeschiktheidsuitkering voor onbepaalde tijd in Suriname te verblijven, niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep doen instellen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, meervoudige kamer, op 29 november 2001. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich, zoals tevoren schriftelijk aangekondigd, niet ter zitting doen vertegenwoordigen.

Motivering

Eiser ontvangt sedert 23 december 1981 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Op 22 mei 2000 heeft eiser verweerder gevraagd hem toestemming te verlenen om met behoud van zijn WAO-uitkering voor onbepaalde tijd in Suriname te mogen verblijven.

Bij brief van 30 mei 2000 heeft verweerder eiser meegedeeld dat geen toestemming kan worden gegeven om met behoud van uitkering voor onbepaalde tijd in Suriname te verblijven. Hierbij heeft verweerder er op gewezen dat bij een eventuele vestiging in het buitenland voor langer dan drie maanden of bij definitieve vestiging in het buitenland de WAO-uitkering beëindigd dient te worden, alsmede dat, indien eiser toch besluit naar Suriname te gaan, verweerder hem verzoekt tijdig de vertrekdatum en de periode van verblijf aldaar door te geven. Tegen deze brief is namens eiser bij brief van 16 juni 2000 bezwaar gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat het verzoek van eiser een verzoek om informatie betreft, nu eiser wil vernemen wat (te zijner tijd) de consequentie is voor zijn WAO-uitkering indien hij voor onbepaalde tijd gaat verblijven in Suriname. Van een concrete vertrekdatum is (nog) geen sprake. Gezien de strekking van eisers verzoek is de brief van 30 mei 2000 niet op rechtsgevolg gericht, maar gaat het slechts om het geven van informatie. Van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is derhalve geen sprake, aldus verweerder. In de op het bestreden besluit betrekking hebbende interne voorlegger is er op gewezen dat uit een uitspraak van deze rechtbank (de rechtbank merkt op dat kennelijk is bedoeld de uitspraak van deze rechtbank van 22 juni 2000, registratienummer 99/153 WAJONG) blijkt dat het bezwaar in een geval als het onderhavige niet-ontvankelijk verklaard moet worden.

Namens eiser is in beroep aangevoerd dat de brief van 30 mei 2000 wel gericht is op rechtsgevolg. Gesteld is dat de kwestie waar verweerder op doelt (de uitspraak van 22 juni 2000) niet te vergelijken is met de onderhavige zaak. In de eerste zaak is (kennelijk) alleen om informatie gevraagd, terwijl eiser uitdrukkelijk toestemming heeft gevraagd om met behoud van uitkering naar Suriname te vertrekken. De brief van 30 mei 2000 is derhalve niet zuiver informatief van aard en houdt tevens een verbod in om met behoud van uitkering voorgoed naar Suriname te gaan. Aangevoerd is dat, indien het bestreden besluit in stand wordt gelaten, het eiser praktisch onmogelijk wordt gemaakt de verbindendheid van de Wet beperking export uitkeringen aan de rechter voor te leggen, tenzij eiser zonder uitkering naar Suriname zou vertrekken, hetgeen, nu hij in Suriname geen middelen van bestaan heeft, niet mogelijk is.

In dit geding moet de vraag worden beantwoord of de brief van 30 mei 2000 een besluit bevat in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen op grond van artikel 7:1 van de Awb het rechtsmiddel van bezwaar openstaat. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Een rechtshandeling is een handeling die gericht is op rechtsgevolg. Daarvan is sprake indien beoogd is om een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel om de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen.

Wanneer een bestuursorgaan, naar aanleiding van een verzoek om informatie, uitsluitend inlichtingen verschaft of een advies geeft, zal alleen in zeer bijzondere gevallen geoordeeld kunnen worden dat sprake is van een bestuurlijk oordeel dat gericht is op rechtsgevolg en als een besluit kan worden aangemerkt dan wel hiermee gelijk kan worden gesteld. Dit kan zich slechts voordoen in gevallen waarin het rechtsoordeel vooruitloopt op een besluit waartegen in rechte kan worden opgekomen langs een voor de betrokken persoon onevenredig belastende weg. Daarnaast zal het betreffende bestuurlijk oordeel een zodanig concreet karakter moeten hebben dat ook overigens aan de hiervoor omschreven vereisten voor een rechtshandeling wordt voldaan. Om in het onderhavige geval een rechtsgevolg aanwezig te achten zal in ieder geval duidelijk moeten zijn dat eiser daadwerkelijk wil vertrekken, waarheen en met ingang van wanneer.

De rechtbank verstaat het verzoek van eiser aldus, dat hij met behoud van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering voor onbepaalde tijd in Suriname wil gaan wonen, en wel zodra verweerder de door hem gevraagde toestemming heeft gegeven. Met zijn in de brief van 30 mei 2000 vervatte rechtsoordeel omtrent de gevolgen die de Wet beperking export uitkeringen verbindt aan de door eiser voorgenomen vestiging in Suriname, heeft verweerder in feite beoogd aan eiser mee te delen dat zijn uitkering wordt ingetrokken indien hij zijn voornemen ten uitvoer brengt, waarbij de intreding van het beoogde rechtsgevolg afhangt van het gedrag van eiser. Dit bestuurlijk oordeel loopt vooruit op een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit dat verweerder zal (kunnen) nemen indien eiser zich daadwerkelijk in Suriname vestigt. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet in redelijkheid van eiser worden verlangd dat hij daadwerkelijk naar Suriname vertrekt dan wel een concrete vertrekdatum noemt, alvorens hij toestemming heeft gekregen om met behoud van uitkering zich daar te vestigen. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de brief van 30 mei 2000 als een besluit in de zin van de Awb kan worden aangemerkt.

De rechtbank merkt op dat de onderhavige kwestie en de zaak waar verweerder naar verwijst (zie de uitspraak van 22 juni 2000) in zoverre onvergelijkbaar zijn, dat het verzoek in laatstbedoelde zaak onvoldoende bepaald was om tot besluitvorming te kunnen komen. In die zaak was in eerste instantie schriftelijk verzocht aan te geven wat de consequenties voor de WAJONG-uitkering van de verzoeker zouden zijn indien deze een mogelijkheid zou krijgen om in een ander EG-land te gaan wonen. Daarbij kon uit het verzoek niet worden afgeleid wat het land van bestemming was, noch was duidelijk of en op welke termijn de verzoeker zijn voornemen ten uitvoer wilde brengen. Vervolgens heeft de verzoeker, naar achteraf is gebleken in verband met de aankoop van een woning in Spanje, telefonisch verzocht (nogmaals) aan te geven of een vertrek naar het buitenland consequenties zal hebben voor zijn uitkering. Niet gebleken is dat verweerder destijds wist naar welk land de verzoeker wilde vertrekken of de termijn waarop. De brief die verweerder in reactie daarop heeft verzonden en waartegen een bezwaarschrift was ingediend behelsde een (tamelijk) algemeen luidende mededeling, namelijk dat de uitkering van eiser bij een eventuele vestiging in het buitenland moet worden beëindigd. In de thans voorliggende kwestie zijn, zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld, zowel het verzoek als de reactie daarop wèl voldoende bepaald om als basis voor besluitvorming te kunnen dienen.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder ten onrechte het bezwaarschrift van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het bestreden besluit moet worden vernietigd, waarna verweerder opnieuw op het bezwaarschrift dient te beslissen.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van eiser, welke met toepassing van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op ƒ 710,- (indienen beroepschrift, gewicht van de zaak gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaarschrift van eiser beslist met inachtneming

van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van ƒ 60,- aan hem vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van ƒ 710,-.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, voorzitter, en mrs. E.M. Visser en F.R. Vermeer, rechters, en door voornoemde voorzitter in het openbaar uitgesproken op 19 december 2001 in tegenwoordigheid van mr. T. Hoekstra als griffier.

w.g. T. Hoekstra w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 van de Awb. Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

De Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 19 december 2001