Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2001:AA9918

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
02-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/101 WW44
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2001/399

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 99/101 WW44

Inzake het geding tussen

de heer en mevrouw [naam eisers], wonende te [woonplaats eisers], eisers,

gemachtigde: mr. R.S. Namjeskey, werkzaam bij ARAG rechtsbijstand,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Achtkarspelen, verweerder,

gemachtigde: mr. P.J. van de Sande.

1. Procesverloop

Bij brief van 24 december 1998 heeft verweerder eisers mededeling gedaan van een besluit op bezwaar strekkende tot ongegrondverklaring van het bezwaarschrift van eisers gericht tegen verweerders besluit van 2 juli 1998, waarbij verweerder geweigerd heeft aan eisers een bouwvergunning te verlenen voor het aanbrengen van een witte stuclaag op de buitengevel van hun woonboerderij aan de [adres eisers] te [woonplaats eisers].

Tegen dit besluit is namens eisers bij brief van 27 januari 1999, aangevuld bij brieven van 16 maart 1999 en 5 mei 1999, beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekkende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is ter zitting behandeld op 24 november 2000. Van eisers is de heer [naam eiser] in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eisers. Verweerder is bij gemachtigde verschenen.

2. Motivering

De rechtbank baseert zich bij haar oordeelsvorming op de volgende feiten en omstandigheden.

Feiten

Bij brief van 2 april 1998 hebben eisers een bouwvergunning aangevraagd voor het aanbrengen van een witte stuclaag op hun woonboerderij gelegen aan de [adres eisers] te [woonplaats eisers].

De welstandscommissie Hûs en Hiem heeft verweerder op 7 april 1998 meegedeeld dat deze stucwerkzaamheden niet voldoen aan redelijke eisen van welstand.

Nadat eisers bij brief van 2 juni 1998 hun zienswijze op voornoemd welstandsadvies kenbaar hebben gemaakt, heeft verweerder bij brief van 2 juli 1998 eisers medegedeeld dat de gevraagde bouwvergunning niet verleend wordt wegens strijd met redelijke eisen van welstand.

Bij brief van 7 augustus 1998 is namens eisers tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

Op de hoorzittingen van 20 oktober 1998 en 17 november 1998 hebben partijen hun standpunten mondeling toegelicht ten overstaan van de adviescommissie voor de bezwaar- en beroepschriften. In haar ongedateerde advies heeft deze commissie verweerder geadviseerd het bezwaarschrift ongegrond te verklaren. Deze commissie stelt zich onder meer op het standpunt dat de stucwerkzaamheden vergunningplichtig zijn, nu het aanbrengen van stucwerk de bouwkundige structuur en het aanzicht van de woonboerderij verandert en de onderhavige werkzaamheden een substantiële en ingrijpende inbreuk op de omgeving tot gevolg hebben.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder, onder overneming van voornoemd advies, het bezwaarschrift van eisers ongegrond verklaard.

Het standpunt van eisers

Eisers zijn van mening dat verweerder er ten onrechte van uit is gegaan dat de stucwerkzaamheden vergunningplichtig zijn, nu ten gevolge van deze werkzaamheden geen bouwwerk wordt veranderd in de zin van art. 1 van de Woningwet. In het geval geoordeeld mocht worden dat deze werkzaamheden toch zijn aan te merken als bouwen dan stellen eisers zich op het standpunt dat op grond van art. 43 lid 1 aanhef en onder e Woningwet voor deze werkzaamheden geen bouwvergunning is vereist. Het aanbrengen van het stucwerk op de buitengevels is volgens eisers niet van dien aard dat dit een substantiële en ingrijpende inbreuk op de omgeving heeft en dient derhalve gezien te worden als een verandering van een bouwwerk van niet-ingrijpende aard. Hierbij wijzen eisers erop dat in de directe omgeving van de woonboerderij meer boerderijen met een witte stuclaag op de buitengevel aanwezig zijn. Verder hebben eisers in bezwaar betoogd dat verweerder het welstandsadvies kritisch moet beoordelen, nu dit advies voornamelijk gericht is op het behoud van de bestaande situatie en niet zo zeer op een beoordeling van de aanvraag. Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers voorts nog meer subsidiair aangevoerd dat in dit geval kan worden gesproken van normaal onderhoud als bedoeld in art. 43 lid 1 onder b Woningwet. De gevels zijn in slechte staat en stucen is in dit geval de enige oplossing. Opnieuw voegen is gelet op de kosten daarvan geen alternatief, terwijl dit ook het risico meebrengt van beschadiging van de binnenmuren.

Eisers verzoeken derhalve de rechtbank het bestreden besluit te vernietigen met veroordeling van verweerder in de proceskosten.

Het standpunt van verweerder

Verweerder betoogt dat in dit geval sprake is van het veranderen van een bouwwerk en dat het hierbij niet gaat om een vergunningvrije bouwactiviteit, zoals bedoeld in art. 43 lid 1 aanhef en sub e Woningwet. Verweerder is van mening dat het aanbrengen van stucwerk substantiële gevolgen heeft, aangezien daardoor de structuur van de muren van de woonboerderij wezenlijk wordt veranderd. Het aanbrengen van een stuclaag op gemetselde muren is dan ook een fundamenteel andere activiteit dan bijvoorbeeld het schilderen ervan. Ook voert verweerder aan dat het bij de beoordeling van de vraag of sprake is van niet-ingrijpende bouwactiviteiten niet alleen aankomt op de bouwkundige aard van die activiteiten, maar ook op de stedenbouwkundige gevolgen. Verweerder acht die gevolgen substantieel vanwege het grote effect van een wit gestucte gevel op de omgeving. Verweerder bestrijdt dat in strijd is gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. In de eerste plaats zijn er volgens verweerder maar enkele woningen in de omgeving met wit gestucte gevels en in de tweede plaats gaat het daarbij om gevallen die ouder zijn dan 10 jaar en waarvoor destijds geen bouwvergunning is afgegeven.

Beoordeling van het geschil

In art. 40 lid 1 Woningwet is bepaald dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders. Onder bouwen wordt ingevolge art. 1 lid 1 onder a van deze wet onder meer het veranderen van een bouwwerk verstaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is de primaire stelling van eisers, te weten dat het aanbrengen van een stuclaag op de buitengevel niet kan worden gekwalificeerd als “bouwen” in de zin van art. 40, in samenhang met art. 1 Woningwet, juist. De rechtbank is van oordeel dat het begrip “veranderen”, zoals bedoeld in art. 1 sub a Woningwet, zo moet worden verstaan dat daarbij wordt gedoeld op veranderingen die voortvloeien uit bouwkundige activiteiten van overeenkomstige aard als het vergroten en vernieuwen van een bouwwerk, maar dat het daarbij niet gaat om veranderingen die slechts esthetische betekenis hebben. Het aanbrengen van een stuclaag op een bakstenen buitengevel wijzigt het aanzicht van die gevel, maar brengt daarin naar het oordeel van de rechtbank in bouwkundig opzicht geen verandering aan.

Dit oordeel brengt met zich mee dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met art. 1 jo. art. 40 Woningwet. De overige tussen partijen gewisselde argumenten behoeven geen bespreking meer.

De rechtbank ziet onder de gegeven omstandigheden voorts aanleiding om gebruik te maken van haar bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank verklaart het inleidende bezwaarschrift alsnog gegrond, herroept het primaire besluit en bepaalt dat eisers voor het aanbrengen van een stuclaag op de buitengevel van hun woning geen bouwvergunning behoeven.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:74 lid 1 Awb dient verweerders gemeente het door eisers gestorte griffierecht van ¦ 210,= te vergoeden.

Op grond van art. 8:75 Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eisers ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand

¦ 1.420,= (beroepschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt ¦ 710,=). De rechtbank wijst verweerders gemeente aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

verklaart het inleidende bezwaarschrift gegrond, herroept het primaire besluit van 2 juli 1998 en bepaalt dat eisers geen bouwvergunning behoeven voor het aanbrengen van een stuclaag op de buitengevel van hun woning aan de [adres eisers] te [woonplaats eisers].

bepaalt dat verweerders gemeente het betaalde griffierecht van ¦ 210,= aan eisers vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van ¦ 1.420,=, aan eisers te vergoeden door verweerders gemeente.

Aldus gegeven door mr. D.J. Keur, voorzitter en mrs. T.K. Hoogslag en P. Schulting, rechters, en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2001 in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier.

w.g. B.M. van der Doef

w.g. D.J. Keur

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 2 februari 2001