Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2001:AB2895

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
12-07-2001
Datum publicatie
30-07-2001
Zaaknummer
46454/KG ZA 01-137
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Leeuwarden

Korte Gedingen

Uitspraak: 12 juli 2001

Kort-geding-nummer: 46454/KG ZA 01-137

VONNIS

van de president van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden, in het kort geding van:

de besloten vennootschap

De Projectgroep Emmen B.V.,

gevestigd te Emmen,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

hierna te noemen: PGE,

procureur: mr. J. Winnips,

advocaat: mr. C.H. de Haan te Emmen,

tegen

1. de besloten vennootschap

L.E.M. Holding B.V.,

handelend onder de naam Wells Club Leeuwarden B.V. in oprichting,

gevestigd te Wijchen,

2 [S.]

wonende te [woonplaats]

hierna: [S.]

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [S.c.s.],

procureur: mr. P. Tuinman te Leeuwarden,

advocaat: mr. W.G.M. Brink te Wijchen.

PROCESGANG

PGE heeft de [S.c.s.] in kort geding doen dagvaarden tegen de openbare zitting van 21 juni 2001. Ter zitting heeft PGE de - ten opzichte van de aankondiging in de dagvaarding gewijzigde - eis aldus geformuleerd dat de president bij vonnis - zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - [S.c.s.] hoofdelijk, aldus dat als de één presteert de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt binnen acht dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan PGE af te geven de in de in- en verkoopfacturen genoemde roerende zaken, met uitzondering van de goederen die in de pleitnota onder nr. 10 staan genoemd, welke afgifte dient plaats te vinden door PGE en de door haar ingeschakelde hulppersonen in de gelegenheid te stellen deze roerende zaken binnen deze termijn van acht dagen uit het pand aan het Zaailand 76-80 te Leeuwarden te (doen) verwijderen en aan hen vrije en ongehinderde toegang tot dit pand te verlenen totdat al deze roerende zaken door PGE uit het pand zijn verwijderd en voorts de roerende zaken, welke zich niet in dit pand bevinden, in dit pand terug te plaatsen alvorens PGE de roerende zaken ophaalt en PGE te machtigen indien [S.c.s.] niet of niet volledig dit vonnis nakomen, zich de toegang tot het pand en de afgifte van de roerende zaken met behulp van de sterke arm van politie/justitie te (doen) verschaffen respectievelijk te (doen) bewerkstelligen en voorts te bepalen dat gedaagden hoofdelijk, aldus dat als de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, aan PGE zijn verschuldigd een dwangsom van fl. 10.000,00 per dag of gedeelte van een dag gedurende welke [S.c.s.] dit vonnis niet of niet volledig nakomen en [S.c.s.] hoofdelijk, aldus dat de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen in de proceskosten.

Vervolgens hebben partijen hun standpunten nader doen toelichten door hun advocaten, die beiden mede aan de hand van pleitnotities het woord hebben gevoerd, waarbij [S.c.s.] in conventie hebben geconcludeerd dat de president PGE niet in haar vordering ontvangt, althans deze vordering als ongegrond, onjuist en/of onbewezen integraal afwijst, met veroordeling van PGE in de kosten van deze procedure. In reconventie hebben [S.c.s.] gevorderd dat de president overgaat tot opheffing van het beslag, zoals door deurwaarder Otter bij exploot van 23 mei 2001, gelegd, blijkende uit het bij dat exploot gevoegde proces-verbaal van beslag van 23 mei 2001, tevens met veroordeling van PGE in reconventie in de kosten van de procedure.

PGE heeft geconcludeerd tot afwijzing van de reconventionele vordering.

Partijen hebben met wederzijds goedvinden producties in het geding gebracht.

Na voortgezet debat hebben partijen vonnis gevraagd. De president doet heden uitspraak op basis van het griffiedossier, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

Vaststaande feiten

1. Binnen het kader van dit kort geding zijn onder meer de navolgende feiten als vaststaand tussen partijen komen te gelden.

1.1. PGE heeft in 2000 overeenkomsten afgesloten met [L.] voor de complete inrichting van het sport- en fitnesscentrum "City Fit" aan het Zaailand 76-80 te Leeuwarden.

1.2 Toen de zakenpartner van [L.] overleed trok de financierende ING zich terug.

Vervolgens is het totale project overgenomen door BVB participaties B.V. in oprichting (hierna: BVB). Tijdens de bespreking met PGE op 15 augustus 2000 werd overeengekomen dat PGE het totale project voor in totaal fl. 850.000,00 (excl. BTW) gereed zou maken. PGE kwam haar verplichtingen na en maakte het project af. Het betrof een zogenaamd turn-key project. PGE zorgde ervoor dat de stoffering, meubilair, installaties en dergelijke door derden werden gemaakt en geleverd. PGE diende deze leveranciers te betalen.

1.3. BVB was niet in staat de exploitatie rond te krijgen en kwam haar betalingsverplichtingen jegens PGE niet na. PGE maakte vervolgens aanspraak op volledige betaling van de door haar verrichte werkzaamheden en geleverde zaken. Deze afspraken werden eveneens door BVB niet nagekomen. Na aftrek van gedane betalingen vordert PGE thans een bedrag van fl. 485.528,87 van BVB. Terzake van deze vordering heeft PGE een bodemprocedure gestart.

1.4. [S.] bemiddelde via zijn onderneming Vitality Jobs B.V. (hierna: Vitality Jobs) al in 2000 gedurende enige maanden in de tewerkstelling aan BVB van gespecialiseerd personeel in de sport- en fitnesssector.

1.5 [S.], die bestuurder is van L.E.M. Holding B.V., heeft het pand aan het Zaailand 76-80 per 1 april 2001 met een geheel nieuwe huurovereenkomst van de eigenaar gehuurd. [S.] heeft hiervoor een nieuwe B.V. opgericht onder de naam Wells Club Leeuwarden B.V. in oprichting. In het pand aan het Zaailand 76-80 bevinden zich de roerende zaken die door PGE in dit kort geding worden opgeëist (hierna: de inventaris).

1.6 Op 23 mei 2001 is op verzoek van PGE door deurwaarder P. Otter conservatoir beslag gelegd op deze inventaris.

Het standpunt van PGE

in conventie

2.1 PGE stelt zich op het standpunt dat zij eigenaresse is van de inventaris, waarvan in dit kort geding de afgifte wordt geëist. PGE voert daartoe aan dat zij deze inventaris, op grond van algemene voorwaarden, onder eigendomsvoorbehoud aan [L] heeft geleverd, waarna de inventaris, na doorlevering van [L] aan BVB, door BVB onbetaald is gebleven. PGE betwist dat er een koopovereenkomst tussen BVB en Vitality Jobs is afgesloten terzake de inventaris. [S] was voorts, naar de mening van PGE, niet te goeder trouw. [S] wist dat de inventaris niet geheel betaald was en dat er een eigendomsvoorbehoud op rustte. [S] had PGE daaromtrent kunnen en behoren te vragen.

PGE stelt voorts een spoedeisend belang bij haar vordering te hebben omdat zij door haar crediteuren tot betaling wordt aangesproken en haar leveranciers aanspraak maken op hun eigendomsvoorbehoud. Voorts leidt het voortgezet gebruik van de inventaris tot waardevermindering en kan er aan de inventaris gemakkelijk schade ontstaan. PGE kan hierdoor de bodemprocedure niet afwachten.

in reconventie

2.2 PGE verzet zich tegen toewijzing van de reconventionele vordering omdat er, gelet op hetgeen door haar in conventie is aangevoerd, op juiste gronden tot het leggen van conservatoir beslag is overgegaan.

Het standpunt van [S.c.s.]

in conventie

3.1 [S.c.s.] stellen zich - primair - op het standpunt dat PGE zelf geen eigendom van de inventaris heeft verkregen, omdat PGE haar leveranciers niet heeft betaald, zodat deze zich terecht beroepen op hun eigendomsvoorbehoud. Hierdoor kon PGE de inventaris niet aan BVB onder eigendomsvoorbehoud leveren. Een vordering tot revindicatie door PGE is dan ook niet mogelijk. Subsidiair betwisten [S.c.s.] dat er in de verhouding tussen PGE en BVB algemene voorwaarden van toepassing zijn, waarop PGE zich beroept, omdat op geen enkele wijze blijkt of BVB op de vereiste wijze vooraf kennis heeft genomen van deze algemene voorwaarden. Voorts is niet duidelijk of BVB zelf inkoopvoorwaarden toepaste waardoor er sprake zou kunnen zijn van een "battle of forms". Bovendien heeft BVB op geen enkele wijze aan [S] kenbaar gemaakt dat er sprake zou zijn van doorlevering van inventaris goederen die onder eigendomsvoorbehoud waren verkregen. [S] ging er dan ook vanuit dat BVB eigenaar was van de inventaris en mocht daar ook van uitgaan.

Indien wel komt vast te staan dat PGE een eigendomsvoorbehoud heeft gemaakt ten opzichte van BVB stellen [S.c.s.] zich op het standpunt dat alle facturen, die betrekking hebben op de inventaris, door BVB zijn voldaan, zodat BVB eigenaar is geworden van de inventaris en beschikkingsbevoegd was om de inventaris door te leveren. Indien komt vast te staan dat BVB toch beschikkingonbevoegd was stellen [S.c.s.] zich, meer subsidiair, op het standpunt dat [S] ten tijde van het verkrijgen van de inventaris te goeder trouw was. Hierdoor was er sprake van een rechtsgeldige levering aan [S.c.s.] [S.c.s.] verwijzen hierbij naar een brief van 2 februari 2001 waarin [VdB], namens BVB, aan [S] meedeelt dat er op de inventaris geen eigendomsvoorbehoud rust. [S.c.s.] zijn voorts van mening dat deze zaak zich niet leent voor een kort geding gelet op de complexiteit van de zaak, het gebrekkige bewijsmateriaal van de zijde van PGE en de behoefte van [S.c.s.] om nader getuigenbewijs te leveren. Toewijzing van de onderhavige vordering zouden voor [S.c.s.], met de net opgestarte onderneming, dramatische gevolgen hebben. Naar de mening van [S.c.s.] zal het belang van toekenning van de onderhavige vordering van PGE dan ook niet opwegen tegen de aanzienlijke belangen die [S.c.s.] hebben.

in reconventie

3.2 [S.c.s.] zijn, gelet op hetgeen door hun in conventie is aangevoerd, van mening dat de vordering in conventie van PGE dient te worden afgewezen. Hieruit volgt dat ook het conservatoir beslag kan worden opgeheven.

Beoordeling van het geschil

4.1 De president acht het voorshands niet aannemelijk dat [S.c.s.] aanspraak kunnen maken op bescherming van de goede trouw op grond van artikel 3:86 Burgerlijk Wetboek (BW). [S.c.s.] wisten of behoorden te weten dat BVB financiële problemen had en mogelijk niet bevoegd was om over de inventaris te beschikken. [S.c.s.] wisten dat of konden dat weten omdat zij via Vitality Jobs kennelijk al geruime tijd intensief bij de exploitatie van BVB waren betrokken, zoals onder meer blijkt uit de terbeschikkingstelling van personeel aan BVB via Vitality Jobs en uit de stelling van [S.c.s.] dat de koopprijs van de inventaris is verrekend met de kosten van dat personeel. [S.c.s.] hadden zelf onderzoek behoren in te stellen naar de eigendomsverhoudingen en daarmee naar de beschikkingsbevoegdheid van BVB. [S.c.s.] hebben daaromtrent niets gesteld maar juist aangevoerd dat zij op de inhoud van een brief van BVB zijn afgegaan, geschreven door [VdB], waarin werd meegedeeld dat er op de inventaris geen eigendomsvoorbehoud rustte. Naar het oordeel van de president hebben [S.c.s.] daarmee niet of onvoldoende aan hun onderzoeksplicht voldaan. Daarbij is mede van belang dat het hier niet gaat om goederen die naar hun aard kennelijk bestemd zijn voor snelle doorverkoop en doorlevering, zoals halffabrikaten (zoals bijvoorbeeld onbewerkte staalplaten). In zulke gevallen zijn snelle doorverkoop en doorlevering zo normaal, dat het in strijd zou zijn met de verkeersbelangen om van een koper ter vergen om een zeer kritisch onderzoek in te stellen naar de beschikkingsbevoegdheid van zijn rechtsvoorganger in verband met mogelijke eigendomsvoorbehouden van deze of eerdere rechtsvoorgangers. Voor de onderhavige zaken, een complete inventaris voor een fitness-centrum, gaat dat argument echter niet op.

4.2 Ondanks het voorlopige oordeel van de president, dat aan [S.c.s.] de bescherming van artikel 3:86 BW niet toekomt, is de vordering tot revindicatie in het kader van dit kort geding niet voor toewijzing vatbaar, omdat het gestelde spoedeisende belang (waardevermindering) niet duidelijk opweegt tegen de praktische onmogelijkheid om binnen het beperkte bestek van een kort geding de gestelde en betwiste gecompliceerde eigendomsverhoudingen inzake de inventaris uit te zoeken en vast te stellen. Uit de over en weer gestelde en betwiste feiten valt de goederenrechtelijke aanspraak van PGE op de inventaris voorshands niet met voldoende zekerheid af te leiden. Met name moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat haar rechten op de inventaris, althans gedeeltelijk, zijn te niet gegaan omdat haar facturen, althans deels, zijn betaald en bovendien kan thans nog niet met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat PGE zelf niet bevoegd was om over de inventarisgoederen te beschikken, omdat zij ten tijde van de doorverkoop aan BVB haar eigen leverancier nog niet had betaald en deze zich (vervolgens) beriepen op hun eigen eigendomsvoorbehoud.

4.3 Uit het voorgaande volgt dat de eis in conventie zal worden afgewezen. PGE zal de als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

in reconventie

4.4 Volgens artikel 705 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de kort-geding-procedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. De kort-geding-rechter zal evenwel hebben te beslissen aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd.

Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen. De Hoge Raad heeft hier in zijn arrest van 14 juni 1996, NJ 1997/481 aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.5 Gelet op hetgeen in conventie is overwogen is de president van oordeel dat onvoldoende summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht is gebleken, zodat de eis in reconventie zal worden afgewezen. [S.c.s.] zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

BESLISSING

De president, rechtdoende in kort geding:

in conventie

1. wijst de vordering af;

2. veroordeelt PGE in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [S.c.s.] begroot op ƒ 400,00 aan verschotten en ƒ 1.550,00 aan salaris procureur;

in reconventie

3. wijst de vordering af;

4. veroordeelt [S.c.s.] in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van PGE begroot op ƒ 775,00 aan salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.K.F. Hangelbroek, president, en in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juli 2001.

fn 149