Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2001:AB1482

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
08-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
17/085390-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Leeuwarden

Sector strafrecht

VERKORT VONNIS

Uitspraak: 8 mei 2001

Parketnummer: 17/085390-00

VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op 1976 te [geboortegemeente],

wonende te [adres en woonplaats].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 26 april 2001.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.J. Rotshuizen, advocaat te Leeuwarden.

TELASTELEGGING

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in haar belangen geschaad.

PARTIËLE VRIJSPRAAK

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 3. telastegelegde feit nu er onvoldoende bewijs aanwezig is om te concluderen dat tussen de hoofdverdachte [naam hoofdverdachte] en verdachte en/of één of meer van de overige in dit dossier genoemde personen sprake was van een dusdanig samenwerkingsverband -gericht op het gezamenlijke doel hennep te telen danwel te bewerken c.a.- dat gesproken kan worden van een organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Het enkele gegeven dat een aantal personen op verzoek van de hoofdverdachte handelingen hebben verricht in verband met zijn hennepkwekerij, acht de rechtbank hiervoor onvoldoende.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht het onder 1. en 2. telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

zij in de periode van 19 oktober 1994 tot en met 20 april 1999 te Heerenveen, in de gemeente Heerenveen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meermalen opzettelijk heeft bewerkt, telkens een grote hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel voorkomende op de bij de Opiumwet behorende lijst II

en

zij in de periode van 21 april 1999 tot en met 4 juni 2000 te Heerenveen, in de gemeente Heerenveen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meermalen opzettelijk heeft geteeld, telkens een grote hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel voorkomende op de bij de Opiumwet behorende lijst II

en

zij in de periode van 19 oktober 1994 tot en met 4 juni 2000 te Oldeberkoop, in de gemeente Ooststellingwerf, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen opzettelijk heeft verwerkt, telkens een grote hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel voorkomende op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

zij op 5 juni 2000 te Heerenveen, in de gemeente Heerenveen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad 191 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

KWALIFICATIE

Het bewezene levert op de misdrijven:

1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

STRAFMOTIVERING

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het voorlichtingsrapport;

- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte terzake het onder 1., 2. en 3. telastegelegde tot 240 uren werkstraf alsmede 6 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar alsmede een geldboete van ƒ 2.000,00 subsidiair 35 dagen hechtenis.

Het ad informandum op de dagvaarding genoemde feit wordt door de rechtbank niet in aanmerking genomen nu dit feit niet door verdachte ter terechtzitting is erkend terwijl de verdediging evenmin heeft verzocht dit feit desondanks mee te nemen in de beoordeling.

Verdachte heeft jarenlang meegewerkt in de hennepkwekerijen van haar ouders. Aan haar wordt voorts het verwijt gemaakt van het aanwezig hebben van 191 hennepplanten. De rol van verdachte was veel geringer dan die van haar mededaders, terwijl voorts met name haar vader een flinke invloed op haar had.

Alles overziende acht de rechtbank een werkstraf van 200 uur een passende sanctie. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke vrijheidstraf van vier maanden opleggen teneinde verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw in te laten met dergelijke criminele activiteiten.

INBESLAGGENOMEN GOEDEREN

De rechtbank acht de inbeslaggenomen hennepplanten en kweekattributen -beschouwd als gezamenlijkheid- vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu met betrekking tot deze goederen het onder 2. bewezenverklaarde feit is begaan en zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De rechtbank is niet bevoegd in het kader van deze strafzaak een beslissing te geven omtrent de voorwerpen waarop conservatoir beslag is gelegd.

TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36b, 36c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 3 (oud), 11, 11 (oud) en 13a van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT

RECHTDOENDE:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3. is telastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. en 2. telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een werkstraf, bestaande uit het verrichten van 200 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 100 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen:

- 191 hennepplanten

- 1 koolstoffilter

- 2 schakelklokken

- ongeveer 5 meter slang, geel

- 1 dompelpomp, type dab nova 180

- ongeveer 4 meter flexibele slang

- 1 lasdoos en schakelaar

- 1 lasdoos

- 2 relais

- 1 thermostaat

- 1 afzuiger

- 8 lampen.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter, mr. J.Y.B. Jansen en mr. S.M. van der Schenk, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 mei 2001.