Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2001:AD6777

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
07-12-2001
Datum publicatie
10-12-2001
Zaaknummer
01/48 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN

Sector Bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 01/48 AW

Inzake het geding tussen

[naam eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. G. Ham, advocaat te Groningen,

en

de korpsbeheerder van de Politie Friesland, verweerder,

gemachtigde: mr. P.J. Schaap, werkzaam bij het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie (CAPRA) te Zwolle.

Procesverloop

Bij brief van 4 december 2000 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van een besluit op bezwaar betreffende een aantal rechtspositionele maatregelen waaronder strafontslag op grond van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).

Namens eiser is tegen dit besluit op 12 januari 2001 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter zitting van de meervoudige kamer behandeld op 14 september 2001. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Tevens zijn verschenen de op de voet van art. 8:60 lid 4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) namens eiser meegebrachte en ter zitting onder ede gehoorde getuigen [B.] en [R.]. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Motivering

De rechtbank baseert zich bij haar oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Eiser werkt sinds 1 april 1985 bij de politie. Per 1 juni 1994 is eiser in de rang van hoofdagent werkzaam bij de Politieregio Friesland, district midden Friesland.

Bij brief van 16 maart 1994 heeft de directeur politie aan eiser toestemming verleend voor het verrichten van nevenactiviteiten. Bij deze brief heeft de directeur eiser geïnformeerd over de voorwaarden waaronder de nevenwerkzaamheden naast de hoofdfunctie van hoofdagent van politie verricht kunnen worden.

In april 1999 is door het Bureau Interne Veiligheid (BIV) een onderzoek ingesteld naar aanleiding van een tegen eiser ingediende klacht. De klacht betrof het handelen van eiser uit hoofde van zijn nevenfunctie in het onroerend goedbeheer. De klacht is ingediend door de huurster van een bedrijfspand van eiser. In de conclusies van het rapport dat op 10 juni 1999 is uitgebracht is onder meer aangegeven dat eiser er niet in is geslaagd hoofd- en nevenfunctie gescheiden te houden en dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn politielegitimatiebewijs. Zo heeft eiser zijn legitimatiebewijs in februari en maart 1999 buiten diensttijd enige malen op het dashboard van zijn VW-bus neergelegd, terwijl die auto in een verboden zone stond geparkeerd, kennelijk met het oogmerk om een parkeerbon te ontlopen.

Gelet op de uitkomsten van het rapport heeft de districtschef Midden-Friesland bij brief van 21 juli 1999 aan de Adviescommissie Nevenactiviteiten gevraagd advies uit te brengen over de vraag of de in 1994 gegeven toestemming voor het verrichten van nevenwerkzaamheden thans nog gestand kan worden gedaan.

Op 29 juli 1999 heeft deze commissie geadviseerd om de toestemming aan eiser voor het verrichten van nevenwerkzaamheden in onroerend goedbeheer in te trekken, welk advies door verweerder bij besluit van 13 maart 2000 -uitgereikt aan eiser op 16 mei 2000- is gevolgd. Daarbij is aangegeven dat onder voorwaarden alsnog toestemming verleend kan worden, maar dat eiser dan zal worden tewerkgesteld in een ander werkgebied.

Voorts is eiser bij besluit van 13 maart 2000 (uitgereikt op 16 mei 2000) disciplinair gestraft en is hem een schriftelijke berisping gegeven wegens het in twee gevallen op onzorgvuldige wijze omgaan met het politielegitimatiebewijs, zoals hiervoor is omschreven. Eiser heeft tegen deze besluiten bezwaar ingesteld en daarbij aangevoerd dat het rapport van het BIV berust op onwaarheden. Het bezwaar tegen de intrekking van de toestemming nevenactiviteiten is tijdens de mondelinge behandeling van dat bezwaar ingetrokken.

Begin 2000 is aan eiser meegedeeld dat een disciplinair onderzoek wordt ingesteld inzake het verrichten van werkzaamheden door eiser voor een particuliere beveiligingsorganisatie. Blijkens een besluit van 2 februari 2000 is eiser hangende dit onderzoek in het belang van de dienst geschorst en is aan hem de toegang tot de gebouwen en de terreinen van de politie Friesland ontzegd. Het rapport van het BIV is op 26 juni 2000 uitgebracht.

Het onderzoek is ingesteld naar aanleiding van een aangifte van diefstal door een medewerker van het bedrijf Zandleven Coatings B.V. (Zandleven) te Leeuwarden. Volgens het BIV-rapport heeft de aangever bij de aangifte een rapport van detectivebureau [B.] ingediend, waarin onder meer is opgenomen een door eiser ondertekende getuigenverklaring van 14 december 1999. Hierin verklaart eiser dat hij op donderdag 15 juli 1999, dinsdag 27 juli 1999, donderdag 29 juli 1999 en vrijdag 30 juli 1999 de in het rapport staande feiten heeft geconstateerd. Het zou hierbij gaan om het -deels in werktijd- posten door eiser bij Zandleven en de woning van de bewuste medewerker en het volgen van de bewuste medewerker op genoemde data. Daarbij zou gebruik gemaakt zijn van opsporingsmethoden, zoals het observeren, volgen en filmen van de verdachte, die alleen door de politie met inachtneming van de regels uit de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden mogen worden toegepast. In het kader van het onderzoek door het BIV zijn [B.] (verder: [B.]), directeur van detectivebureau [B.], een directiemedewerker van het bedrijf dat aangifte van diefstal heeft gedaan en eiser gehoord. Hangende het onderzoek heeft [B.] zijn verklaring dat eiser heeft geholpen met posten herzien, evenals de rapportage van 14 december 1999 over eisers betrokkenheid bij de zaak. Van een actieve betrokkenheid van eiser is volgens [B.] geen sprake geweest. Ook eiser betwist de juistheid van het rapport van het detectivebureau van 14 december 1999. Eiser heeft verklaard dat hij alleen als vriendendienst zijn bus voor het posten ter beschikking heeft gesteld, dat hij advies heeft gegeven over een camera-opstelling en dat hij op 30 juli 1999 aanwezig is geweest bij een gesprek met een medewerker van het bedrijf.

Bij brief van 3 juli 2000 is eiser in kennis gesteld van verweerders voornemen hem te ontslaan, omdat de uit het BIV-onderzoek komende feiten aangemerkt worden als ernstig plichtsverzuim. Eiser wordt verweten dat hij feitelijk en als adviseur werkzaamheden verricht bij een particulier detectivebureau. Dit is verboden op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus. Voorts zijn de verboden werkzaamheden niet gemeld conform het bepaalde omtrent nevenactiviteiten in het Barp. Ten slotte is verwezen naar de eerdere berisping uit het voorjaar van 2000 en naar het feit dat eiser eerder is bekritiseerd door de leiding vanwege de wijze waarop eiser zijn functie vervult tegenover burgers.

Bij besluit van 31 augustus 2000 is verweerder overgegaan tot het opleggen van de straf van ongevraagd ontslag per 15 september 2000. Namens eiser is tegen dit besluit bezwaar aangetekend en is aan de president van de rechtbank gevraagd om schorsing van het ontslagbesluit in verband met dreigende financiële problemen. Dit verzoek, bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 00/981 AW, is bij uitspraak van 3 november 2000 afgewezen.

Bij het bestreden besluit zijn onder meer de bezwaarschriften van eiser tegen de schriftelijke berisping en het strafontslag ongegrond verklaard.

In beroep is met betrekking tot de schriftelijke berisping aangevoerd -kort gezegd- dat eiser nimmer een politielegitimatiebewijs op het dashboard van zijn auto heeft gelegd. Eiser was met enkele kennissen, waaronder [R.], werkzaam in een aan hem toebehorend pand. In verband met de aanschaf van materialen heeft [R.] het busje van eiser gebruikt en heeft eiser hem zijn beurs ter beschikking gesteld. Vervolgens heeft [R.] op eigen houtje gehandeld en het verzekeringspasje van de politie van eiser op het dashboard van zijn auto gelegd. Met betrekking tot het strafontslag is aangevoerd -kort gezegd- dat indien uitsluitend van de door eiser erkende feiten wordt uitgegaan onmogelijk kan worden volgehouden dat eiser werkzaamheden ten behoeve van het recherchebureau van [B.] heeft verricht. Uit het enkele feit dat eiser een keer zijn bestelbusje aan zijn kennis [B.] ter beschikking heeft gesteld, kan niet worden afgeleid dat sprake was van verwevenheid van de persoon van eiser met de werkzaamheden van [B.]. Dit geldt a fortiori voor het feit dat eiser één keer samen met [B.] in zijn personenauto naar Zandleven is gereden teneinde een gesprek te hebben met de directeur en evenzeer voor de terloopse opmerking van eiser aan het adres van [B.], in het kader van het onderzoek van [B.] bij Zandleven, dat hij de camera veel beter ergens anders zou kunnen plaatsen dan op het dashboard van het bestelbusje.

Hetgeen in beroep is aangevoerd is voor verweerder, blijkens de inhoud van het verweerschrift, geen aanleiding het in het bestreden besluit ingenomen standpunt te herzien.

De rechtbank overweegt het volgende.

Op grond van art. 76 lid 1 Barp kan een ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft. Lid 2 van dat artikel bepaalt dat plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

In art. 77 lid 1 aanhef en sub a en j Barp is bepaald dat een politieambtenaar in geval van plichtsverzuim disciplinair kan worden gestraft met een schriftelijke berisping respectievelijk ontslag.

Naar vaste jurisprudentie dient de bestuursrechter die moet beslissen over een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, vast te stellen of de betrokken ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan het plichtsverzuim ter zake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten ontlenen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit.

Met betrekking tot de schriftelijke berisping

De rechtbank is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat genoegzaam vaststaat dat eiser zijn van dienstwege verstrekte politielegitimatiebewijs niet heeft beheerd op een wijze die van een goed politieambtenaar mocht worden verwacht. Daardoor konden derden over dit bewijs beschikken en er gebruik van maken anders dan ten behoeve van de politiedienst zoals voorgeschreven in art. 2 van de Ambtsinstructie voor de politie, Koninklijke marechaussee en buitengewoon opsporingsambtenaar. De rechtbank grondt dit oordeel met name op de brief van mevr. [Y.] aan de Chef Bureau Binnenstad van 14 april 1999 en op de door eiser spontaan afgelegde schriftelijke verklaring van 17 april 1999 waarin hij met zoveel woorden verklaart dat het klopt dat het legitimatiebewijs achter de voorruit van de auto heeft gelegen, dat hij daar geen enkele kennis van had en dat zijn personeelslid [R.] daar verantwoordelijk voor was. De andersluidende verklaring van eiser, ruim 15 maanden na dato, waarin hij aangeeft dat [R.] niet het politielegitimatiebewijs maar het verzekeringspasje van de politie -het zogenoemde DGVP-pasje- op het dashboard van de auto van eiser heeft gelegd, komt de rechtbank niet geloofwaardig voor. Dat geldt evenzeer voor de door [R.] onder ede afgelegde verklaring ter zitting dat hij dacht dat het om een zorgverzekeringspasje ging. In ieder geval acht de rechtbank in die beide verklaringen geen grond gelegen om eiser niet aan zijn eerder afgelegde verklaring te houden, temeer nu die verklaring -zoals ook verweerder heeft gesteld- vier weken na het gebeurde is afgelegd en een weergave bevat van hetgeen [R.] direct na het gebeurde tegenover eiser heeft verklaard. Bovendien wordt de weergave van die feiten nog eens bevestigd door het gegeven dat mevr. [Y.], het politielegitimatiebewijs op het dashboard van de auto van eiser heeft zien liggen.

Met het onzorgvuldig beheer als hiervoor bedoeld heeft eiser zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan plichtsverzuim als bedoeld in art. 76 lid 1 Barp. Gesteld noch gebleken is dat het plichtsverzuim eiser niet, of niet in betekende mate, kan worden tegengeworpen. De hiervoor vermelde omstandigheden in aanmerking genomen is de rechtbank voorts van oordeel dat de opgelegde straf van schriftelijke berisping zeker niet onevenredig is met het geconstateerde plichtsverzuim.

Dit onderdeel van het bestreden besluit kan dan ook in stand blijven.

Met betrekking tot het strafontslag

Ingevolge art. 5 lid 2 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna de Wpbr) is het een ambtenaar als bedoeld in de artikelen 141, onderscheidenlijk 142, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering verboden om werkzaamheden te verrichten voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau.

Op grond van art. 66 Barp is de ambtenaar verplicht om aan zijn bevoegd gezag mededeling te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te verrichten.

In de Uitvoeringsregeling nevenwerkzaamheden welke door de politie Friesland wordt gehanteerd en die op 1 januari 1999 is vastgesteld, wordt bepaald dat nevenwerkzaamheden welke in het verlengde liggen van de politietaak -met name die welke een relatie hebben met de politiële taken, verantwoordelijkheden en de opsporingsbevoegdheid- per definitie niet verenigbaar zijn met de uitoefening van het politieambt.

De rechtbank stelt voorop dat gedragingen van politieambtenaren die in strijd zijn met art. 5 lid 2 Barp, ook gelet op hetgeen in voornoemde uitvoeringsregeling is bepaald, door het bevoegd gezag kunnen worden beschouwd als ernstig plichtverzuim en daarmee de bevoegdheid creëren om over te gaan tot een strafontslag als waarvan in de onderhavige zaak sprake is. Voorts is de rechtbank van oordeel dat, indien in de thans voorliggende zaak, moet worden geconcludeerd dat eiser nevenwerkzaamheden heeft verricht als bedoeld in art. 5 lid 2 Barp en bedoelde uitvoeringsregeling, het oordeel moet zijn dat verweerder niet alleen bevoegd was om eiser te ontslaan, maar ook dat -voor zover dat plichtsverzuim eiser kan worden toegerekend- door verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kon worden gemaakt. Immers, het uitoefenen van werkzaamheden voor particuliere detectivebureaus door een politieambtenaar, schept verwarring over aard en omvang van de taken en bevoegdheden van de politie en kan daardoor het gezag van de politie op ontoelaatbare wijze ondermijnen en bovendien aan particuliere organisaties een status verlenen die niet is gerechtvaardigd.

In het onderhavige geval zal de rechtbank derhalve moeten bezien of verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat verzoeker werkzaamheden heeft verricht voor het particuliere detectivebureau van [B.].

Daarvoor is in de eerste plaats van belang het rapport van het BIV van 26 juni 2000. Bij dit onderzoeksrapport is als bijlage gevoegd het rapport van Detectiveburo [B.] van 14 december 1999, dat is opgemaakt naar aanleiding van een opdracht van Th.W. [D.], directeur van Zandleven in verband met de verdenking van een werknemer van dat bedrijf van diefstal dan wel verduistering. In het kader van dit onderzoek heeft [B.] een aantal keren gepost bij Zandleven en bij de woning van de desbetreffende werknemer. Van dit posten is in het rapport verslag gedaan. Tot het rapport behoort een door eiser ondertekende verklaring waarin is vermeld dat hij op een viertal aldaar aangeduide data in juli 1999 de in het rapport vermeld staande feiten heeft geconstateerd. Hierbij wordt verwezen naar het posten dat volgens het rapport op die data heeft plaatsgevonden. Voorts is in het rapport vermeld dat op 31 juli 1999 een informatief gesprek heeft plaatsgevonden tussen onder meer Th.W. [D.] van Zandleven, [B.] en eiser en dat de aanwezigheid van eiser bij dat gesprek verband hield met het verzoek van [B.] aan eiser om advies omtrent het inlichten van vermoedelijke strafbare gedragingen aan de firma Zandleven.

Van belang is verder de door [B.] afgelegde en door hem ondertekende verklaring van 27 januari 2000 ten overstaan van een medewerker van het BIV waarin hij onder meer verklaart:

Nadat ik de opdracht van het bedrijf "Zandleven" had gekregen heb ik de heer [eiser] om advies gevraagd, omdat ik de opdracht goed wilde uitvoeren. Ik had namelijk niet eerder een dergelijke opdracht gehad. Op mijn vraag heeft [eiser] mij toen in die zaak geadviseerd, onder andere op het gebied van cameraplaatsing en -opstelling van de auto waarin gepost werd. Ook werden door hem mogelijkheden aangegeven om via bijvoorbeeld een garage te kunnen observeren. Omdat mijn beide freelance medewerkers in die tijd niet beschikbaar waren, heb ik [eiser] gevraagd, om met mij te posten bij de woning van de heer [naam verdachte werknemer]. Als in mijn eindrapport staat vermeld dat [eiser] ook met mij bij het bedrijf heeft gepost, dan is dat niet juist. Hij heeft namelijk helemaal niet bij het bedrijf gepost. In totaal heeft [eiser] vier keer met mij gepost bij de woning van [naam verdachte werknemer] aan de [ ]straat in [w[woonplaats]. Dit was steeds op mijn verzoek. Ik heb hem bij de eerste keer gevraagd of hij dat kon maken binnen zijn functie en qua tijd. Volgens [eiser] leverde dit in het geheel geen problemen op.

Op 31 juli 1999 is de heer [eiser] samen met mij betrokken geweest bij een gesprek met de heren [D.] van de firma "Zandleven". Ik had namelijk aan de heren [D.], mijn opdrachtgevers, gevraagd of zij een meer deskundig advies wilden over het eventueel aanhouden van een van hun medewerkers voor de verduistering van blikken verf (……). Dat ik in mijn eindrapport aan de firma "Zandleven" heb vermeld dat ik voor dit gesprek telefonisch contact heb opgenomen met de politie te Leeuwarden, heb ik gedaan om het professioneel te laten overkomen. Bij aanvang van dat gesprek heb ik de heer [eiser] voorgesteld als een kennis van mij die werkzaam was bij de politie te Leeuwarden. [eiser] heeft in dit gesprek geadviseerd, om de heer [naam verdachte werknemer] direct bij constatering van het feit, dat hij blikken verf wegnam, in te grijpen en aan te houden. Ook adviseerde hij de directeuren [D.] om van een en ander aangifte te doen bij de politie.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt onmiskenbaar uit het rapport van Detectiveburo [B.] van 14 december 1999 in samenhang met de verklaring van [B.] van 27 januari 2000 dat eiser werkzaamheden heeft verricht voor het detectivebureau van [B.].

De vraag die vervolgens dient te worden gesteld is welke waarde dient te worden gehecht aan de latere verklaring van [B.] van 18 april 2000 waarbij hij op zijn verklaring van 27 januari 2000 terugkomt, alsmede aan zijn onder ede afgelegde verklaring ter zitting. Die verklaringen van [B.], in samenhang met een schrijven van zijn hand aan het BIV van 28 januari 2000, komen er op neer -kort gezegd- dat de in het rapport van 14 december 1999 vermelde data niet alle juist zijn, dat [eiser] in feite niet heeft gepost maar alleen op 19 juli zijn VW-busje en op 30 juli 1999 zijn personenauto ter beschikking heeft gesteld, dat hij geen echt advies doch hoogstens een terloopse opmerking omtrent de camera-opstelling heeft gegeven en voorts dat bij het gesprek met de directie van Zandleven eiser als politieagent is meegegaan en ook in die hoedanigheid heeft geadviseerd.

De rechtbank is van oordeel dat door of namens eiser geen omstandigheden zijn aangevoerd en de rechtbank evenmin van dergelijke omstandigheden is gebleken op grond waarvan [B.] niet zou hoeven te worden gehouden aan zijn eerste verklaring. Het feit dat [B.] zich op 27 januari 2000 enigszins overvallen voelde door het bezoek van de medewerkers van het BIV en dat hij zich daarom mogelijk vergist heeft in de verschillende data kan de rechtbank zich nog wel voorstellen. Dat geldt echter niet voor de niets aan duidelijkheid te wensen overlatende opmerking van [B.] dat eiser vier keer met hem gepost heeft bij de woning van [naam verdachte werknemer] aan de [ ]straat te [woonplaats]. De ter zake op de zitting onder ede afgelegde verklaring van [B.] mist iedere overtuigingskracht en moet als ongeloofwaardig ter zijde worden gesteld.

Met betrekking tot het rapport van 14 december 1999 is de rechtbank van oordeel dat, ook indien zou worden uitgegaan van de juistheid van de verklaring van [B.] dat ten gevolge van een computercrash in november 1999 hij niet meer kon beschikken over de gegevens met betrekking tot het onderzoek bij Zandleven en dat hij bij het schrijven van het rapport uit zijn herinnering heeft moeten putten, dat niet afdoet aan de ongeloofwaardigheid van de latere verklaringen van [B.]. Met name acht de rechtbank onaannemelijk dat [B.] ten tijde van schrijven van het rapport niet meer precies wist zoiets wezenlijk als het antwoord op de vraag of eiser zelf had gepost dan wel dat eiser slecht zijn auto's ter beschikking had gesteld. Temeer daar, indien dat laatste het geval zou zijn geweest, eiser ook niet het rapport had hoeven te tekenen. Met betrekking tot die ondertekening door eiser is de rechtbank overigens van oordeel dat het niet valt uit te sluiten dat eiser op dat moment vanwege een bezoek van de deurwaarder onder grote druk stond, doch dat dat onverlet laat dat eiser bewust het rapport van een particulier detectivebureau heeft ondertekend, terwijl hij als zijnde executief politie-ambtenaar de waarde van een dergelijke verklaring kan onderkennen. Daaraan kan worden toegevoegd dat eiser -zelfs met een vluchtige blik- had kunnen en moeten constateren dat hij, in het kader van het onderzoek van [B.] bij Zandleven, er voor tekende bepaalde feiten op bepaalde data te hebben vastgesteld. Aldus heeft eiser zijn betrokkenheid bij dat onderzoek ten volle toegegeven.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat eiser werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van het detectivebureau van [B.], hetgeen zoals eerder overwogen, als ernstig plichtsverzuim moet worden aangemerkt. Uit het voorgaande volgt evenzeer dat, nu niet is gebleken dat het plichtsverzuim eiser niet kan worden toegerekend, de straf van ontslag evenredig is aan de ernst van dat plichtsverzuim.

Ook dit onderdeel van het bestreden besluit kan derhalve in stand blijven.

Het beroep van eiser dient ongegrond te worden verklaard.

De president acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, voorzitter, en mrs. T.K. Hoogslag en E. de Witt, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2001 door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van mr. P.R.M. Poiesz als griffier.

w.g. P.R.M. Poiesz

w.g. C.H. de Groot

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 7 december 2001