Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2001:AB2067

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
29-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/655 HOREC
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN

Sector Bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 99/655 HOREC

Inzake het geding tussen:

1. [naam eiser 1], gevestigd te Sneek,

2. [naam eiser 2], wonende te Sneek,

3. [naam eiser 3], gevestigd te Sneek,

eisers,

gemachtigde: mr. M.B.W. Litjens, advocaat te Leeuwarden,

en

de burgemeester van de gemeente Sneek, verweerder,

gemachtigden: mr. M.W. Jansen en E. Beswerda, werkzaam op de afdeling algemene zaken van verweerders gemeente, alsmede B.A.F. Brouwer werkzaam als wijkagent in verweerders gemeente.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 1999, verzonden op 27 mei 1999, heeft verweerder aan eisers medegedeeld dat het bezwaarschrift van eisers tegen verweerders besluit van 4 februari 1999, waarbij verweerder de heer [naam vergunninghouder] (hierna te noemen: vergunninghouder) in kennis heeft gesteld van zijn besluit vergunning te verlenen voor de exploitatie van een alcoholvrij bedrijf (coffeeshop) in een gedeelte van het pand [adres 1] te Sneek, ongegrond is verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers beroep doen instellen. Verzocht is om versnelde behandeling van het beroep op grond van art. 8:52 Awb. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien dit verzoek te honoreren nu eisers (ook) in beroep een voorlopige voorziening hadden kunnen vragen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebben stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 18 april 2001 heeft verweerder een nieuw besluit in geding gebracht, dat ziet op intrekking en wijziging van het besluit van 25 mei 1999. Daarbij is het besluit van 25 mei 1999 in die zin gewijzigd, dat de vergunning op naam is gesteld van de besloten vennootschap Groenland B.V. in welke [naam vergunninghouder] alleen/zelfstandig bevoegd is (de besloten vennootschap zal in het hiernavolgende als vergunninghoudster worden aangeduid). Voor het overige zijn geen wijzigingen in het besluit van 25 mei 1999 gebracht.

De rechtbank heeft aanleiding gezien met toepassing van het bepaalde in de artt. 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep mede gericht te achten tegen het besluit van 18 april 2001.

Vergunninghouder heeft te kennen gegeven als partij aan het geding te willen deelnemen en bij brief van 20 januari 2000 heeft de gemachtigde van vergunninghouder, mr. E.J. Rotshuizen, advocaat te Leeuwarden, zijn visie op de zaak naar voren gebracht.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 10 mei 2001. Namens eisers is [eiser 1] verschenen, bijgestaan door bovengenoemde gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Namens vergunninghoudster is [naam vergunninghouder] verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde.

2. Motivering

Op 5 oktober 1998 heeft [vergunninghouder] bij verweerder een verzoek ingediend om hem vergunning te verlenen voor de exploitatie van een coffeeshop in het pand [adres 1] te Sneek.

De aanvraag van [vergunninghouder] is gepubliceerd in het Sneeker Nieuwsblad van 8 oktober 1998. Naar aanleiding van de publicatie hebben tien personen hun zienswijze naar voren gebracht, waaronder eisers. Verweerder heeft allen een brief gezonden, inhoudende uitleg over het gemeentelijke coffeeshopbeleid en een reactie op de aangevoerde bedenkingen.

Bij besluit van 4 februari 1999, verzonden op 5 februari 1999, heeft verweerder aan [vergunninghouder] de gevraagde vergunning verleend.

Tegen dit besluit is namens eisers een bezwaarschrift ingediend, terwijl eisers tevens aan de president van deze rechtbank hebben verzocht het besluit van 4 februari 1999 bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.

De president heeft dit verzoek bij uitspraak van 21 april 1999 afgewezen. Deze zaak is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 99/252 Horec.

Verweerder heeft eisers op 8 april 1999 in de gelegenheid gesteld om hun bezwaarschrift ten overstaan van verweerder mondeling toe te lichten. Van deze gelegenheid hebben eisers en vergunninghouder gebruik gemaakt.

Bij het bestreden besluit van 4 februari 1999 heeft verweerder het bezwaarschrift van eisers ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eisers bij brief van 6 juli 1999 beroep ingesteld, aangevuld bij brief van 13 september 1999.

Op 26 oktober 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 18 april 2001 heeft verweerder een nieuw besluit in geding gebracht van 31 mei 2000. Op grond van het bepaalde in art. 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) acht de rechtbank het beroep tevens gericht tegen het gewijzigde besluit van 31 mei 2000.

Het standpunt van eisers:

De verleende exploitatievergunning wordt ten onrechte op art. 2.3.1.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) gebaseerd, aangezien een coffeeshop geen horecabedrijf in de zin van de APV is. Het door verweerder geformuleerde beleid inzake de vestiging van een coffeeshop is eveneens ten onrechte gebaseerd op art. 2.3.1.1 APV. Voorts staat de Opiumwet verweerder in het geheel geen beleidsruimte toe, maar is slechts sprake van een gedoogruimte. Aangezien gedoogregels inbreuk maken op de wet, dienen zij terughoudend te worden uitgelegd. De straal van 250 meter waarbinnen volgens de beleidsregels niet een school mag zijn gevestigd is een imperatief voorschrift. In het onderhavige geval bevinden zich wel scholen binnen deze straal. Hierbij zijn een tweetal verklaringen van de directies van een tweetal scholen overgelegd. Vrees voor overlast is al voldoende om de vergunning te weigeren, dat hoeft geen ontoelaatbare of excessieve overlast te zijn zoals door verweerder is gesteld. Bij het bepalen of sprake is van overlast is de omgeving mede bepalend. In dit verband is medegedeeld dat de [adres 1] deel uitmaakt van en beschermd stadsgezicht en door de huidige bewoners wordt gecultiveerd en in stand gehouden. Een coffeeshop maakt hierop een grote inbreuk. Overlast valt te verwachten, gelet op de ervaringen met de eerdere door [naam vergunninghouder] geëxploiteerde coffeeshop in de [adres 2] te Sneek. Hierbij is een rapport van recherchebureau Schaaf overgelegd, waarin een aantal verklaringen van omwonenden zijn opgenomen die betrekking hebben op overlast van de coffeeshop aan de [adres 2]. De coffeeshop aan de [adres 1] zal, gelet op de situering, nog meer klanten aantrekken, wat voor nog meer overlast zal zorgen. Voorts heeft verweerder in strijd met de beleidsregels gehandeld, door alvorens vergunning te verlenen, geen locatieonderzoek te houden. Voorts is aangevoerd dat strijd bestaat met art. 2.3.1.2 lid 3 APV, nu verweerder onvoldoende aandacht heeft geschonken aan het karakter van de straat en de wijk en op de aard van het horecabedrijf en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf. In dit verband is aangegeven, dat het gebied van de [adres 1] zich kenmerkt door zakelijkheid, stijl en rust. Daarin past geen coffeeshop. Bovendien kan verwacht worden dat zich een bordeel vestigt in het noord-westelijk gelegen monumentale pand dat onderdeel uitmaakt van het onderhavige perceel.

Daarnaast is de vestiging van een coffeeshop, waarin als hoofdactiviteit softdrugs worden verhandeld en gebruikt, in strijd met het bestemmingsplan. Hoewel een coördinatieregeling ontbreekt had verweerder op grond van het uitgangspunt van de eenheid van het gemeentelijk beleid de exploitatievergunning wegens strijd met het bestemmingsplan behoren te weigeren.

Tot slot is de exploitatievergunning verleend in strijd met art. 3:4 Awb, nu eisers door de verstrekking van deze vergunning onevenredig in hun belangen zijn getroffen, terwijl verweerder heeft nagelaten die onevenredigheid weg te nemen door het vergoeden van de door eisers te lijden schade. Gesteld is dat het pand van [eiser 1] met ongeveer f 45.000,- is gedaald door de komst van de coffeeshop.

Het standpunt van verweerder:

Een coffeeshop is een inrichting in de zin van art 2.3.1.1 van de APV, waarin alcoholvrije dranken voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en waarbij tevens is verklaard dat de verkoop van softdrugs wordt gedoogd. Dat een coffeeshop een horecabedrijf is in de zin van de overlastbepalingen opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening en dat de burgemeester bevoegd is beleid vast te stellen ten aanzien van dit type horecabedrijven is inmiddels vaste jurisprudentie.

Ingevolge art. 2.3.1.2 lid 2 APV kan de burgemeester de gevraagde exploitatievergunning weigeren in de in dit artikel gegeven omstandigheden. De onderhavige beleidsregels geven een invulling van deze omstandigheden. Als de wettelijke bepaling geen imperatieve weigeringsgrond kent, kan dit ook niet in de beleidsregel worden vastgelegd. In beleidsregel 2 is dan ook geen strikte afstandsnorm vastgelegd. Bepalende norm hierbij is de "directe nabijheid" van een school, waarbij 250 meter als uitgangspunt heeft te gelden. In de praktijk is gebleken dat de afstand tussen het pand [adres 1] en een drietal scholen hemelsbreed minder dan 250 meter, maar de loopafstand is wel dusdanig dat het pand niet in de directe nabijheid van deze scholen staat.

Criterium om een exploitatievergunning te kunnen weigeren is op grond van het bepaalde in art. 2.3.1.2 APV of de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Er dient een gefundeerde vrees voor overlast te zijn, waarbij de omgeving mede bepalend is. Een specifieke woonomgeving of winkelstraat acht verweerder ongeschikt voor de vestiging van een coffeeshop, maar daarvan is in de onderhavige situatie geen sprake. De locatie [adres 2] is een andere dan de locatie aan de [adres 1]. Niet gebleken is dat de coffeeshop [naam coffeeshop] aan de [adres 2] een bron van structurele overlast is geweest dan wel dat op voorhand op de [adres 1] reeds overlast plaatsvindt. Daarbij is aangegeven dat de politie bij laatstgenoemde locatie enige malen per week controles uitvoert en dat geen signalen van overlast zijn ontvangen. In de vergunningvoorschriften is opgenomen dat de exploitant verantwoordelijk is voor de rust in de omgeving van het pand. Niet valt in te zien dat de ligging van de coffeeshop aan de [adres 1] meer bezoekers zal aantrekken dan de locatie aan de [adres 2], nu coffeeshops een eigen vast publiek hebben. Mocht in de toekomst blijken van overlast, dan zal handhavend worden opgetreden. Namens eisers is weliswaar gesteld dat voorafgaand aan de komst van de coffeeshop aan de [adres 1] blowende jongeren rond zouden hebben gehangen, maar hiervan is verweerder niets bekend. Wel is via de politie vernomen dat gedurende enige tijd een groep daklozen gebruik heeft gemaakt van de aldaar aanwezige toiletvoorziening. Deze personen hebben niets te maken met de coffeeshop.

Anders dan door eisers is gesteld houdt het locatieonderzoek in dat de aanvraag om een exploitatievergunning zal worden getoetst aan de in beleidsregels genoemde criteria. Bij de beoordeling van een concrete aanvraag moet zorgvuldig worden onderzocht of de locatie voldoet aan de gestelde vestigingscriteria. Onder locatieonderzoek dient niet te worden verstaan dat schriftelijk rapport wordt uitgebracht, inhoudende een inventarisatie van alle mogelijke geschikte panden in de binnenstad.

Art. 2.3.1.2. lid 3 APV is geen zelfstandige weigeringsgrond naast die genoemd in het tweede lid.

Volgens het bestemmingsplan is de onderhavige locatie gelegen in een gemengd gebied en mag daarop één horecadagzaak worden gevestigd. Onder horecadagzaak wordt verstaan: een horecabedrijf dat qua openingstijden vergelijkbaar is met detailhandelsvestigingen, althans geen latere sluitingstijd heeft dan 21.00 uur een dag-café, lunchroom, koffieshop en ijssalon. Nu de coffeeshop dagelijks tot 21.00 uur geopend mag zijn, is sprake van een horecadagzaak en is geen strijd met het bestemmingsplan nu er op het betreffende blok niet reeds een andere horecadagzaak gevestigd is.

De gestelde schade is niet aangetoond met concrete gegevens. Mocht het gedogen toch schade veroorzaken, dan is de vestiging van een verkooppunt van softdrugs een voorzienbare maatschappelijke ontwikkeling.

Het standpunt van de derde-belanghebbende:

De namens eisers overgelegde brieven van directeuren van twee scholen kunnen terzijde worden gelegd, nu zij geen bezwaar hebben gemaakt tegen het primaire besluit. De verklaringen in het rapport van recherchebureau Schaaf zijn slordig: de verklaringen zijn niet ondertekend, er zijn geen geluidsopnamen gemaakt en er wordt niet letterlijk geciteerd. De verklaringen van wijkagent Brouwer en van de heer Zeilstra van de gemeente Sneek laten een ander beeld zien.

De straal van 250 meter is uitgangspunt. Binnen deze straal liggen hooguit twee scholen. Het gaat voornamelijk om basisscholen waarop leerlingen tot 13 jaar zitten. Deze worden beschermd, in die zin, dat niet aan minderjarigen mag worden verstrekt. Er is geen strijd met het bestemmingsplan. Voor het hoge deel van het pand [adres 1] zijn nog geen concrete plannen. De huidige eigenaar van het pand wil hierin geen bordeel vestigen. Boven de coffeeshop zal gewoond worden. De verloedering van het pand aan de [adres 2] is uitsluitend te wijten aan het weigerachtige gedrag van de verhuurder de heer [naam verhuurder]. Er zijn geen klachten bij de politie, dreiging en agressie worden ontkend. In de coffeeshop wordt niet verkocht aan minderjarigen. Er is politietoezicht, terwijl regelmatig overleg plaatsvindt tussen vergunninghouder en de politie. De jurisprudentie waar eisers zich op beroepen kan in het onderhavige geval geen toepassing vinden. Er is geen sprake van strijd met art. 3:4 Awb. Nadeel is niet aangetoond. Sinds jaar en dag hangen toeristen en jongeren rond rondom de Waterpoort, het toiletgebouw en de daarbij behorende bankjes. Dit wordt niet anders als de coffeeshop daar gevestigd zal zijn. Vergunninghouder is belast met het tegengaan van overlast rondom zijn bedrijf, terwijl de politie verscherpte controle heeft toegezegd.

In dit geding dient beoordeeld te worden of verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen om op de onderhavige locatie vergunning te verlenen voor een horecadagzaak, waarbij wordt gedoogd dat soft-drugs worden verkocht. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Bij brief van 18 april 2001 heeft verweerder een nieuw besluit in geding gebracht. De rechtbank leest dit besluit aldus, dat daarmee het besluit van 25 mei 1999 is ingetrokken en vervangen door het gewijzigde besluit van 31 mei 2000. Nu niet is gebleken van enig belang van eiseres bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 25 mei 1999, zal de rechtbank het beroep tegen laatstgenoemd besluit niet-ontvankelijk verklaren.

Anders dan namens vergunninghouder is betoogd, ziet de rechtbank geen aanleiding om eiser [naam eiser 2] in het beroep tegen het besluit van 18 april 2001 niet-ontvankelijk te verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank valt thans niet geheel uit te sluiten dat [eiser 2] nog enig (financieel) belang heeft bij een uitspraak in dit geding.

Voorts wordt het volgende overwogen.

In art. 2.3.1.1. lid 1 APV is bepaald dat onder horecabedrijf in deze paragraaf wordt verstaan: hotels, restaurants, pensions, café's, cafetaria's, snackbars, discotheken en aanverwante inrichtingen waar logies wordt verstrekt, tegen vergoeding dranken worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie worden bereid en/of verstrekt.

In art. 2.3.1.2 lid 1 APV is bepaald dat het verboden is een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

In lid 2 van dit artikel is bepaald dat de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk kan weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.

In lid 3 van dit artikel is bepaald dat bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond de burgemeester rekening houdt met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf.

Voorts heeft de burgemeester van Sneek op 9 februari 1998 beleidsregels inzake de vestiging van een koffieshop en handhaving van het (soft)drugsbeleid vastgesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in zijn APV een algemeen vergunningenstelsel opgenomen voor horecabedrijven. Er is geen vergunningenstelsel in het leven geroepen voor coffeeshops. Indien dit laatste wel het geval zou zijn, zou strijd zijn met de Opiumwet en zou de desbetreffende bepaling alsdan onverbindend zijn.

Vervolgens heeft verweerder als uitwerking van de APV specifiek beleid gemaakt voor koffieshops. Een dergelijke handelwijze is volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet ontoelaatbaar.

De onderhavige vergunningaanvraag strekt tot het mogen exploiteren van een inrichting waar bedrijfsmatig niet-alcoholhoudende dranken worden verstrekt. Daarbij is aangegeven dat het een koffieshop betreft. In deze koffieshop worden soft-drugs verkocht.

Nu het verstrekken van alcoholvrije dranken en het verkopen van soft-drugs met elkaar verweven zijn en in dezelfde ruimte plaatsvinden, dient de inrichting in haar geheel naar het oordeel van de rechtbank als een horecabedrijf zoals bedoeld in art. 2.3.1.1. lid 1 APV te worden aangemerkt. Daarbij merkt de rechtbank op, dat blijkens de inhoud van de beleidsregels en de toelichting daarop, voor de onderhavige beoordeling een "koffieshop" gelijk gesteld dient te worden met een "coffeeshop".

Vervolgens dient te worden beoordeeld of verweerder in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot het verlenen van een horecavergunning.

Met betrekking tot de door eisers gestelde overlast wordt het volgende overwogen. Blijkens het bepaalde in art. 2.3.1.2. lid 2 APV is daarbij criterium of moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. In het derde lid van dit artikel is voorts aangegeven waarmee daarbij rekening dient te worden gehouden. De beleidsregels geven een nadere uitwerking van het bepaalde in laatstgenoemde artikelen van de APV.

De rechtbank acht deze beleidsregels niet onredelijk.

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat sprake is van overlast zoals bedoeld in de APV. Daartoe wordt het volgende overwogen.

De rechtbank acht een (enkele) vergelijking met de locatie aan de [adres 2] niet in de rede liggen, aangezien de omgevingsfactoren verschillend zijn. Daarbij wijst de rechtbank er voorts op, dat niet gezegd kan worden dat de klachten die betrekking hadden op de locatie [adres 2] -blijkens de op schrift gestelde verklaringen van de wijkagenten Brouwer en Zeilstra- uitsluitend veroorzaakt zijn door coffeeshop [naam coffeeshop], maar veeleer hebben samengehangen met bezoekers van andere horecagelegenheden in dit gebied.

Voorts heeft verweerder daarbij het bepaalde in art. 2.3.1.2. lid 3 APV bij zijn afweging betrokken, door mee te wegen dat de [adres 1] geen specifieke woonomgeving of winkelstraat is, in welke laatste gevallen de vergunning geweigerd zou zijn. Ten aanzien van dit punt heeft de rechtbank noch feitelijk, noch voor wat betreft de in het geldende bestemmingsplan neergelegde bestemming van het gebied -gemengde doeleinden- aanleiding gezien te veronderstellen dat dit anders zou zijn. Verweerder heeft daarbij voorts betrokken hetgeen in beleidsregel 2b tot en met f is opgenomen. Niet is gebleken dat verweerder daarbij onzorgvuldig te werk is gegaan.

Voorts acht de rechtbank het door recherchebureau Schaaf opgestelde rapport onvoldoende, aangezien dit rapport geen ondertekende verklaringen bevat, maar slechts een (eigen) weergave van de met omwonenden gevoerde gesprekken.

Voorts acht de rechtbank de stelling namens eisers onvoldoende onderbouwd dat de coffeeshop aan de [adres 1] meer bezoekers zal trekken dan het pand aan de [adres 2] en dat daardoor de overlast zal toenemen. Ter zitting heeft Brouwer, wijkagent te Sneek aangegeven dat er inderdaad meer jongeren zijn gekomen rondom de locatie aan de [adres 1], maar dat dit niet heeft geleid tot meer overlast. In dit verband is verklaard dat dagelijks wordt gesurveilleerd en dat één keer per week wordt gecontroleerd of de coffeeshop de voorschriften goed naleeft.

Ten aanzien van de twee verklaringen van directeuren van scholen die namens eisers zijn overgelegd, is de rechtbank van oordeel -nu deze verklaringen in zijn algemeenheid aangeven dat men tegen het verhandelen van drugs en het vestigen van een coffeeshop is- dat daarmee niet met concrete feiten is onderbouwd dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

Ter zitting heeft eiser [eiser 1] ten aanzien van het punt van overlast aangegeven, dat hij na de komst van de coffeeshop last heeft van vernielingen en dat jeugd in groepjes van 5 à 10 personen in de nabijheid van zijn pand rond hangt of in de vensterbanken van zijn pand zit. Daarbij heeft [eiser 1] voorts aangegeven dat hij heeft geconstateerd dat een aantal van deze jongeren buiten het gebied waar camera's van de coffeeshop op gericht zijn, wachten op derden die drugs leveren. Voorts is aangegeven dat de politie surveilleert op momenten dat er nog geen klanten zijn bij de coffeeshop. [eiser 1] doet geen aangifte meer, want de politie onderneemt geen actie. Als de jongeren worden aangesproken, verwijderen zij zich.

Daartegenover heeft Brouwer medegedeeld dat er dagelijks wordt gesurveilleerd, maar niet op vaste tijden. Aangegeven is dat Brouwer de jongeren wel aanspreekt, maar dat hij ze niet kan wegsturen als ze niets doen. Er is weinig overlast. Namens vergunninghouder zijn verklaringen van mevrouw [omwonende 1] en de heer [omwonende 2], alsmede van de heer en mevrouw [omwonenden 3] -die beiden woonachtig zijn in de directe nabijheid van de coffeeshop- overgelegd, waarin is medegedeeld dat geen overlast wordt ondervonden van de coffeeshop.

Naar het oordeel van de rechtbank kan onder genoemde omstandigheden niet voldoende aannemelijk worden geacht dat zich een situatie zoals bedoeld in art. 2.3.1.2 leden 2 en 3 APV voordoet en het daarop gebaseerde beleid.

Ook overigens is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van concrete feiten en/of omstandigheden op grond waarvan geoordeeld dient te worden dat er sprake is van zodanige overlast op de locatie [adres 1], dat op grond daarvan verweerder in redelijkheid niet had kunnen besluiten de horecavergunning af te geven.

Ten aanzien van de grief dat binnen een straal van 250 meter een aantal scholen gelegen zijn en dat daarom wegens strijd met het beleid de vergunning niet had mogen worden afgegeven, wordt het volgende overwogen. Naar het oordeel van de rechtbank laten bedoelde beleidsregels, gelet op de tekst, ruimte voor afwijking nu aangegeven is dat een straal van 250 meter uitgangspunt is en een afwijking derhalve mogelijk geacht moet worden. Daarbij wordt voorts overwogen, dat een uitleg zoals namens eisers wordt voorgestaan, niet past bij het karakter van beleidsregels, waarbij immers een inherente afwijkingsmogelijkheid behoort.

Met betrekking tot de stelling dat geen locatieonderzoek heeft plaatsgevonden zoals aangegeven in de toelichting op verweerders beleidsregels, wordt het volgende overwogen.

Verweerder heeft aangegeven dat onderzocht is in welke omgevingen een coffeeshop ongewenst zou zijn. Als uitvloeisel van dit onderzoek zijn de beleidsregels 2b tot en met 2f vastgesteld, waarin vestigingscriteria zijn opgenomen. Verweerder heeft blijkens de gedingstukken de locatie aan de [adres 1] op zijn eigen merites getoetst aan deze beleidsregels.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verweerder aldus in strijd heeft gehandeld met zijn beleid. Voorts is niet gebleken dat de door verweerder uitgevoerde toets niet zorgvuldig zou zijn geschied.

Voor zover namens eisers is betoogd dat strijd bestaat met het bestemmingsplan, overweegt de rechtbank dat mogelijke strijd met het bestemmingsplan bij de beoordeling van het onderhavige geschil geen rol speelt, aangezien in de APV geen zogeheten koppelingsbepaling is opgenomen, inhoudende dat indien er strijd is met het bestemmingsplan de vergunning kan worden geweigerd. Nu een dergelijke koppelingsbepaling ontbreekt, kan hieraan in het kader van de onderhavige vergunning geen weigeringsgrond worden ontleend.

Ten aanzien van de stelling namens eisers dat het bestreden besluit is genomen wegens strijd met art. 3:4 Awb wordt het volgende overwogen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet voldoende aangetoond dat sprake is van onevenredige schade door eisers geleden. Namens [eiser 1] is een brief overgelegd van L.D. Faber Makelaardij Sneek B.V. van 10 september 1999. Uit hetgeen namens vergunninghouder is gesteld en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is gebleken dat het betreffende pand niet in eigendom is van [eiser 1], maar van zijn echtgenote met wie hij buiten iedere gemeenschap van goederen is gehuwd. Nu [eiser 1] geen eigenaar is van het pand en zijn echtgenote niet in deze procedure is betrokken, vermag de rechtbank niet in te zien dat [eiser 1] schade zou leiden. Daarbij is de rechtbank voorts van oordeel dat de claim op zich onvoldoende is onderbouwd.

Ten aanzien van de andere eisers is thans evenmin voldoende onderbouwd aangegeven waaruit de schade bestaat, terwijl anderzijds niet is gebleken dat eisers zich onderscheiden van andere in het centrum van Sneek gevestigde bewoners en ondernemers.

Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten de onderhavige vergunning te verlenen. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het besluit van 4 februari 1999;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 31 mei 2000 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E.M. Visser, rechter, en door haar in het openbaar uitgesproken

op 29 mei 2001 in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong als griffier.

w.g. J. de Jong

w.g. E.M. Visser

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op:29 mei 2001