Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2001:AD7284

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
06-12-2001
Datum publicatie
19-12-2001
Zaaknummer
01/1022 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 01/1022 GEMWT

Inzake

[naam verzoeker], wonende te Heerenveen, verzoeker,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen, verweerder,

gemachtigde: mr. J. Kleefstra, werkzaam in dienst van verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2001, verzonden op 12 oktober 2001, heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de president van de rechtbank gevraagd om op grond van het bepaalde in art. 8:81 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 4 december 2001. Verzoeker is verschenen in persoon. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Motivering

Art. 8:81 Awb bepaalt, dat de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de president dat niet is gebleken van beletselen om verzoeker te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter. Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de president in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De president overweegt als volgt.

Bij beschikking van 7 mei 2001 is aan verzoeker een bouwvergunning verleend voor de bouw van een woning (zgn. Noorse woning) met garage op het perceel [adres]

Door de gemeente is geconstateerd dat een aantal deuren in de woning niet voldoet aan het Bouwbesluit. Drie deuren op de begane grond, twee deuren op de eerste verdieping en één deur op de tweede verdieping zijn 4 cm. te smal en 6 cm. te laag. De voordeur is 10,5 cm. te laag.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoeker daarom aangeschreven om vóór 1 februari 2002 zes in het besluit nader omschreven deuren alsmede de voordeur in overeenstemming te brengen met de verleende bouwvergunning. Indien verzoeker hieraan niet voldoet, verbeurt hij een dwangsom van ƒ 2.500,= voor iedere week dat door de gemeente wordt geconstateerd dat de aanpassingen niet zijn uitgevoerd, zulks tot een maximum van ƒ 62.500,=.

Aan de aanschrijving is ten grondslag gelegd dat gebouwd is in afwijking van de verleende bouwvergunning, zodat gehandeld is in strijd met art. 40 Woningwet. Naar het oordeel van de president staat de bevoegdheid van verweerder om handhavend op te treden voldoende vast. Uit de gedingstukken blijkt dat de deuren niet in overeenstemming zijn met de maten die het Bouwbesluit vereist (dagmaat minimaal 85 * 210 cm.). Nadat verweerder hem hierover schriftelijk heeft benaderd op 19 april 2001, heeft verzoeker zelf deze maten doorgegeven zodat die deel uitmaken van de verleende bouwvergunning.

Verzoeker is echter van mening dat verweerder in redelijkheid geen gebruik kan maken van zijn handhavingsbevoegdheid. Hij wijst er op dat hij betrokken is geweest bij de bouw van een soortgelijke woning te [2e adres] Oranjewoud. Daarin zijn ook deuren geplaatst die niet voldoen aan het Bouwbesluit, maar daartegen is niet opgetreden. Bovendien ziet verzoeker niet het nut in van het verbreden van de voordeur en van een zestal binnendeuren, nu de deur in de voorhal -die toegang geeft tot de rest van de woning- niet hoeft te worden aangepast.

De president verwerpt deze argumenten van verzoeker. Het Bouwbesluit regelt de minimum-vereisten waaraan een woning dient te voldoen. Ten aanzien van de deur in de voorhal is door verweerder gesteld dat deze bij de controle over het hoofd is gezien en dat deze deur ten onrechte niet in de aanschrijving is meegenomen. Naar het oordeel van de president maakt dit echter niet dat de aanschrijving voor het overige onrechtmatig zou zijn.

Verweerder heeft ter zitting voorts aannemelijk gemaakt dat ten tijde van de bouwaanvraag voor de woning aan de [2e adres] de tekst van art. 41 Bouwbesluit gold, zoals die bepaling heeft geluid van 1 oktober 1992 tot en met 30 juni 1997. In die bepaling was -voor zover hier relevant- enkel een verplichte maatvoering voor de voordeur van een woning opgenomen. Het artikel is met ingang van 1 juli 1997 aangescherpt, en later nogmaals met ingang van 1 januari 1999. Hieruit volgt dat verzoeker, vanwege de inmiddels gewijzigde regelgeving, niet met succes een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan doen door te wijzen op de gang van zaken rond de bouw van de woning aan de [2e adres].

Verder is verzoeker er klaarblijkelijk op grond van zijn eerdere ervaringen ten onrechte van uitgegaan dat de door de fabrikant (Nordbohus) gebruikte deuren voldoen aan het Bouwbesluit. Verzoeker had dit echter eenvoudig kunnen nagaan door de deuren in de woning aan de [2e adres] op te meten en te vergelijken met de minimummaten van art. 41 Bouwbesluit. Hij heeft dit echter nagelaten en op zijn bouwtekening zonder voorbehoud aangegeven dat de binnendeuren met een dagmaat van minimaal 85 * 210 cm. zullen worden uitgevoerd. Deze handelwijze kan bezwaarlijk aan de gemeente worden toegerekend en dient derhalve voor het risico van verzoeker te blijven.

Verzoekers argument dat er een ernstige juridische vormfout is gemaakt wordt door de president niet gedeeld. Verzoeker heeft de zinsnede dat de hoogte van de dwangsom er mede op is gebaseerd dat de sanctie door de betaling hiervan wordt afgekocht, onjuist opgevat. Een last onder dwangsom strekt ertoe de overtreding ongedaan te maken dan wel herhaling van de overtreding te voorkomen. Daarbij past een financiële prikkel die uitstijgt boven de kosten die gepaard gaan met het in overeenstemming brengen van de feitelijke situatie met de rechtens behorende situatie. Bovendien is het niet zo, dat de gemeente, nadat een overtreder het maximum aan dwangsommen heeft betaald, niet meer kan optreden. Ook dan bestaat nog altijd de mogelijkheid dat door middel van bestuursdwang wordt opgetreden, op kosten van de overtreder.

De president is voorts van oordeel dat de hoogte van de opgelegde dwangsom niet disproportioneel is. Verzoekers financiële situatie, die hij zelf omschrijft als "precair", is niet een bijzondere omstandigheid waarmee rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom.

Naar het oordeel van de president is de begunstigingstermijn zoals opgenomen in het bestreden besluit niet onredelijk kort. De president wijst er overigens wel op dat de in de aanschrijving opgenomen last, namelijk dat de situatie in overeenstemming wordt gebracht met de bouwvergunning, op grond van de jurisprudentie niet geheel juist is. Immers, de last kan niet verder strekken dan het ongedaan maken van de met de regelgeving strijdige situatie. Een last die verplicht tot het verrichten van een bepaalde handeling die als bouwen kan worden aangemerkt, kan niet worden opgelegd. Dit aan het bestreden besluit klevende gebrek kan bij de beslissing op bezwaar echter worden hersteld, zodat de president hierin geen aanleiding ziet voor het uitspreken van een schorsing.

De president komt dan ook tot de slotsom dat het verzoek afgewezen moet worden. De president ziet geen reden voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De president van de rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. D.J. Keur, fungerend president, en door hem in het openbaar uitgesproken op 6 december 2001 in tegenwoordigheid van F.P. Dillingh als griffier.

w.g. F.P. Dillingh

w.g. D.J. Keur

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: