Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2001:AB1477

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
17-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H 99/49 (VR)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 17 januari 2001

Rolnummer: H 99/49 (VR)

VONNIS

van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden, enkelvoudige handelskamer, in de zaak van:

[EISER],

wonende te [woonplaats],

eiser, hierna te noemen: [eiser],

procureur: thans: mr. W. Sleijfer, voorheen: mr. Y.B. Kuiper,

tegen

het waterschap

WETTERSKIP BOARN EN KLIF

zetelend te Joure,

gedaagde, hierna te noemen: het waterschap,

procureur: mr. J. de Goede.

PROCESGANG

Bij tussenvonnis van 17 mei 2000 is een deskundigenrapport bevolen, met benoeming van Prof. dr. ir. C. van den Akker tot deskundige, waarbij is bepaald dat de deskundige ter beantwoording van de vragen g, h, i en j de diensten van Prof. mr. A. van Hall kan inroepen. Op 26 augustus 2000 heeft de deskundige zijn rapport uitgebracht. Een gedeelte van dat rapport - gedateerd 29 juli 2000 - is door de deskundige opgemaakt, een ander gedeelte - gedateerd 14 augustus 2000 - door Prof. mr. A. van Hall. Het waterschap heeft vervolgens een conclusie na deskundigenbericht genomen, gevolgd door een conclusie na deskundigenbericht van de zijde van [eiser].

Ten slotte is door partijen wederom vonnis gevraagd. De rechtbank wijst heden vonnis op basis van het griffiedossier, waarvan de inhoud als hier herhaald moet gelden.

RECHTSOVERWEGINGEN

Nadere beoordeling van het geschil

1. De rechtbank handhaaft hetgeen zij in de tussenvonnissen van 18 augustus 1999 en 17 mei 2000 heeft overwogen en beslist.

2. In het deskundigenbericht - het onderdeel dat opgesteld is door Prof. dr. ir. C. van den Akker - staat onder meer het volgende vermeld:

"(...)

De hydrologische situatie

In het onderhavige gebied is al sinds eeuwen sprake van een beinvloeding door menselijk ingrijpen van een natuurlijke hydrologische situatie. Oorspronkelijk heeft het maaiveld in deze veengebieden hoger gelegen dan N.A.P. evenals de bijbehorende oppervlaktewaterpeilen en grondwaterstanden. Door drainage van de gronden ten behoeve van bijvoorbeeld landbouwkundig gebruik treedt een proces in werking waarbij inklinking en oxydatie van het veen door toetreding van lucht in de boede, de oorzaken zijn van bodemdaling. Dit proces is hoogswaarschijnlijk nog versneld door de grote waterhuishoudkundige ingrepen die in de vorige eeuw zijn uitgevoerd. Voor de betreffende regio is bekend dat de aanleg en het droogvallen van de Noordoostpolder in 1942 een aanzienlijke verlaging van grondwaterstijghoogten heeft veroorzaakt. Recent, in 1995 en 1996, is nog een tweetal onderbemalingen in de onmiddellijke omgeving van de woning van [eiser] gerealiseerd waarbij sprake was van aanpassingen in het oppervlaktewaterpeil in de orde van grootte van 0,5 tot 0,7 m. Deze peildalingen zullen ongetwijfeld invloed hebben gehad op de grondwatersituatie en daarmee op de grondwaterstanden en grondwaterstijghoogten t.p.v. de woning. Het steeds maar weer naar beneden bijstellen van oppervlaktewaterpeilen, hoe gewenst ook vanuit een landbouweconomisch oogpunt, leidt echter tot een bodemdaling die hoogst ongewenst is.

(...)

Beantwoording van de vragen gesteld in het vonnis van 17 mei 2000

Vraag a

(...)

Van een aantal palen heb ik waargenomen, door het zand weg te graven tot op de grondwaterspiegel, dat de paalkoppen onder de grondwaterstand staan. Voor een aantal palen is de afstand die de paalkop onder water staat slechts een vijftal centimeters. Andere palen staan één tot twee decimeter onder water. (...) De feitelijke omstandigheid dat de paalkoppen onder de woning onder het grondwater staan is een gevolg van het opzetten van het waterpeil in een deel van het hoogwatercircuit. Deze maatregel is genomen door de heer [eiser], waarbij in de sloot voor zijn woning met behulp van een dam en een pomp een verhoging van ca. 0,2 m. wordt gerealiseerd. Eveneens wordt de verhoging boven het peil van het hoogwatercircuit aangehouden in de vijver gelegen naast de woning. Indien deze verhogingen teniet worden gedaan mag worden aangenomen dat de paalkoppen van het merendeel zoniet van alle palen droog zullen vallen.

(...)

Vraag c

Indien door middel van waterhuishoudkundige maatregelen een oplossing wordt gezocht voor het onder water zetten van de paalkoppen dienen de volgende maatregelen genomen te worden. Het peil in het hoogwatercircuit rondom de woning d.w.z. de sloten aan de voorzijde, de achterzijde en in de sloot naast de woning zal op een hoger niveau gebracht moeten worden. Tevens zal in de vijver naast de woning het peil op een hoger niveau gebracht moeten worden. Mijn inschatting is dat met een peilverhoging van ca. 0,3 m. de paalkoppen ruim onder water staan en ook blijven in perioden zonder neerslag. Dit hogere peil in de sloot achter de woning zal niet zonder meer gerealiseerd kunnen worden i.v.m. de drooglegging van het aangrenzende perceel. Hier zal over een lengte van ca. 100 m. een kade moeten worden aangelegd van naar schatting 0,5 m. hoogte teneinde te verhinderen dat het water uit de sloot over het perceel stroomt. Technisch is dit relatief eenvoudig te realiseren waarbij ik heb begrepen dat bij de eigenaar van het betrokken perceel geen overwegende bezwaren bestaan tegen de aanleg van een dergelijke kade.

(...)

Vraag d

Zoals in de algemene inleiding van mijn rapportage is verwoord is in de loop der jaren een geleidelijke verlaging van peilen in watergangen doorgevoerd. Dergelijke verlagingen werden uit een oogpunt van landbouwbelang wenselijk geacht. Teneinde schade te voorkomen aan bebouwing en wegen door verlaging van de grondwaterstand werden z.g. hoogwatercircuits door het waterschap ingericht. Ook t.a.v. de woning van de heer [eiser] heeft in het verleden het waterschap de Stellingwerven als verantwoordelijke beheerder een hoogwatercircuit rond de woning van de heer [eiser] ingesteld. Bij voorlopig peilbesluit van 28 sept. 1995 is dit te handhaven waterpeil vastgesteld op 2.10 m. - N.A.P.. Na de oprichting van het Wetterskip Boarn en Klif is het beheer overgegaan en daarmee ook de verantwoordelijkheid voor een voldoende hoog peil in het hoogwatercircuit zodat de doelstelling van het onder water staan van de paalkoppen bereikt zou worden. Naar mijn mening is door het Wetterskip Boarn en Klif onvoldoende nagegaan of het peil van 2.10 m. - N.A.P. wel beantwoordde aan het gevraagde doel. Relatief eenvoudig had kunnen worden vastgesteld dat het peil van 2.10 m. - N.A.P. niet voldoende was. Naar mijn mening had het waterschap de Stellingwerven en later het Wetterskip Boarn en Klif de verantwoordelijkheid moeten nemen om te onderzoeken welk peil het juiste is teneinde droogvallen van de paalkoppen te voorkomen. De betrokken waterschappen hebben dit nagelaten en hebben zich beperkt tot het ontkennen van de problematiek t.a.v. het droogvallen van de paalkoppen. Ook het zich ter plaatse op de hoogte stellen van de situatie inclusief het uitvoeren van relatief eenvoudige metingen heeft onvoldoende of niet plaatsgevonden.

(...)

Vraag f

(...)

De handelwijze van het waterschap heeft zeker bijgedragen in de ontstane problematiek. Immers de onderhavige problematiek van bodemdaling is een gevolg van peilverlaging van het oppervlaktewater en dientengevolge van het grondwater. Zoals gesteld werden de peilverlagingen in het verleden als noodzakelijk beoordeeld vanuit een oogpunt van landbouwbelang. Het waterschap draagt, als waterbeheerder, zorg voor het peilbeheer. Hierbij dient het totaal aan belangen meegewogen te worden. Door te eenzijdig de landbouwbelangen te dienen komen andere belangen in het gedrang. In het onderhavige geval heeft dit geleid tot een te lage grondwaterstand die onvoldoende kon worden gecompenseerd door het instellen van een hoogwatercircuit met een peil van 2.10 m. - N.A.P. Gezien de aard en omvang van de waterhuishoudkundige maatregelen, zoals peilverlagingen en het instellen van onderbemalingen, die in het verleden door het waterschap zijn genomen mag gesteld worden dat het waterschap de veroorzaker is van de onstane problematiek van de te lage grondwaterstanden ter plaatse van de woning van de heer [eiser].

(...)

Vraag g

In het kader van integraal waterbeheer is er bij uitstek voor het waterschap een rol weggelegd in het vinden van optimale waterhuishoudkundige maatregelen die zoveel mogelijk tegemoet komen aan de diverse belangen die betrokken zijn bij het kwantitatieve en kwalitatiteve waterbeheer. Dit houdt in dat als peilbesluiten worden genomen er door het waterschp terdege dient te worden onderzocht wat de mogelijke effekten zijn voor diverse belangen. Ook heeft het waterschap de taak oplossingen aan te dragen voor waterhuishoudkundige problemen. Dit betekent dat in het onderhavige geval het waterschap de taak heeft om waterhuishoudkundige gevolgen van peilaanpassingen te onderzoeken en in kaart te brengen. Daarna moet, in overleg met betrokkenen, worden gezocht naar aanvaardbare en adequate maatregelen teneinde eventuele negatieve effekten te compenseren. Gezien de relatief geringe technische ingrepen die nodig zijn voor het op een hoger peil brengen van het hoogwatercircuit rond de woning van de heer [eiser] kan het waterschap dit op korte termijn ter hand nemen. De kosten die zijn verbonden aan het onderzoek, het overleg en de uitvoering van de technische maatregelen dienen in principe door het waterschap te worden gedragen.

3. In het deskundigenbericht - het onderdeel dat opgesteld is door Prof. mr. A. van Hall - staat onder meer het volgende vermeld:

"(...)

Tussenconclusie

7. Ik sluit mijn inleidende deel met een enkele conclusie af. Allereerst deze: het volgen van de peilen van een (voorlopig) peilbesluit alleen ontslaat de waterbeheerder er niet van zich de nadelige gevolgen van dat beheer jegens bepaalde burgers of bedrijven aan te trekken (zie AB 1996, 166 en veel eerder AB 1990, 335). Vervolgens: de onrechtmatigheid kan liggen in een - gezien het stelsel van de Awb - incompleet peilbesluit, of in een op grond van een op zich rechtmatig peilbesluit onzorgvuldig feitelijk handelen. Water gedraagt zich meestal nogal voorspelbaar (zeker in polders) en beheerders mogen erop worden aangesproken, dat ze zich de gerechtvaardigde belangen van burgers en bedrijven aantrekken. De onderhavige casus gaat niet om noodsituaties van vernatting (vaak overmacht) en ook niet om de natuurlijk klink (wat daarvan qua aansprakelijkheid ook zij.) Deze casus gaat om een te grote drooglegging (uiteindelijk ten gunste van het landbouwbelang), waarbij schade aan gebouwen onvoldoende is meegewogen, althans te weinig heeft geleid tot efficiënte compenserende waterstaatkundige maatregelen.

(...)

De casus Waterschap - [eiser]: technische feiten

8. (...)

De feiten waarvan ik uitga, zijn hiervoor door collega Van den Akker beschreven. Algemene conclusie van zijn bevindingen is:

- dat de funderingspalen droog staan, in een bandbreedte zoals ook beschreven in het onderzoeksrapport van dr. ir. J. van de Graaf (TUD)

(...)

Juridische kwalificatie van de feiten

9. (...)

Gelezen hetgeen ik hierboven stelde kan iets gezegd worden over het standpunt van [eiser] (pag. 2 vonnis d.d. 18.8.1999).

- 3.3. : niet te weerleggen stelling (juridisch correct derhalve)

- 3.4. : idem: juridisch correct

- 3.10 : geen resultaatsverplichting

- 3.11 : hoefde [eiser] ook niet

- 3.12 : * geen pseudo-aansprakelijkheid

* twee momenten voor actie waterschap:

1) bij voorbereiding peilbesluit (art. 3:2 Awb)

2) na klacht: onderzoek en alsnog maatregelen (art. 40 Wwh of art. 162 BW: zie Kaagman 1999)

Hoe is de beoordeling van het standpunt van het waterschap:

- 4.2 : maatregelen vergaand onvoldoende, risico voor waterschap (stelling waterschap dus onjuist)

- 4.3. : watersysteembeheer impliceert feitelijke beïnvloeding grondwaterpeil (idem)

* kade-aanleg kan wel degelijk waterschapstaak zijn als compenserende maatregel

* peilbesluit hoeft niet onrechtmatig te zijn, zolang waterschap zich de gerechtvaardigde belangen van burgers voldoende aantrekt

- 4.6 : op zich correct, maar inspanningen gaan inmiddels verder dan vóór 1990

- 4.12 : is het waterschap zelf ooit onder de woning gaan waarnemen: ik heb daar twijfels over (onvolledig onderzoek: zie AB 1997, 332).

Conclusie: het waterschap heeft jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld hetgeen deze overheid - gezien het feitencomplex - toegerekend kan worden. Het causaal verband is evident aanwezig. Het waterschap is aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade. De mate van onzorgvuldigheid is, zowel vanuit bestuursrechtelijk als uit civielrechtelijk oogpunt bezien, groot. Ondanks herhaalde uitingen aan de zijde van [eiser] dat de schade toenam, is hierop onvoldoende gereageerd door het waterschap. Dat nalaten van corrigerend of mitigerend optreden aan de zijde van het waterschap, mag hem worden toegerekend. Ik zie, gelezen de ontwikkelingen in regelgeving en jurisprudentie, geen aanleiding voor de opvatting van het waterschap dat er geen aansprakelijkheid zou bestaan, omdat er een geldig peilbesluit was en er een (in de praktijk gebleken niet werkend!) hoogwatercircuit is aangelegd. Ik zie, gezien de opstelling van [eiser], geen aanleiding voor de stelling dat een deel van de schade bij [eiser] zou moeten blijven liggen. De rechtbank zou zich - bij bewezen geachte onrechtmatigheid - kunnen buigen over de vraag in hoeverre [eiser] genoegen moet nemen met een waterstaatkundige oplossing. Die neemt risico's voor verdere rotting weg, mits het (grond)waterpeil adequaat beheerd wordt. De te weinig daadkrachtige houding van het waterschap, waardoor het voor de woning van [eiser] nadelinge proces sluipenderwijs door kon gaan (voorzover [eiser]'s ingrijpen dat niet heeft voorkomen), zou evenzeer de stelling kunnen opleveren dat de compensatie in een (overigens veel kostbaarder) bouwkundige - en definitieve - oplossing gezocht moet worden. Overigens is het de vraag of er zo'n "subjectivering naar boven" in het aansprakelijkheidsrecht bruikbare motieven kunnen worden gevonden.

(...)

Beantwoording van de vragen

10. Vraag h: naar mijn oordeel is het waterschap vergaand onzorgvuldig opgetreden.

(...)

Eindconclusie

11. In deze specifieke zaak is het waterschap technisch en - als gevolg daarvan ook - juridisch onvoldoende adequaat opgetreden. Ik laat in het midden of het waterschap alleen moet instaan voor een afdoende (en ten eeuwigendage voortdurende) waterstaatstechnische oplossing of ook voor een bouwkundige ingreep bij en onder de fundamenten. In ieder geval lijkt mij dat geleden en mogelijk nog te lijden schade, bij staat en na taxatie op te maken, door het waterschap moet worden vergoed. Mij lijkt het tevens niet wel denkbaar dat de deskundigenkosten c.a. die [eiser] door de jaren heen heeft gemaakt, voor zijn rekening blijven."

4. Bij conclusie na deskundigenbericht heeft het waterschap aangegeven dat hij het met de conclusies van Prof. dr. ir. C. van den Akker en prof. mr. A. van Hall fundamenteel oneens is. Het waterschap heeft zijn standpunt zoals verwoord sub 1 tot en met 14 van de conclusie na deskundigenrapport als volgt samengevat (zie sub 16 van die conclusie):

"- Hij is niet aansprakelijk voor de natuurlijke maaiveldsdaling, die er kennelijk debet aan is dat de grondwaterstand onder de woning van [eiser] geleidelijk aan daalt.

- Ook indien ten aanzien van dat punt op het Wetterskip wél aansprakelijkheid zou rusten, quod non, is de - mogelijke - schade mede een gevolg van de omstandigheid, dat bij de bouw van de woning in 1926 - toen de inklinking al jaren gaande was - kennelijk met deze omstandigheid onvoldoende rekening is gehouden. Om met Van Hall in zijn noot onder AB 1996/434, te spreken: "kan ieder die bouwt in de lage, nattere delen van ons land (waartoe ook de Groote Veenpolder behoort, toevoeging DeG), weten dat daar een continu proces van inklinking plaatsvindt". Dat brengt volgens de Afdeling mee: "dat gebouwen zo dienen te worden geconstrueerd dat zij gedurende hun levensduur de natuurlijke daling van het maaiveld en de in verband daarmee te realiseren peilverlagingen zonder schade kunnen ondergaan". En dat is bij de woning van [eiser] kennelijk niet het geval. Deze onvoldoende fundering is naar het oordeel van het Wetterskip de hoofdoorzaak van de door [eiser] gesignaleerde problemen zodat eventuele schade ook in dit geval volledig te zijnen laste behoort te blijven."

Tevens heeft het waterschap sub 15 van zijn conclusie na deskundigenbericht een tiental opmerkingen gemaakt naar aanleiding van het deskundigenbericht.

5. Bij conclusie na deskundigenbericht heeft [eiser] aangegeven dat hij zich kan vinden in de conclusies van Prof. dr. ir. C. van den Akker en prof. mr. A. van Hall. De juistheid van hetgeen het waterschap naar aanleiding van het deskundigenbericht bij conclusie na deskundigenbericht heeft aangevoerd, wordt door [eiser] gemotiveerd betwist.

6. De rechtbank ziet aanleiding de deskundige te verzoeken om bij brief te reageren op hetgeen het waterschap sub 1 tot en met 14 van zijn conclusie na deskundigenbericht - zoals sub 16 van die conclusie is samengevat - heeft aangevoerd, alsmede op de tien door het waterschap gemaakte opmerkingen, zoals sub 15 van de conclusie na deskundigenbericht van het waterschap is vermeld. Uiteraard zal ook nu worden bepaald dat de deskundige gebruik kan maken van de diensten van Prof. mr. A. van Hall.

De procureur van [eiser] wordt verzocht de processtukken binnen 2 weken na deze uitspraak in kopie aan de deskundige te doen toekomen, voorzover deze stukken nog niet in het bezit van de deskundige zijn.

7. In afwachting van het aanvullende deskundigenrapport wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

BESLISSING

De rechtbank

1. verzoekt de deskundige om bij brief te reageren op hetgeen het waterschap sub 1 tot en met 14 van zijn conclusie na deskundigenbericht - zoals sub 16 van die conclusie is samengevat - heeft aangevoerd, alsmede op de tien door het waterschap gemaakte opmerkingen, zoals sub 15 van de conclusie na deskundigenbericht van het waterschap is vermeld. Tevens wordt de deskundige verzocht aan te geven of hij naar aanleiding van de conclusie na deskundigenbericht van de zijde van het waterschap de conclusie dat het waterschap onzorgvuldig heeft gehandeld jegens [eiser] al dan niet handhaaft;

2. verstaat dat de deskundige gebruik kan maken van de diensten van Prof. mr. A. van Hall;

3. bepaalt dat de procureur van [eiser] de processtukken binnen 2 weken na deze uitspraak in kopie aan de deskundige zal doen toekomen, voorzover deze stukken nog niet in het bezit van de deskundige zijn;

4. verzoekt de deskundige om zijn sub 1 bedoelde brief binnen 6 weken na ontvangst van de sub 2 bedoelde kopiën aan de rechtbank te zenden;

5. verwijst de zaak naar de rol van 25 april 2001 voor vonniswijzing;

6. houdt voor het overige iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. R. Giltay en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 17 januari 2001.

fn 82.