Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2001:AB2062

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
12-06-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
17/075382-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Leeuwarden

Sector strafrecht

VERKORT VONNIS

Uitspraak: 12 juni 2001

Parketnummer: 17/075382-00

VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte:

[verdachte],

volgens eigen opgave geboren op [..] 1985 te [geboorteplaats en -land],

wonende te [adres],

verblijvende in PI Over-Amstel, HvB Het Veer (afd. FOBA) te Amsterdam.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 25 januari 2001, 19 april 2001 en 29 mei 2001.

De verdachte is ter terechtzitting van 29 mei 2001 verschenen, bijgestaan door mr. O.A. van Oorschot, advocaat te Leeuwarden.

TELASTELEGGING

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht het primair telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 24 juli 2000 te Damwoude, gemeente Dantumadeel, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met een mes meermalen in de nek en rug en armen gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

KWALIFICATIE

Het bewezene levert op het misdrijf:

primair: Moord.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

STRAFMOTIVERING

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, de psychiatrische- en psychologische rapportages en de brieven van de Raad voor de Kinderbescherming;

- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte terzake het primair telastegelegde tot -met toepassing van het meerderjarigenrecht- negen jaar gevangenisstraf.

Verdachte, een uit Togo afkomstige asielzoeker, heeft een 17-jarige huisgenoot vermoord. Daarbij is hij zeer gewelddadig te werk gegaan door zijn slachtoffer veelvuldig met een mes te steken. Niet gebleken is dat het slachtoffer aanleiding heeft gegeven voor enige gewelddadigheid in zijn richting. Door het leven van een medemens aldus te beëindigen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een van de ernstigste delicten uit het Wetboek van Strafrecht.

In het rapport dat het Pieter Baan Centrum omtrent verdachte heeft uitgebracht wordt verdachte omschreven als een getraumatiseerde, licht zwakzinnige (debiele) man die na relatief geringe stress, bij gebrek aan innerlijke draagkracht en copingmechanismen, psychisch ernstig kan ontregelen in een reactieve psychose met angst, agitatie, verwarring en mogelijk ook agressie. Gelet op die pathologie wordt geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het feit lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens dat het feit hem slechts in sterk verminderde mate kan worden toegerekend. Die conclusie wordt in die zin genuanceerd dat overwogen wordt dat als er meer bekend geweest zou zijn over verdachtes overwegingen en motieven ten tijde van het feit en de condities van het onderzoek minder beperkt waren geweest (genoemd worden: taalbarrière, verstandelijke ontwikkeling van verdachte, culturele achtergrond en het gebrek aan betrouwbare referenten) dan de conclusie wellicht volledig ontoerekeningsvatbaar zou zijn geweest. Het gevaar voor herhaling van soortgelijke feiten wordt groot geschat. Daarom wordt een langdurige opname van verdachte in een beschermende en beveiligende structuur noodzakelijk geacht. De rechtbank kan zich vinden in genoemde conclusies en het advies van het Pieter Baan Centrum.

Namens verdachte heeft zijn raadsman op de voet van het bepaalde in artikel 77c Wetboek van Strafrecht verzocht dat recht wordt gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg Wetboek van Strafrecht. De rechtbank wijst dat verzoek af. Nog daargelaten de vraag of verdachte jonger is dan 21 jaar, waaromtrent geen uitsluitsel bestaat, is de rechtbank van oordeel dat artikel 77c buiten toepassing moet blijven, aangezien de persoon van verdachte, noch de omstandigheden waaronder het feit is begaan aanleiding geeft tot het tegendeel. Uit de rapportage en de behandeling ter terechtzitting is weliswaar gebleken dat het bewezenverklaarde feit niet los kan worden gezien van verdachtes verstandelijke beperkingen, echter niet dat die beperkingen verband zouden houden met jeugdigheid aan de zijde van de verdachte.

Nu er niet van kan worden uitgegaan dat verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar was, is een gevangenisstraf op zijn plaats. De duur daarvan wordt beperkt door de geringe mate waarin verdachte het feit kan worden toegerekend. In de eis wordt dat aspect onvoldoende onderkend.

Daarnaast acht de rechtbank het geïndiceerd dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege nu, blijkens de rapportage, de algemene veiligheid van personen dat dringend eist. Door de officier van justitie is gesteld dat verdachte zo spoedig mogelijk zal worden uitgezet en dat daarom geen terbeschikkingstelling zou moeten worden opgelegd. De rechtbank verwerpt die zienswijze, reeds omdat de uitkomst van de procedure tot uitzetting onzeker is en het de rechtbank zeer onwenselijk voorkomt dat deze verdachte spoedig vrij zou komen, terwijl de gevaarzetting onverminderd aanwezig zou zijn.

TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 37a, 37b en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT

RECHTDOENDE:

Verklaart het primair telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Duinkerken, voorzitter, mr. J.Y.B. Jansen en mr. A.A. Lycklama à Nijeholt, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 juni 2001.

Mr. Lycklama à Nijeholt is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.