Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2001:AD5512

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
10-10-2001
Datum publicatie
15-11-2001
Zaaknummer
45446 HAZA 01/239
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Leeuwarden

Sector handelsrecht

Uitspraak: 10 oktober 2001

Zaak-/Rolnummer: 45446 HAZA 01/239

VONNIS IN VERSNELD REGIME

van de enkelvoudige handelskamer in de zaak van:

de stichting

STICHTING JACHTHAVEN WARTENA,

gevestigd te Wartena,

eiseres,

procureur: mr. G. Kaaij,

tegen

[voornaam] [gedaagde],

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

procureur: mr. J.S. Bauer,

advocaat: mr. J. Bolt te Assen.

PROCESGANG

Bij tussenvonnis van 23 mei 2001 heeft de rechtbank [gedaagde] in het incident toegelaten [V. te G.], [T. te L.] en Levob Verzekeringen te Leusden te dagvaarden tegen de zitting van 4 juli 2001 teneinde op de eis tot vrijwaring te antwoorden en voort te procederen. In de hoofdzaak is de zaak naar de rol van 4 juli 2001 verwezen voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde]. [gedaagde] heeft vervolgens een conclusie van antwoord genomen. Bij tussenvonnis van 11 juli 2001 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Deze heeft vervolgens plaatsgevonden op 21 augustus 2001, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

De stichting heeft producties overgelegd. Ten slotte is door partijen vonnis gevraagd. De rechtbank wijst heden vonnis op het griffiedossier.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. De vordering

De vordering van de stichting strekt er - na wijziging van eis - toe dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

[gedaagde] zal veroordelen om aan de stichting tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van ƒ 58.692,00, zulks vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juli 1999 tot aan de dag der algehele voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure, waaronder voorwaardelijk in het geval [gedaagde] niet binnen 14 dagen aan dit vonnis zal hebben voldaan bij wijze van nasalaris ex artikel 56 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en op grond van het rapport Voorwerk te betalen een bedrag ter hoogte van 1 punt van het geldende liquidatietarief, te vermeerderen met de betekeningskosten na betekening van de executoriale titel.

[gedaagde] heeft tegen de vordering verweer gevoerd en geconcludeerd de stichting niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, althans haar deze te ontzeggen, met veroordeling van de stichting in de kosten van het geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

2. Vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en niet of onvoldoende betwist, alsmede op grond van de niet-betwiste inhoud van de overgelegde producties onder meer het volgende vast:

2.1. De stichting exploiteert een jachthaven te Wartena.

2.2. Op 24 juli 1999 heeft zich in de jachthaven te Wartena een ongeval voorgedaan.

2.3. [gedaagde] maakte die dag als schipper samen met zijn echtgenote en een goede vriend van hem, [T. te L.], een eerste vaart met een speedkruiser - hierna: de boot - die hen daartoe door de eigen[V. te G.] ter beschikking was gesteld. [gedaagde] en [V. te G.] verschillen van mening over de vraag of de boot al dan niet slechts feitelijk beschikbaar was gesteld door [V. te G.] voor een proefvaart - zoals [gedaagde] betoogt - dan wel op basis van een gesloten koopovereenkomst was geleverd, zoals [V. te G.] stelt.

2.4. Tijdens deze vaart meerde [gedaagde] om even over 12.00 uur aan bij het tankstation van de jachthaven van de stichting teneinde brandstof af te nemen. Omdat de benzinepomp pas om 13.00 uur open ging, heeft [gedaagde] zelf alvast de brandstofslang gehanteerd en in de boot gedaan. Nadat de vakantiehulp bij de jachthaven - [N.] - omstreeks 13.00 uur de pomp in werking had gezet, heeft [gedaagde] getankt en afgerekend.

2.5. Vervolgens heeft [gedaagde] de motor van de boot gestart. Direct daarna volgde een explosie en vloog de boot in brand. De brand sloeg over naar de brandstofpompen en naar een kiosk.

2.6. Achteraf is gebleken dat [gedaagde] de brandstofslang in de vuilwatertank van de boot heeft gedaan in plaats van in de brandstoftank, waardoor er een overloop van benzine en benzinedampen onder in de boot zijn terechtgekomen. Door vonkvorming bij het starten van de motor is de overgelopen benzine, dan wel zijn de benzinedampen geëxplodeerd.

Beoordeling van het geschil

3. De stichting heeft aangevoerd dat [gedaagde] onzorgvuldig heeft gehandeld door de verkeerde tank met brandstof te vullen. Op een bord bij het tankstation staat duidelijk aangegeven dat er op de bel kan worden gedrukt voor bediening. Weliswaar gaat de tankbediende voor wat betreft de vraag wat de brandstoftank is in het algemeen af op de mededelingen van de schipper, maar indien de schipper aangeeft dat hij niet precies weet welk vulgat bestemd is voor benzine, controleert de pompbediende (waaronder vakantiekrachten) dit zelf. [gedaagde] heeft echter geen gebruik gemaakt van de diensten van de pompbediende. Indien hij dat wel had gedaan, was de pompbediende er zeker achter gekomen dat het vulpistool niet in het goede vulgat zat. Omdat [gedaagde] zelf de brandstofslang heeft gehanteerd, hoefde de pompbediende de pomp alleen nog te bekrachtigen in het gebouwtje. Omdat het vulgat voor benzine bij elke boot weer op een andere plek zit, heeft de onderhavige situatie ook geen argwaan gewekt bij de pompbediende. [gedaagde] heeft niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht genomen welke van hem verwacht hadden mogen worden. Volgens de stichting heeft [gedaagde] derhalve onrechtmatig jegens de stichting gehandeld, zodat hij aansprakelijk is voor de door de stichting geleden schade. Het betreft met name schade die door de brand is ontstaan aan de walbeschoeiing en aan de brandstofpompen. Tevens is de kiosk volledig uitgebrand en zijn de inventaris en de voorraden verloren gegaan. Bovendien heeft de stichting veel manuren moeten besteden aan bereddering, opruimen en het regelen van de schade, aldus de stichting.

Na aftrek van een uitkering van een verzekeringsmaatschappij van ƒ 37.721,00 ter zake van de opstal, inventaris en goederen, resteert een schade van ƒ 58.692,00, aldus de stichting.

4. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hem geen verwijt valt te maken ter zake van de ontstane schade. Hiertoe heeft [gedaagde] - kort samengevat - het navolgende aangevoerd.

De schade is ontstaan tijdens een proefvaart in een aan [gedaagde] onbekend vaartuig. Omdat [V. te G.] (de eigenaar van de boot) wist of behoorde te weten dat er tijdens de proefvaart getankt diende te worden, had het op de weg van [V. te G.] gelegen om [gedaagde] nader te instrueren over de plaats dan wel de wijze van tanken. Dit geldt te meer nu het een Amerikaanse speedboot betrof, die wat betreft wijze van bediening en wijze van tanken afwijkt van een Europese speedboot. [V. te G.] is derhalve tekort geschoten in zijn zorgplicht jegens [gedaagde]. De proefvaart vond voor rekening en risico van [V. te G.] plaats. Bovendien mocht [gedaagde] er op vertrouwen dat de boot verzekerd was, hetgeen achteraf niet het geval bleek te zijn.

[gedaagde] heeft voorts op uitdrukkelijke aanwijzingen van [T. te L.] in de bewuste vulopening brandstof getankt. Naar de mening van [T. te L.] stond bij deze vulopening "fuel" vermeld.

[gedaagde] weet wel dat er bij het vulgat iets stond vermeld, maar niet of daar "fuel" stond vermeld. [T. te L.] is een goede vriend van [gedaagde]. Hij had ook geen verstand van boten. Wel is hij bij de boot in Grou geweest met een monteur. Deze monteur had gezegd in welke opening water moest en in welke benzine. Deze vulopening bevond zich bovendien op een voor Europese speedboten niet ongebruikelijke plek voor het tanken van brandstof.

Achteraf is gebleken dat de benzinetankdop zich op het achterdek van de boot bevond. Vóór vertrek was echter de cabriokap neergelaten waardoor de bewuste tankdop onder de neergelaten kap was verdwenen en derhalve volledig aan het zicht werd onttrokken.

5. In de onderhavige procedure staat vast dat [gedaagde] bij het tanken een fout heeft gemaakt, te weten het plaatsen van de brandstofslang in de vuilwatertank van de boot in plaats van in de brandstoftank. Tevens staat vast dat de door de stichting geleden schade door deze fout is ontstaan, zodat vastgesteld kan worden dat [gedaagde] onrechtmatig jegens de stichting heeft gehandeld. Thans is de vraag of deze onrechtmatige daad al dan niet aan [gedaagde] valt toe te rekenen, zodat hij verplicht is de schade van de stichting te vergoeden. Het sub 4 weergegeven verweer van [gedaagde] komt er op neer dat volgens [gedaagde] de onrechtmatige daad niet te wijten is aan zijn schuld; volgens [gedaagde] valt hem geen verwijt te maken. De rechtbank is van oordeel dat ook indien de onrechtmatige daad niet te wijten is aan de schuld van [gedaagde], [gedaagde] desondanks verplicht is om de schade van de stichting te vergoeden. Naar het oordeel van de rechtbank dient de onrechtmatige daad aan [gedaagde] te worden toegerekend omdat zij te wijten is aan een oorzaak welke krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Als schipper van de boot en degene die zelf het vulpistool ter hand heeft genomen is [gedaagde] verantwoordelijk tegenover de stichting. De onervarenheid van [gedaagde] kan niet aan de stichting worden tegengeworpen. Ook de omstandigheid dat [gedaagde] zich wellicht kan verhalen op derden die mogelijk iets te verwijten valt, kan in relatie tot de stichting niets aan het voorgaande afdoen. [gedaagde] zal derhalve de door de stichting geleden schade dienen te vergoeden. Weliswaar heeft [gedaagde] aangevoerd dat de vakantiekracht bij het benzinestation van de stichting onvoldoende ter zake kundig was - hetgeen de rechtbank opvat als een beroep op de zogenaamde "eigen schuld regeling" in artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek - doch [gedaagde] heeft zijn verweer op dit punt niet nader onderbouwd. [gedaagde] heeft niet gesteld wat de vakantiehulp verweten kan worden. Bovendien is niet aannemelijk dat de vakantiehulp een verwijt kan worden gemaakt. Vast staat dat [gedaagde] de vakantiehulp niet om hulp heeft gevraagd, terwijl [gedaagde] niet heeft betwist dat een pompbediende in het algemeen pleegt af te gaan op de mededelingen van de schipper. Het verweer zal derhalve op deze grond worden afgewezen.

6. Ter comparitie heeft [gedaagde] verweer gevoerd tegen de hoogte van de gevorderde schade. Tevens heeft [gedaagde] de rechtbank toen verzocht om in het geval aansprakelijkheid van [gedaagde] zou komen vast te staan, in de gelegenheid te worden gesteld om per schadepost nader verweer te voeren. De rechtbank zal dit verzoek honoreren. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de rol van 7 november 2001 voor akte aan de zijde van [gedaagde].

7. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat hoger beroep tegen dit vonnis niet dan gelijktijdig met dat tegen het eindvonnis zal kunnen worden ingesteld.

8. Voor het overige wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

BESLISSING

De rechtbank

1. verwijst de zaak naar de rol van 7 november 2001 voor akte aan de zijde van [gedaagde], zoals sub 6 bedoeld;

2. bepaalt dat hoger beroep tegen dit vonnis niet dan gelijktijdig met dat tegen het eindvonnis zal kunnen worden ingesteld;

3. houdt voor het overige iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 10 oktober 2001.

fn 82