Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2001:AD4685

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
18-10-2001
Datum publicatie
18-10-2001
Zaaknummer
17/080078-00vev
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor een bedreiging, zware mishandeling en poging tot doodslag. De rechtbank legt hem een gevangenisstraf van zestien maanden op. Ook wordt bevel gegeven tot tenuitvoerlegging van twee voorwaardelijk opgelegde straffen nadat een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in deze vorderingen is verworpen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 285, geldigheid: 2001-10-18
Wetboek van Strafrecht 287, geldigheid: 2001-10-18
Wetboek van Strafrecht 302, geldigheid: 2001-10-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Leeuwarden

Sector strafrecht

VERKORT VONNIS

Uitspraak: 18 oktober 2001

Parketnummer: 17/080078-00

Vorderingen na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 17/080120-99 en 04/052580-97.

VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte:

[naam],

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 4 oktober 2001.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.

TELASTELEGGING

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht het onder 1. primair, 2., 3. primair en 4. telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

1. primair: hij op 25 april 2000 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met een door verdachte bestuurde personenauto met aanmerkelijke snelheid op die [slachtoffer 1] is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. hij op 25 april 2000, in een trein komende uit Leeuwarden en gaande in de richting van Heerenveen, [slachtoffer 2] (hoofdconducteur in dienst bij de Nederlandse Spoorwegen) heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk een vijl dreigend voor die [slachtoffer 2] gehouden, zulks terwijl die [slachtoffer 2] zich op korte afstand van verdachte bevond, en heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Als er bloed moet vloeien dan moet je het nu zeggen" en "De conducteur in Harlingen is neergestoken door een Marokkaan. In dat wereldje zit ik ook"

en met zware mishandeling, immers is verdachte dreigend voor die [slachtoffer 2] gaan staan, zulks terwijl verdachte zich met een vuist op de borst sloeg, en heeft aan die [slachtoffer 2] de woorden toegevoegd: "Als er bloed moet vloeien, dan vechten wij het hier uit";

3. primair: hij op 25 april 2000 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 3] met een sleutel met kracht tegen het linkeroog heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4. hij op 1 mei 2000 te Leeuwarden, zulks terwijl verdachte zich bevond in een cel van het cellencomplex gevestigd aan de Holstmeerweg 1, [slachtoffer 4] (arrestantenverzorger), heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 4] de woorden toegevoegd: "Ik weet dat je twee kinderen hebt en Ik ga jou en jouw kinderen dood maken".

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

KWALIFICATIE

Het bewezene levert op misdrijven:

1. primair: Poging tot doodslag;

2. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

en Bedreiging met zware mishandeling;

3. primair: Poging tot zware mishandeling;

4. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

STRAFMOTIVERING

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en de psychologische en psychiatrische rapportage;

- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte terzake het onder 1. primair, 2., 3. primair en 4. telastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek, alsmede verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen sleutel.

Ten laste van verdachte heeft de rechtbank bewezen verklaard dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan kortweg gezegd een viertal agressiedelikten. Deze feiten zijn stuk voor stuk als ernstig aan te merken en variëren van serieuze bedreigingen tot daadwerkelijke mishandeling en poging tot doodslag. De rechtbank neemt deze feiten hoog op nu verdachte in de laatste drie jaren reeds enige malen wegens agressiedelicten en verboden wapenbezit is veroordeeld. Verdachte lijkt van die veroordelingen weinig te hebben geleerd.

Met de officier van justitie is de rechtbank dan ook van oordeel dat thans het opleggen van een gevangenisstraf van langere duur geboden is. De rechtbank neemt daarbij wel in beschouwing dat de feiten alweer bijna anderhalf jaar geleden zijn gepleegd. Zulks leidt tot een iets lagere strafoplegging dan gevorderd.

INBESLAGGENOMEN GOEDEREN

De rechtbank acht de inbeslaggenomen vierkantssleutel vatbaar voor verbeurdverklaring nu met behulp van dit voorwerp het onder 3. primair bwezen verklaarde feit is begaan en dit toebehoort aan verdachte.

BENADEELDE PARTIJEN

[Slachtoffer 1]heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1. primair telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering, die wordt betwist, geen schade betreft die rechtstreeks is toegebracht door het bewezen verklaarde feit.

[Slachtoffer 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde immateriële schade tot een bedrag van ƒ 750,00 voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve in zoverre gegrond en voor toewijzing vatbaar, onder afwijzing van het meer gevorderde.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het toegewezen bedrag aangewezen.

[Slachtoffer 4] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 4. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde immateriële schade tot een bedrag van ƒ 500,00 voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve in zoverre gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De gevorderde reiskosten van de benadeelde in verband met het bijwonen van de terechtzitting acht de rechtbank eveneens gegrond en toewijsbaar. Het meer of anders gevorderde dient, als onvoldoende aannemelijk geworden, te worden afgewezen.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het toegewezen bedrag van ƒ 500,00 aangewezen.

VORDERINGEN NA VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

De raadsman heeft - kort samengevat - onder meer aangevoerd dat het Gerechtshof de onderhavige zaak slechts heeft verwezen naar de rechtbank voor zover deze kan worden afgedaan op de bestaande dagvaarding. De twee vorderingen zijn daar niet onder begrepen. Het openbaar ministerie heeft de twee vorderingen derhalve ingediend terwijl zij nog ter afdoening bij het Gerechtshof aanhangig zijn. Naar zijn mening dient het openbaar ministerie daarom met betrekking tot de beide vorderingen niet ontvankelijk te worden verklaard.

De rechtbank verwerpt dit verweer daar het Gerechtshof de zaak, in de omvang zoals deze bij het Gerechtshof is aangebracht onder parketnummer 24-000947-00, heeft verwezen naar de arrondissementsrechtbank. Deze verwijzing behelst derhalve eveneens de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is.

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 22 juli 1999, gewezen door de meervoudige strafkamer van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden, is de verdachte veroordeeld tot

- voor zover hier van belang - een gevangenisstraf voor de duur van tweehonderd dagen, waarvan honderd dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 6 augustus 1999. Bij vordering d.d. 2 oktober 2001 heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

De hiervoor onder 1. primair, 2., 3. primair en 4. bewezenverklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd. De rechtbank zal op grond daarvan de tenuitvoerlegging gelasten van de aan verdachte bij voornoemd vonnis van 22 juli 1999 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 20 november 1998, gewezen door de politierechter in de arrondissementsrechtbank te Roermond, is de verdachte veroordeeld tot - voor zover hier van belang - een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 5 december 1998. Bij vordering d.d. 3 oktober 2001 heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

De hiervoor onder 1. primair, 2., 3. primair en 4. bewezenverklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd. De rechtbank zal op grond daarvan de tenuitvoerlegging gelasten van de aan verdachte bij voornoemd vonnis van 20 november 1998 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Gezien de aard en de ernst van de destijds en ook thans bewezenverklaarde feiten, in samenhang met de in deze delicten tot uiting komende agressieve persoonlijkheid van verdachte, zal de rechtbank niet ingaan op het aanbod van verdachte in beide zaken een werkstraf te verrichten.

TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14g (oud), 33, 33a, 36f, 45, 57, 285, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT

RECHTDOENDE:

Verklaart het onder 1. primair, 2., 3. primair en 4. telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

- Een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

- Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen vierkantssleutel.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet ontvankelijk is in de vordering. Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [adres], toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van ƒ 750,00 (zegge: zevenhonderd vijftig gulden), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], te betalen een som geld ten bedrage van ƒ 750,00 (zegge: zevenhonderd vijftig gulden), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van vijftien dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van ƒ 750,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4], wonende te [adres], toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van ƒ 500,00 (zegge: vijfhonderd gulden), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op ƒ 25,00.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4], te betalen een som geld ten bedrage van ƒ 500,00 (zegge: vijfhonderd gulden), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van tien dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van ƒ 500,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 17/080120-99 en 04/052580-97

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling.

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, voorzover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer in de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden d.d. 22 juli 1999, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van honderd dagen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, voorzover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de arrondissementsrechtbank te Roermond, d.d. 20 november 1998, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.S. Wegener Sleeswijk, voorzitter, mr. I.M. Dölle en mr. H.R. Bax, rechters, bijgestaan door mr. H.A. Attema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 oktober 2001. Mr. Bax is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.