Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2001:AB1935

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
16-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
40265 / HA ZA 00-409
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvI 2001, p. 164 met annotatie van F. Gill
V-N 2001/38.32 met annotatie van Redactie
FutD 2001-1123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Leeuwarden

Sector handelsrecht

Uitspraak: 16 mei 2001

Zaak-/Rolnummer: 40265 / HA ZA 00-409

VONNIS

van de enkelvoudige handelskamer in de zaak van:

mr. Gerrit MACHIELS (in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [de failliet]),

wonende te Leek, kantoorhoudende te Drachten,

eiser,

procureur: mr. G. Machiels,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

procureur: mr. V.M.J. Both,

advocaat: mr. H.M. ten Haaft te Den Haag.

PROCESGANG

De zaak is bij dagvaarding van 11 juni 1997 aanhangig gemaakt. Partijen zijn verschenen. In de procedure zijn de volgende processtukken gewisseld:

* conclusie van eis van de zijde van eiser (in het vervolg: de curator);

* conclusie van antwoord van de zijde van gedaagde (verder: de staat);

* conclusie van repliek van de zijde van de curator;

* conclusie van dupliek van de zijde van de staat.

De staat heeft producties overgelegd. Ten slotte is door partijen vonnis gevraagd. De rechtbank wijst vonnis op het griffiedossier, waarvan de inhoud als hier herhaald moet gelden.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. De vordering

De vordering van de curator strekt er toe dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: de staat veroordeelt tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van de staat in de kosten van het geding.

De staat heeft tegen de vordering verweer gevoerd met conclusie dat de curator niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering, danwel dat de vordering wordt afgewezen, met veroordeling van de curator in de kosten van het geding.

2. Vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en niet of onvoldoende betwist, alsmede op grond van de niet-betwiste inhoud van de overgelegde producties onder meer het volgende vast:

2.1 De inspecteur van de Belastingdienst Ondernemingen te Leeuwarden (verder: de belastingdienst) heeft in december 1991 en juni 1992 [de failliet] (navorderings)aanslagen opgelegd.

2.2 De ontvanger van de belastingdienst heeft op 15 juni 1992 voor een bedrag van ƒ 397.133,00 beslag gelegd op roerende en onroerende zaken van [de failliet]. Tevens is derdenbeslag gelegd onder een drietal banken. Deze beslaglegging is gebaseerd op de artikelen 10 en 15 van de Invorderingswet 1990.

2.3 Op 23 juli 1992 is op zijn eigen verzoek het faillissement van [de failliet] uitgesproken, met benoeming van mr. Machiels tot curator.

2.4 Naar aanleiding van een beslissing van het gerechtshof te Leeuwarden heeft de inspecteur de aanslagen verminderd tot een bedrag van -per saldo- ƒ 77.061,00.

Beoordeling van het geschil

3. De curator stelt zich op het standpunt dat de staat onrechtmatig heeft gehandeld door beslag te leggen voor een veel groter bedrag dan achteraf gezien gerechtvaardigd was. Door deze beslaglegging was [de failliet] niet meer in staat om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen en was hij gedwongen om zijn faillissement aan te vragen.

De staat heeft zich allereerst tegen de vordering verweerd door te stellen dat de curator niet de staat, maar de ontvanger had moeten dagvaarden. De staat heeft hierbij gewezen op het bepaalde in art. 3 lid 3 Invorderingswet 1990. Volgens de curator kan de ontvanger echter niet gedagvaard worden omdat deze als zodanig geen eigen rechtspersoonlijkheid heeft.

4. In art. 3 lid 3 Invorderingswet 1990 is bepaald dat in alle rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening van zijn taak de ontvanger als zodanig in rechte optreedt. Uit de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II, 1987-1988, 20 588, nr. 3, p. 31) blijkt dat deze bepaling is bedoeld om ondubbelzinnig te laten uitkomen dat de Ontvanger in de uitoefening van zijn taak in rechte kan optreden en kan worden gedagvaard. In geschillen waarbij de Ontvanger is betrokken zouden, bij gebreke aan zulk een bepaling, problemen kunnen rijzen omtrent de vraag wie moet worden gedagvaard: de Staat of de Ontvanger.

Tussen partijen is niet in geschil dat de beslaglegging door de ontvanger heeft plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van zijn taak. Dit brengt mee dat de ontvanger door de curator kon worden gedagvaard, niettegenstaande de omstandigheid dat de ontvanger geen rechtspersoonlijkheid bezit. Uit het bepaalde in art. 3 lid 3 Invorderingswet alsmede de parlementaire geschiedenis vloeit naar het oordeel van de rechtbank tevens voort dat uitsluitend de ontvanger kan worden gedagvaard. Weliswaar maakt de ontvanger deel uit van de rijksdienst, maar hij beschikt op grond van art. 3 lid 3 Invorderingswet 1990 over een zelfstandige procesbevoegdheid. Er is derhalve geen sprake van een keuzemogelijkheid, in die zin dat naast of in plaats van de ontvanger (ook) de staat zou kunnen worden gedagvaard.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het verweer van de staat doel treft, zodat de curator in zijn vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

5. De curator zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld.

BESLISSING

De rechtbank

verklaart de curator in zijn vordering jegens de staat niet-ontvankelijk;

veroordeelt de curator in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de staat begroot op ƒ 400,00 aan verschotten en ƒ 1.720,00 aan salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. C.M. Telman en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 16 mei 2001.

fn 85