Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2001:AB2243

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
21-06-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/928 AAWAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN

Sector Bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 99/928 AAWAO

Inzake het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde mr. J.M.C. van den Bosch-Scholts, advocaat te Sneek,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder,

gemachtigde mevr. mr. E. Lap werkzaam op de afdeling Bezwaar en Beroep bij Cadans uitvoeringsinstelling B.V. te Zeist.

Procesverloop

Bij brief van 26 augustus 1999 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar strekkende tot ongegrondverklaring van het bezwaar gericht tegen een besluit van verweerder van 8 maart 1999 met betrekking tot de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Tegen dit besluit is namens eiseres beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 26 maart 2001. Eiser is in persoon verschenen, vergezeld van haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Motivering

Eiseres, geboren op 2 september 1946, is laatstelijk voor 21 uur per week werkzaam geweest als verkoopster. Op 13 april 1993 is eiseres wegens rugklachten uitgevallen van haar werk. Met ingang van 12 april 1994 heeft verweerder haar uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 9 september 1994 heeft verweerder de uitkeringen van eiseres met ingang van 26 september 1994 ingetrokken onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres met ingang van die datum is gesteld op minder dan 25% (voor de AAW) respectievelijk 15% (voor de WAO).

Op 21 oktober 1994 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank te Haarlem. Bij uitspraak van 24 januari 1995 is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het door eiseres tegen deze uitspraak ingestelde verzet is gegrond verklaard en de behandeling van de zaak is vervolgens voortgezet. Bij uitspraak van 22 april 1997 is het beroep gegrond verklaard.

Bij besluit van 15 oktober 1997 is aan eiseres meegedeeld dat zij met ingang van 26 september 1994 onveranderd arbeidsongeschikt is en de uitkeringen krachtens de AAW en de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van deze datum zullen worden voortgezet. Bij besluit van dezelfde datum heeft verweerder de uitkering krachtens de AAW en de WAO met ingang van 19 november 1997 ingetrokken onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres gesteld dient te worden op minder dan 25% (voor de AAW) respectievelijk 15% (voor de WAO).

Tegen dit besluit heeft eiseres op 25 november 1997 bezwaar ingediend bij verweerder.

Bij besluit op bezwaar van 8 maart 1999 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en het standpunt dat eiseres vanaf 19 november 1997 voor minder dan 25% respectievelijk 15% arbeidsongeschikt is in de zin van voornoemde wetten gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 19 april 1999 beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank Leeuwarden (reg.nr. 99/399 AAWAO). Bij uitspraak van 16 juni 1999 heeft deze rechtbank het beroep met toepassing van art. 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kennelijk gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij het standpunt dat eiseres vanaf 19 november 1997 voor minder dan 25% (voor de AAW) respectievelijk 15% (voor de WAO) arbeidsongeschikt is in de zin van voornoemde wetten, onverkort wordt gehandhaafd. Verweerder heeft hierbij overwogen dat met de uitspraak van 16 juni 1999 geen inhoudelijk oordeel is gegeven over de materiele juistheid van het ingestelde beroep.

Tegen dit laatste besluit richt zich het onderhavige beroep. Tevens heeft eiseres zich op 24 november 2000 tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek om ingevolge het bepaalde in art. 8:81 Awb een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 2 januari 2001 heeft de president het verzoek afgewezen.

Namens eiseres is in beroep aangevoerd dat verweerder niet gerechtigd is tot het nemen van een identieke beslissing op bezwaar, nu de rechtbank het beroep van eiseres tegen de ongegrondverklaring van het bezwaarschrift bij uitspraak van 16 juni 1999 heeft gehonoreerd en derhalve een inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de materiele juistheid van het ingestelde beroep.

De rechtbank overweegt als volgt.

In haar uitspraak van 16 juni 1999 heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de in het dossier aanwezige stukken, te weten het beroepschrift met bijlagen en het bestreden besluit, het beroep van eiseres kennelijk gegrond is. De rechtbank komt tot dit oordeel nu de namens eiseres tegen het bestreden besluit aangevoerde gronden door verweerder niet zijn weersproken en die grieven de rechtbank bovendien niet (apert) onjuist of ongegrond voorkomen. Het bestreden besluit zal dan ook worden vernietigd.

De rechtbank is van oordeel dat, met de overweging dat de namens eiseres aangevoerde gronden door verweerder niet zijn weersproken en die grieven de rechtbank bovendien niet (apert) onjuist of ongegrond voorkomen, wel degelijk een inhoudelijk oordeel is gegeven over de materiële juistheid van het beroep. De rechtbank heeft immers zowel de inhoud van het bestreden besluit als de gronden van het beroep uitdrukkelijk bij zijn oordeelsvorming betrokken.

Verweerder heeft ter ondersteuning van zijn standpunt nog verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 april 1999 (97/998 AAW). De rechtbank is evenwel van oordeel dat die zaak wezenlijk verschilt van de onderhavige zaak. Zo had de rechtbank in die zaak, in haar in hoger beroep aangevochten uitspraak, nu juist uitdrukkelijk overwogen dat met de gegrondverklaring van het beroep niet een inhoudelijk oordeel over de juistheid van de stellingen van eiseres werd gegeven.

Gelet op het voorgaande stond het verweerder niet meer vrij om bij het bestreden besluit de uitkering van eiseres op grond van de AAW en WAO met ingang van dezelfde datum als in het vernietigde besluit vermeld -te weten 19 november 1997- in te trekken. Nu verweerder dat toch heeft gedaan, dient het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd.

Het door eiseres betaalde griffierecht van ƒ 60,= dient, gelet op het bepaalde in art. 8:74 lid 1 Awb door het Lisv te worden vergoedt.

Op grond van het bepaalde in art. 8:75 Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiseres. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eiseres ƒ 1.420,= ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak gemiddeld; waarde per punt ƒ 710,=). De rechtbank wijst het Lisv aan als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat het Lisv het door eiseres betaalde griffierecht van ƒ 60,= vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres van ƒ1.420,=, aan de griffier van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden te betalen door het Lisv.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2001, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Molenaar als griffier.

w.g. M.R. Molenaar w.g. C.H. de Groot

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht.

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.