Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2001:AB1801

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
17-05-2001
Datum publicatie
12-12-2001
Zaaknummer
01/380 HUISV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ambtshalve inschrijving in leegstandsregister is een op rechtsgevolg gericht besluit als bedoeld in art. 1:3 Awb.

Afwijzing van verzoek om huisvestingsvergunning. Mededeling in bestreden besluit, dat de woonruimte ambtshalve in het leegstandsregister is ingeschreven.

President: Het bestreden besluit, te weten de mededeling op grond van art. 2.7.2 lid 3 verordening dat de woning ambtshalve door verweerder in het leegstandsregister is ingeschreven, dient als een op rechtsgevolg gericht besluit in de zin van art. 1:3 Awb te worden beschouwd zodat daartegen bezwaar openstond. Bestuursbeslissingen, die een tussenschakel vormen in een proces dat uiteindelijk tot een besluit leidt, kunnen als (zelfstandige) rechtshandeling worden aangemerkt indien zij procedureel of inhoudelijk bepalend kunnen zijn voor de uiteindelijke besluitvorming. Dat is bijvoorbeeld het geval als de beslissing fungeert als een noodzakelijke tussenschakel tot het uiteindelijke bestuursbesluit. Daarbij geldt wel als randvoorwaarde dat de betreffende beslissing niet meer effectief in de procedure aangaande de eindbeslissing aan de orde kan worden gesteld.

Niet relevant in dat verband is of de tussenbeslissing zelf op rechtsgevolg is gericht. Volgens verweerder kan de ambtshalve inschrijving in de voordracht- en vorderingsprocedure alsnog aan de orde komen. De President heeft voor deze opvatting echter geen steun kunnen vinden in de Huisvestingswet dan wel de verordening, aangezien op geen enkele wijze blijkt dat in de genoemde procedure alsnog de ambtshalve inschrijving in het leegstandsregister ter discussie kan worden gesteld en het derhalve nog maar de vraag is of er nog teruggekomen kan worden op deze inschrijving. Daarnaast oordeelt de President dat de inschrijving in het leegstandsregister gericht is op rechtsgevolg, daar ten gevolge van deze inschrijving conform art. 2.7.3 verordening een voordracht tot verhuring van de woonruimte door verweerder kan worden uitgebracht en vervolgens de woonruimte conform art. 2.7.4 in samenhang met het Besluit aanbieding woonruimte van 20 juni 1994 kan worden aangeboden aan woningzoekenden.

Het college van burgemeester en wethouders van Terschelling, verweerder.

mr. D.J. Keur (president)

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Huisvestingswet 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN

Sector Bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 01/380 HUISV

Inzake het geding tussen

[naam verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. W.E.M. Klostermann, advocaat te Zwolle,

en

het college van burgemeester en wethouders van Terschelling, verweerder,

gemachtigden: mr. G. Martens en M.A. Dekker, medewerkers van verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 24 april 2001 heeft verweerder verzoeker in kennis gesteld van zijn besluit betreffende de Huisvestingswet en de Huisvestingsverordening 1994 van de gemeente Terschelling (hierna: de verordening).

Verzoeker heeft tegen dit besluit op 25 april 2001 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoeker zich bij brief van 25 april 2001 tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek om ingevolge het bepaalde in art. 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorlopige voorzieningen te treffen, in die zin dat verweerder wordt gelast de door verzoeker in een eerder stadium gevraagde informatie binnen één week aan verzoeker ter hand te stellen en het bestreden besluit te schorsen.

Verweerder heeft de op het verzoek betrekking hebbende stukken ingezonden.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 14 mei 2001. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn bovengenoemde gemachtigden verschenen.

Motivering

Art. 8:81 Awb bepaalt, dat de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de president in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De president baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

De feiten

Op 30 augustus 2000 heeft verzoeker zich tot verweerder gewend met het verzoek om aan hem en zijn echtgenote een huisvestingsvergunning te verlenen voor de voormalige beheerderswoning aan de [straatnaam + huisnummer + woonplaats], Terschelling. Verzoeker en zijn echtgenote hebben de koopovereenkomst van deze woning getekend op 24 augustus 2000 en de overdracht heeft plaatsgevonden in januari 2001.

Bij brief van 19 oktober 2000 heeft verweerder verzoeker bericht dat geen huisvestingsvergunning aan verzoeker kan worden afgegeven en dat de woning derhalve beschikbaar is voor gebruik, hetgeen betekent dat verzoeker hiervan onverwijld mededeling moet doen aan verweerder.

Bij brief van 10 november 2000 hebben verzoeker en zijn echtgenote zich opnieuw tot verweerder gewend met het verzoek om hen een huisvestingsvergunning te verstrekken. Bij deze brief is een door verzoeker ondertekend aanvraagformulier voor een huisvestingsvergunning gevoegd.

Bij besluit van 7 maart 2001 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker afgewezen, aangezien hij niet valt onder de categorie van woningzoekenden waarvan redelijkerwijs niet of niet meer verwacht kan worden dat zij door het duurzaam verrichten van arbeid in hun bestaan voorzien en derhalve in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning. Verweerder heeft hierbij overwogen dat verzoeker de pensioengerechtigde leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt en geen bewijs van pensionering kan overleggen. Voorts meent verweerder dat verzoeker nog niet het bewijs heeft geleverd dat hij zijn bedrijf heeft beëindigd Nu verzoeker niet kan aantonen vroeggepensioneerd te zijn, kan van verzoeker redelijkerwijs verwacht worden dat hij door het duurzaam verrichten van arbeid in zijn bestaan voorziet.

Verder heeft verweerder verzoeker, conform de brief van 19 oktober 2000, gewezen op de meldingsplicht. Indien verzoeker niet binnen één week na verzending van de onderhavige brief reageert op de meldingsplicht, zal verweerder de woonruimte ambtshalve in het leegstandsregister opnemen.

Op 27 maart 2001 heeft verzoeker bij verweerder een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 7 maart 2001.

Bij brief van 30 maart 2001 heeft verzoeker verweerder verzocht nadere informatie toe te zenden, welk verzoek bij brief van 3 april 2001 onder meer is herhaald.

Bij brief van eveneens 3 april 2001 heeft de echtgenote van verzoeker ook een aanvraag voor een huisvestingsvergunning met betrekking tot de hierboven vermelde woning bij verweerder ingediend.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld dat de woonruimte ambtshalve in het leegstandsregister is ingeschreven, aangezien verzoeker niet heeft voldaan aan de meldingsplicht. Verder heeft verweerder te kennen gegeven een voordracht tot verhuring voor te bereiden. Verzoeker wordt in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze te geven op de ten behoeve van de verhuring opgestelde advertentietekst en op de vastgestelde huurprijs.

Tegen de fictieve weigering van verweerder om tegemoet te komen aan de verzoeken zoals neergelegd in de brieven van verzoeker van 30 maart en 3 april 2001 en het kennelijke besluit van verweerder om de woonruimte in te schrijven in het leegstandsregister heeft verzoeker een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Tevens heeft verzoeker zich tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek om voorlopige voorzieningen te treffen.

Bij brief van 1 mei 2001 is door verweerder tegemoetgekomen aan de verzoeken zoals neergelegd in de brieven van 30 maart en 3 april 2001, waardoor een inhoudelijke beoordeling van de fictieve weigering van verweerder om informatie te verstrekken niet meer aan de orde is.

Het standpunt van verzoeker

Volgens verzoeker is het niet zorgvuldig om hangende de bezwaarschriftprocedure tegen de weigering van de huisvestingsvergunning tot inschrijving in het leegstandsregister over te gaan, daar er niets aan vergunningverlening in de weg staat en het derhalve aannemelijk is dat het bezwaar gegrond verklaard wordt. Hierbij wordt tevens opgemerkt dat de vergunning is aangevraagd door verzoeker en diens echtgenote tezamen.

Daarnaast acht verzoeker het onzorgvuldig om de woning als leegstaand in te schrijven voordat de aanvraag voor een huisvestingsvergunning van de echtgenote van verzoeker voor de onderhavige woning is afgehandeld.

Ten slotte is naar voren gebracht dat verzoeker de woning als recreatiewoning wil gebruiken, hetgeen decennia lang reeds is gebeurd en ingevolge het overgangsrecht ook mogelijk is, totdat permanente bewoning ter plaatse aan de orde is. Het staat verweerder derhalve niet vrij om te trachten de woning aan derden te gaan verhuren.

Het standpunt van verweerder

Namens verweerder is -zakelijk samengevat- ter zitting in de eerste plaats naar voren gebracht dat het bestreden besluit geen voor bezwaar of beroep vatbaar besluit is, zoals bedoeld in art. 1:3 Awb. Volgens verweerder is de inschrijving in het leegstandsregister uitvoerend van aard en dient deze inschrijving uitsluitend ter voorbereiding en aankondiging van een andere procedure, namelijk de voordracht- of vorderingsprocedure. De bezwaren van verzoeker zijn gericht op een feitelijke handeling en verzoeker is derhalve niet-ontvankelijk.

Verder brengt verweerder naar voren dat op goede gronden een huisvestingsvergunning aan verzoeker is geweigerd, aangezien hij als aanvrager niet maatschappelijk of economisch gebonden is aan de gemeente Terschelling, dan wel behoort tot de categorie personen waarvan redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat zij door het duurzaam verrichten van arbeid in hun bestaan voorzien, zoals onder meer gepensioneerden. Dientengevolge rust op verzoeker de rechtsplicht tot onverwijlde terbeschikkingstelling en melding van de woonruimte bij verweerder.

De beoordeling van het geschil

Ten tijde van de aanvraag van verzoeker voor een huisvestingsvergunning was de Huisvestingsverordening 1994 van de gemeente Terschelling, vastgesteld op 20 juni 1994 en gepubliceerd op 23 juni 1994, van toepassing. In het onderstaande wordt dan ook uitgegaan van de toepasselijkheid van deze verordening.

De president stelt in de eerste plaats vast dat het bestreden besluit, te weten de mededeling op grond van art. 2.7.2 lid 3 verordening dat de woning ambtshalve door verweerder in het leegstandsregister is ingeschreven, als een op rechtsgevolg gericht besluit in de zin van art. 1:3 Awb dient te worden beschouwd zodat daartegen bezwaar openstond. Hierbij overweegt de president dat bestuursbeslissingen, die een tussenschakel vormen in een proces dat uiteindelijk tot een besluit leidt, als (zelfstandige) rechtshandeling kunnen worden aangemerkt indien zij procedureel of inhoudelijk bepalend kunnen zijn voor de uiteindelijke besluitvorming. Dat is bijvoorbeeld het geval als de beslissing fungeert als een noodzakelijke tussenschakel tot het uiteindelijke bestuursbesluit. Daarbij geldt wel als randvoorwaarde dat de betreffende beslissing niet meer effectief in de procedure aangaande de eindbeslissing aan de orde kan worden gesteld. Niet relevant in dat verband is of de tussenbeslissing zelf op rechtsgevolg is gericht.

Verweerder heeft in dit kader ter zitting aangegeven dat verzoeker door het ambtshalve inschrijven in het leegstandsregister niet rechtstreeks in zijn belang is getroffen, daar deze inschrijving in de voordracht- en vorderingsprocedure alsnog aan de orde kan komen. De president heeft voor deze opvatting echter geen steun kunnen vinden in de Huisvestingswet dan wel de verordening, aangezien op geen enkele wijze blijkt dat in de door verweerder genoemde procedure alsnog de ambtshalve inschrijving in het leegstandsregister ter discussie kan worden gesteld en het derhalve nog maar de vraag is of er nog teruggekomen kan worden op deze inschrijving.

Daarnaast oordeelt de president dat de inschrijving in het leegstandsregister gericht is op rechtsgevolg, daar ten gevolge van deze inschrijving conform art. 2.7.3 verordening een voordracht tot verhuring van de woonruimte door verweerder kan worden uitgebracht en vervolgens de woonruimte conform art. 2.7.4 in samenhang met het Besluit aanbieding woonruimte van 20 juni 1994 kan worden aangeboden aan woningzoekenden.

Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening.

Nu verzoeker de desbetreffende woning heeft gekocht met het oog op de permanente bewoning daarvan en deze woning onder het werkingsgebied van de verordening valt, zoals omschreven in de artikelen 2.1.1 en 2.1.2, kan er voor de beoordeling van dit geschil van worden uitgegaan dat de verordening van toepassing is.

Bij de beantwoording van de vraag of verweerder terecht toepassing heeft gegeven aan art. 2.7.2 lid 3 verordening overweegt de president het volgende.

Naar het voorlopig oordeel van de president brengt de systematiek van de verordening, mede bezien in het licht van art. 18 Huisvestingswet mee dat indien een woningzoekende in aanmerking kan komen voor een huisvestingsvergunning voor een bepaalde woning, deze woning niet ter beschikking komt als bedoeld in art. 2.7.1 verordening en bijgevolg ook niet in aanmerking kan komen voor opneming in het leegstandsregister, zoals bedoeld in art. 2.7.2 verordening.

Het standpunt van verweerder dat aan verzoeker geen huisvestingsvergunning kan worden verleend, aangezien hij niet voldoet aan de eisen van art. 2.4.2 verordening, komt de president voorshands niet juist voor. Immers, volgens art. 2.4.2 lid 1 verordening gaat het er niet om dat de aanvrager moet voldoen aan één van de in die bepaling genoemde eisen, maar dat één der volwassen leden van het huishouden daaraan voldoet. Nu door verweerder niet is betwist dat de echtgenote van verzoeker volledig arbeidsongeschikt is, kan, behoudens contra-indicaties waarvan in deze procedure niet is gebleken, worden aangenomen dat de echtgenote van verzoeker voldoet aan de eis van het volgens art. 2.4.2 lid 1 verordening toepasselijke art. 5 lid 1 sub a Huisvestingsbesluit. Hierin wordt bepaald dat geen onderscheid naar economische of maatschappelijke binding wordt gemaakt ten aanzien van woningzoekenden waarvan redelijkerwijs niet of niet meer kan worden verwacht dat zij door het duurzaam verrichten van arbeid in hun bestaan voorzien. Daarbij komt dat het blijkens de briefwisseling tussen partijen van meet af aan voor verweerder duidelijk moet zijn geweest dat verzoeker zich met zijn echtgenote op Terschelling wil vestigen.

Op grond van het voorgaande ontbeert, naar het voorlopig oordeel van de president, het besluit van verweerder om aan verzoeker een huisvestingsvergunning te weigeren een deugdelijke motivering, zodat dit in bezwaar geen stand zal kunnen houden. Op grond hiervan is de president van oordeel dat het bestreden besluit in bezwaar evenmin stand zal kunnen houden, nu het ervoor moet worden gehouden dat verweerder ambtshalve een woning in het leegstandsregister heeft doen opnemen die daarvoor op grond van de verordening niet in aanmerking komt.

Het voorgaande brengt mee dat het verzoek om een voorlopige voorziening voor toewijzing in aanmerking komt. De president zal het bestreden besluit dan ook schorsen tot twee weken nadat de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, met dien verstande dat wanneer door verzoeker binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt gedaan, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:82 Awb dient verweerders gemeente het door verzoeker gestorte griffierecht ad f 225,= te vergoeden.

Het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten voor wat betreft de aanvraag voor het treffen van een voorlopige voorziening tegen de weigering om informatie te verstrekken, kan naar het oordeel van de president buiten behandeling blijven, aangezien op grond van het feit dat het besluit inzake de ambtshalve inschrijving in het leegstandregister niet in stand kan blijven reeds op grond van art. 8:84 lid 4 in samenhang met art. 8:75 Awb aanleiding bestaat tot een proceskostenveroordeling.

Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht belopen de proceskosten van verzoeker f 1.420,= (verzoekschrift 1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt, waarde per punt f 710,=, gewicht van de zaak: gemiddeld), terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De president wijst verweerders gemeente aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Al het vorenstaande heeft geleid tot de volgende beslissing.

Beslissing

De president van de rechtbank:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit tot twee weken nadat de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, met dien verstande dat wanneer door verzoeker binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt gedaan, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

- bepaalt dat verweerders gemeente het door verzoeker gestorte griffierecht ad f 225,= terugbetaalt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ad f 1.420,-, aan hem te betalen door verweerders gemeente.

Aldus gegeven door mr. D.J. Keur, fungerend president, en door hem in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2001, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Molenaar als griffier.

w.g. M.R. Molenaar

w.g. D.J. Keur

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Afschrift verzonden op: 22 mei 2001